1971/7 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Dr.H.W. van der Vaart Smit tegen de hoofdredacteur van Vrij Nederland.

Dr. H.W. van der Vaart Smit te Amsterdam, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 9 februari 1971 gewend tot de Raad voor de Journalistiek, met een klacht tegen de heer R. Ferdinandusse te Amsterdam, hoofdredacteur van Vrij Nederland, hierna te noemen betrokkene.

Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 6 juli 1971, waar zijn verschenen de klager en Mr.A. Komen te Asterdam als gemachtigde van betrokkene.

KLACHT

Klager stelt, zakelijk weergegeven, het volgende: In Vrij Nederland van 28 maart 1970 verscheen een artikel, dat een gehele pagina besloeg, getiteld: "Een poging tot formatie van een Nederlandse Vichyregering" van de hand van Dr, C.H. Slechte. In dit stuk wordt over klager o.m. het volgende geschreven:

"Door de synode van de Gereformeerde kerken was hij in 1936 uit het predikantsambt ontzet wegens zijn openlijk beleden sympathie voor het nationaalsocialisme. Reeds sinds het einde der jaren twintig had hij zijn bewondering voor het zgn. christelijke nationaalsocialisme niet onder stoelen of banken gestoken. In de Duitse kerkstrijd was hij opgetreden als "Reichsvermittler". In Nederland leidde hij het pro-nationaal-socialistische Nederlands Christelijk Persbureau".

Om een aantal misvattingen uit de weg te ruimen zond klager een ingezonden stuk naar Vrij Nederland, dat echter niet werd opgenomen. Daarna vroeg klager om rectificatie van althans de ergste onjuistheden, nl. de ontzetting uit het predikantsambt en het "pro-nationaal-socialistische" Nederlands Christelijk Persbureau, hetgeen werd geweigerd. Door tussenkomst van een advocaat werd na enige maanden overeenstemming bereikt over het plaatsen van een rectificatie, inhoudende dat klager niet oneervol was afgezet wegens openlijk beleden nationaalsocialistische sympathieën, doch eigener beweging eervol ontslag als predikant had gevraagd en gekregen met behoud van kerkelijke rechten wegens vertrek met het Nederlands Christelijk Persbureau naar Den Haag. Toen klager vervolgens aandrong op rectificatie van het tweede punt, berichtte betrokkene hem dat hij geen enkele reden zag om iets over het Nederlands Christelijk Persbureau te rectificeren. Daarop heeft klager zich tot de Raad gewend. Hij stelt dat het Nederlands Christelijk Persbureau, opgericht in 1930, een oecumenische stichting was met een bestuur, bestaande uit drie Hervormde, drie gereformeerde en drie Vrijzinnige vooraanstaande figuren uit de kerkelijke wereld, waarvan de stichtingsakte o.a. de bepaling bevatte dat het de stichting verboden was propaganda te maken voor enige mening, richting of beschouwing. Het bestuur, dat het nieuws van het Bureau regelmatig controleerde, stond er borg voor dat het Bureau en klager, die sinds 1 mei 1930 daarvan directeur was, zich hielden aan de bepalingen van de stichtingsakte.
Voorts wijst hij erop dat hij bij sententie van het bijzonder Gerechtshof te Amsterdam van 12 februari 1949 is vrijgesproken van punt 1 van de tenlastelegging, inhoudende dat hij "in het tijdvak van 15 mei 1940 tot 5 mei 1945 of daaromtrent als directeur van het Nederlands Christelijk Persbureau te s-Gravenhage is werkzaam geweest, daarbij ernaar strevende zijn werkzaamheden in nationaalsocialistische en proDuitse zin te verrichten en de nationaalsocialistische en Duitse belangen zoveel mogelijk, althans in sterke mate te behartigen". Hij heeft betrokkene van deze vrijspraak in kennis doen stellen en meende te mogen eisen dat deze dit feit aan zijn lezers als rectificatie meedeelt.

VERWEER

Op het verzoek om een verweerschrift heeft betrokkene gereageerd met de volgende brief. "De acties, die dr. Van der Vaart Smit al sinds lange jaren onderneemt om zijn verleden goed te praten, onderga ik als bijzonder onsympathiek. Zijn schrijfsels heb ik daarom in eerste instantie geweigerd, omdat zij veel verder gingen dan zakelijke mededelingen. Aan de plicht tot rectificatie zoals geëist werd door Mr. W. de Rijke in Zijn brief van 25 mei 1970 heb ik me niet onttrokken. Ik meen daarmee geheel voldaan te hebben aan de wens van dr. Van der Vaart Smit".

ZITTING

Desgevraagd deelt klager mee dat het Nederlands ChristeLijk Persbureau is blijven functioneren tot het einde van de Duitse bezetting, toen hij werd geïnterneerd, formeel is noch het bureau noch de stichting ooit opgeheven. In april 1940 is het merendeel der toen zittende bestuursleden afgetreden, door de gebeurtenissen in mei 1940 en daarna is het niet meer tot een aanvulling gekomen. Het bureau, dat vroeger 23 personeelsleden telde, bestond in de bezettingstijd uit klager als directeur (die tevens benoemd was tot directeur van het Algemeen Nederlands Persbureau in Den Haag) en een secretaresse. Hij ontkent deze functies in pro-nationaalsocialistische zin te hebben uitgeoefend. Wel heeft hij zich in 1939 een door Mussert verleend geheim lidmaatschap van de NSB laten aanleunen. Betrokkene wijst erop dat klager door de Raad voor de Perszuivering voor 20 jaar is geschorst als journalist, hij voert nog een aantal andere feiten aan waaruit zou blijken van klager's nationaalsocialistische sympathieën. Hij stelt dat het zeer moeilijk is, en zeker bij het onderhavige persbureau van minimale omvang in de omstandigheden van de bezettingstijd, de persoon te onderscheiden van de functie.

OVERWEGINGEN

Het verweerschrift van betrokkene bevat niets over het punt van geschil. De Raad heeft kennis genomen van de door klager ter zitting, overgelegde brochure van zijn hand, getiteld "Rechtvaardiging", 2e druk (1965). Op blz. 23 staan daarin de volgende passages omtrent zijn veroordeling door de Bijzondere Rechtspleging:
"Ik kom tot het 4e punt. Hierbij werd tegen schrijver dezes bewezen verklaard, dat hij een brief heeft geschreven naar de beruchte NSB-er M. Blokzijl, waarin hij o.a. de volgende woorden gebruikte: "Ons bureau (dit is het Nederl.Chr.Persbureau onder leiding van verdachte) heeft vele jaren lang, de strijd voor het nationaal socialisme op kerkelijk terrein gevoerd en dat gedaan met grote offers, die wij niet meer behoeven te noemen..."'

Deze woorden komen inderdaad voor in een brief dato 3 december 1941, door mij als leider van het Ned. Chr.Persbureau gericht aan M. Blokzijl als hoofd van de afdeling Perswezen van het departement van volksvoorlichting. ..."

In het verdere verloop van deze brochure ontkent klager niet de juistheid van de aangehaalde passages uit zijn brief van 3 december 1941. Klager kan deze uitlating van hemzelf in aanmerking genomen, moeilijk van anderen, met name in casu van betrokkene, vergen dat een uitdrukking als "het pro-nationaalsocialistische Nederlands Christelijk Persbureau" zal worden gerectificeerd.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af als ongegrond.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 juli 1971 door Prof. Mr. Ch.J. Enschedé, voorzitter, Dr. E. Diemer, Mr. A. Stempels, Drs. A.A.V. Tummers en Drs. L.F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K. Helder als secretaris.

RvdJ 1971, 7.