1971/6 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake J.W. Rengelink tegen R. Brico.

J.W.Rengelink, programmacommissaris van de Nederlandse Omroep Stichting NOS te Hilversum, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 9 maart 1970 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen R.Brico, journalist te Amsterdam, hierna te noemen betrokkene.

Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkene een verweerschrift heeft ingediend, heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen. De zaak, op de zittingen van 17 november 1970 en 31 maart 1971 uitgesteld wegens ziekte van betrokkene, werd door de Raad behandeld op de zitting van 26 mei 1971, waar zowel klager is verschenen als betrokkene, bijgestaan door Mr. H.M. de Jong Schouwenburg, advocaat te Amsterdam.

KLACHT

De klacht heeft betrekking op een artikel van de hand van betrokkene, getiteld "De journalatigheden van een commissaris" en gepubliceerd in Elseviers Magazine van 21 februari 1970. Het begint met de volgende inleiding:

"Het televisie-journaal is slaapverwekkend, onbenullig, provinciaals, laf en oubollig. Dit zijn de adjectieven die het meest gebezigd worden door betrokkenen en buitenstaanders, vijanden en vrienden (d.w.z. zij die het medium als zodanig een warm hart toedragen) van ons belangrijkste informatieve tv-programma. Oorzaken? Verschillende".

Daarna volgt een relaas van de gebeurtenissen rondom de wisselingen in de leiding van het tv-journaal zoals gezien door betrokkene, en zijn oordeel over de leidinggevende functionarissen. Hij vervolgt dan:

"Heeft het Journaal de laatste jaren geleden onder een zielloze leiding en ontoereikende faciliteiten, de vraag is of dit opweegt tegen de bewuste druk van de omroepverenigingen om het Gezamenlijk Programma, en niet het minst het Journaal, tele-vitaminen en -calorieën te ontzeggen. Het is duidelijk dat een sterk journaal met kritische interviews, zoals bijvoorbeeld Engeland en Duitsland uitzenden, de actualiteiten-rubrieken een sterke concurrentie zouden bezorgen".

Deze stellingen worden vervolgens geadstrueerd met een beschouwing over de rol, die klager volgens betrokkene als programmacommissaris van de NOS zou hebben gespeeld bij de plaatsbepaling van het Journaal. Na een zin "Wat nu zou er moeten gebeuren om het Nederlandse Journaal op (dat) niveau te brengen?" besluit betrokkene zijn artikel met een aantal suggesties voor verbetering.

Klager voelt zich -vooral- bezwaard door een aantal door hem speciaal aangewezen passages in dit artikel waardoor hij zich in zijn functie en zijn persoon geschaad acht. Hij erkent het recht van de journalist op een kritische bespreking van personen, feiten en omstandigheden en acht een subjectieve beoordeling daarbij niet verwerpelijk. Anderzijds echter, zo betoogt hij, is de journalist gehouden geen onjuiste mededelingen te doen, althans al het mogelijke te ondernemen om feitelijk onjuiste informatie te vermijden, en daartoe te trachten de juistheid door verificatie van zijn informaties bij betrokkenen te toetsen. Naar de mening van klager heeft betrokkene ten aanzien van het door hem gepubliceerde artikel geen poging gedaan de daarin gegeven informatie te verifiëren bij de meest betrokkene, in casu klager. Klager meent dat betrokkene daarmede de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten geschaad heeft; hij oordeelt de grens van geoorloofd journalistiek handelen verre overschreden.

VERWEER

In zijn verweerschrift verklaard betrokkene onder meer uitdrukkelijk dat hij aan zijn artikel een grondig onderzoek ten grondslag heeft gelegd en zich daarbij o.a. uitermate uitvoerig mondeling heeft georiënteerd bij personen die nauw bij omroep- en televisiezaken betrokken zijn. Niet ontkend echter wordt zijnerzijds dat hiermede een geheel ander probleem naar voren komt, te weten of het de journalist is toegestaan de bronnen van zijn aldus verkregen informatie prijs te geven. Dit probleem wordt door klager kennelijk in geen enkel opzicht beseft bij de beweegredenen van zijn klacht, hetgeen enigszins merkwaardig aandoet, nu hij er toch overigens behoefte aan had voorop te stellen wel besef te hebben voor een ander recht van de journalist, te weten dat op een kritische bespreking van personen, feiten en omstandigheden. Het behoeft dan ook geen nader betoog dat de journalist Brico in deze kwestie zijn publikatie voornamelijk heeft doen baseren op aan hem vertrouwelijk gedane mededelingen, zodat het hem niet vrij staat exact aan te geven welke betrokkenen door hem werden geadieerd. Eveneens in zijn inleiding verweet Rengelink de door hem aangeklaagde journalist geen poging te hebben gedaan de aldus verkregen informatie te toetsen bij de wat hij noemt "meest betrokkene" (d.i. Rengelink), waarmede dan "de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten" zou zijn geschaad. Brico ontkent dat uitsluitend door het feit dat de in een artikel kritisch besproken persoon zelve door de desbetreffende journalist niet werd gehoord, valt af te leiden dat daarmede de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten zou zijn geschaad. Er kunnen voor een journalist juist zeer moverende redenen zijn om tevoren geen contact te hebben met personen of instellingen welke het object van een publikatie zullen worden. Betrokkene stelt voorop dat, gelet op de turbulente discussies, welke zich in deze tijd in de pers ten aanzien van allerhande personen en instellingen afspelen, ook geobjectiveerd en in het algemeen, gesteld mag worden dat desbetreffende journalistieke formuleringen niet op een goudschaaltje behoeven te worden gewogen. Dit klemt temeer ten aanzien van onderwerpen die in een recent verleden gedurig in den brede onderworpen waren aan felle kritische aanvallen van de pers, zoals dit toch zeker het geval is met betrekking tot alles wat met omroep- en televisiezaken en het daarbij behorend beleid te maken heeft. In dit licht vraagt betrokkene zich af of klager, die blijkens zijn eigen mededelingen "voor wat zwiepende takken niet al te gevoelig (is)" wel voldoende besef heeft kunnen opbrengen voor het feit dat daardoor ook schrammetjes kunnen ontstaan. Meer immers dan zodanig te kwalificeren gevolgen van zijn onderhavige kritiek meent betrokkene niet te zien veroorzaakt. Betrokkene gaat daarna in op de door Rengelink aangegeven punten; daarop komt de Raad hierna terug.

ZITTING

Ter zitting zijn de door klager meer in het bijzonder te berde gebrachte punten uitvoerig besproken; beide partijen hebben in hoofdlijnen bij hun uiteenzettingen in de stukken volhard. Ter zitting kwamen uiteraard ook de algemene beschouwingen van klager en bctrokkcne's verweer in het verband van deze punten ter sprake,

1) Over de benoeming van de hoofdredacteur van het NOS-journaal schrijft betrokkene- "Dat S. voor zijn nieuwe positie bepaald ongeschikt was, interesseerde programma-commissaris Rengelink minder dan dat er weer een conflict opgelost was". Klager betwist dit, alleen al omdat zij die S. benoemden - en dat was niet alleen klager maar het bestuur en de Raad van Beheer van de NTS - niet twijfelden en volledig vertrouwen in S. hadden. Klager acht zijn integriteit (probeer steeds de beste man te krijgen) hier aangetast. Betrokkene handhaaft zijn formulering op grond van de informaties waarover hij beschikte. Hij heeft - en dit geldt voor het gehele artikel - zijn inlichtingen ontvangen van en geverifieerd bij een drietal omroepfunctionarissen; aan een ervan heeft hij het stuk voor het ter perse gaan laten lezen en er op diens instigatie nog enige correcties in aangebracht. Nadat de klacht was ingediend, heeft hij nog een vierde omroepfunctionaris geraadpleegd, die hem de juistheid van de feitelijke gegevens had bevestigd. Betrokkene houdt staande dat klager wist dat S. bepaald ongeschikt was voor zijn functie, maar dat klager er de voorkeur aan gaf dat door deze benoeming een intern probleem van een der omroepverenigingen werd opgelost. Hij heeft met deze uitlating niet bedoeld de integriteit van klager aan te tasten en meent dat ook niet gedaan te hebben; hij heeft niet de persoon maar het systeem van het omroepbestel willen aanvallen.
2) Ter illustratie van de "bewuste druk van de omroepverenigingen om het Gezamenlijk Programma, en niet het minst het Journaal, televitaminen en -calorieën te ontzeggen" die betrokkene in zijn stuk signaleert, schrijft hij: "Maar commissaris Rengelink, die eerst terugkeerde en later teruggesommeerd werd naar zijn VARA-appartement - dat veel minder status bezit dan zijn NOS-appartement - hoedt er zich wel voor wederom de wrok der zuilen op zijn hals te halen en een derde keer te moeten afdalen". Klager vindt, dat hij hier als een afhankelijk man en in een nadelig licht wordt afgeschilderd. Hij stelt, uit eigen vrije wil te zijn teruggekeerd naar de VARA, die hem juist graag op zijn post had zien blijven en hem geenszins teruggesommeerd heeft. Hij heeft de motieven voor zijn terugkeer uiteengezet op een persconferentie, die vooraf was gegaan door een perscommuniqué; tal van bladen hebben de feiten juist weergegeven, met uitzondering van de Telegraaf die meldde dat klager door de VARA was gedwongen tot ontslag. Betrokkene zegt in die periode in het buitenland te zijn geweest en te zijn afgegaan op zijn zegslieden, die hem vertelden van de spanning tussen de omroepzuilen en de gezamenlijkheid; hij achtte de positie van de programma-commissaris daartussen moeilijk en vond het gerucht dat klager was teruggeroepen in dit verband aannemelijk.

3) Betrokkene vervolgt zijn stuk aldus "De sluwe commissaris nam daartoe een paar weldoordachte stappen. "Tot zijn grote verrassing..,", zoals hij onlangs een aantal collega's en journalisten voorschotelde, werd hij benoemd tot voorzitter van de European Broadcasting Union. De verrassing werd loyaal beantwoord met proost, toast en handgeklap, maar de brave toehoorders wisten niet dat aan de benoeming een tournee van zes weken was voorafgegaan waarin Rengelink alle lobbying had gepleegd, die zo'n benoeming zeker stelt". Vooral door deze passage, die hem schildert als sluw en hypocriet, acht klager zich in zijn persoonlijke integriteit aangetast; ook deze bewering van betrokkene berust op een volstrekt onware voorstelling van zaken, die hij gemakkelijk had kunnen verifiëren, daar men ten kantore van de NOS volledig op de hoogte was van de doelen van zijn reis. Tijdens deze reis heeft klager op één uitzondering na met niemand over de bedoelde voorzittersfunctie gesproken. Door een bijzondere gang van zaken, die hij uitvoerig uiteenzet, kwam zijn benoeming onverwachts tot stand en zijn verrassing daarover was niet geveinsd. Betrokkene zegt gemeend te hebben (naar hem later bleek ten onrechte) dat zijn informatie een stuk nieuws bevatte en dat hij het daarom niet opportuun achtte dit bij klager te verifiëren. Hij erkent dat hij het woord "sluw" beter achterwege had kunnen laten, doch hij betwist dat "lobbying" een denigrerende klank zou hebben. Verder aanvaardt betrokkene klagers verklaring dat hij tijdens zijn reis met slechts een persoon over het voorzitterschap van de EBU zou hebben gesproken niet; hij houdt zijn uitlating staande,-wederom op grond van inlichtingen van zegslieden, waarvan hij de namen niet kan noemen,dat klager's verrassing geveinsd was.

4) Verderop in zijn artikel schrijft betrokkene: "De tweede stap van de sluwe commissaris was de recente instelling van een commissie, die de positie van het Journaal moet gaan onderzoeken, ... Uiteraard benoemde Rengelink de commissie niet in zijn eentje, maar door de paritaire samenstelling van de Raad van Beheer en zijn overwicht erin ("Als een omroepbons zijn mond opent, heeft hij meer invloed dan de speeches van twintig anderen"), was hij wel in staat op de samenstelling van de commissie zijn stempel te drukken. Gevolg: de commissie telt nauwelijks één journalist - noch een Enkelaar, noch een Lucker, noch een vertegenwoordiger van de journaal-staf - slechts commentator Schaafsma". Klager zegt dat de commissie noch door hem noch door de Raad van Beheer is ingesteld, maar door het bestuur van de NOS, en dat de samenstelling afwijkt van het door hem ingediende
voorstel dat ook deskundigen van buiten het bestuur bevatte. Het Bestuur besloot echter de leden uitsluitend uit eigen kring te benoemen.
In de enige vergadering van de commissie die voorafging aan de publicatie van betrokkene's stuk, is slechts een plan de campagne besproken; het is niet duidelijk hoe hieruit klager's"overwicht" kan blijken.
Betrokkene erkent dat hetgeen hij over de instelling en samenstelling van de commissie geschreven heeft onjuist is; overigens acht hij de geciteerde passage niet denigrerend voor klager.

5) Tenslotte heeft klager bezwaar tegen de zinsnede "Komt de nieuwbenoemde commissie, niet misleid door de sluwe commissaris, tot een dergelijke conclusie, etc.", waarin "sluw" ditmaal wordt gecombineerd met "misleid". Betrokkene erkent dat hij hier beter had kunnen spreken van "beïnvloed", hoewel hij het uitoefenen van pressie een vorm van misleiding vindt.

Desgevraagd zegt betrokkene, wel overwogen te hebben bij klager zelf te informeren; hij had zich echter afgevraagd of het wel functioneel was; het enige dat hij kon verwachten was een categorische ontkenning. Wat punt 3) betreft kwam daar nog bij dat hij - niet wetende dat De Telegraaf reeds een bericht over de "lobbying" van klager had gepubliceerd - meende dat zijn verhaal op dit punt een nieuwsaspect had dat door klager teniet zou kunnen worden gedaan als hij het bij deze zou verifiëren. Betrokkene heeft bedoeld een aanval te richten tegen de zwakheden van de omroepwet, tegen het omroepbestel, tegen de functie van programma-commissaris en tegen de wijze waarop deze genoopt is zijn taak uit te voeren in dit bestel. Klager blijft het stuk zien als een felle persoonlijke aanval, die weinig te maken heeft met het systeem en zijn plaats daarin. Zijn persoonlijke integriteit wordt ernstig in twijfel getrokken zonder dat betrokkene een poging heeft gedaan om de feiten bij hem te verifiëren. Betrokkene's raadsman merkt op dat het hoofdthema van dit geschil is de vraag, waarom geen verificatie? Het gaat hier om een opinie-artikel van een columnist dat niet ter verificatie behoeft te worden voorgelegd aan het voorwerp. Er is voldoende geverifieerd indien de schrijver mocht afgaan op de juistheid van zijn bronnen. En dat is hier het geval daar betrokkene zijn informatie heeft gekregen van drie hoge omroepfunctionarissen die hij betrouwbaar acht, en uit velerlei publikaties dienaangaande. Betrokkene is een opinieschrijver, die schrijft tegen een persoon als exponent van een systeem. Zijn woordkeuze zal zo zijn dat zijn kritiek overkomt; hij erkent overigens dat die keuze hier en daar onjuist is geweest. Verder blijft het geschrevene ver binnen de hedendaagse normen waarbinnen geëxponeerde instellingen of functionarissen plegen te worden bekritiseerd. Voorts is Elseviers Magazine niet een blad dat reputaties pleegt aan te tasten terwille van de aantasting zelf.

OVERWEGINGEN

De als punt 1) geciteerde zin suggereert dat klager van oordeel was dat S. bepaald ongeschikt was. Klager ontkent dit. Betrokkene is er niet in geslaagd de Raad van het tegendeel te overtuigen; trouwens in zijn verweerschrift stelt hij zelf dat S. "minder geëigend was voor de functie", hetgeen voorzichtiger is dan "bepaald ongeschikt". Onder die omstandigheden dient een journalist zich te hoeden voor zulk een suggestieve uitlating over een ander.
De onder 2) geciteerde passage bevat de suggestie dat klager zich bevond in een toestand van horigheid ten opzichte van de VARA. Klager ontkent de juistheid van de door Brico geschetste gang van zaken. Hij verwijst naar de persconferentie die hij hierover heeft gehouden. Betrokkene blijkt daarvan geen kennis te hebben genomen; hij is derhalve wat onzorgvuldig geweest met zijn informatiemateriaal, en dat is te betreuren.
De in passage 3) voorkomende betichting van veinzerij is afhankelijk van het feit of inderdaad lobbying door klager heeft plaatsgevonden. Ook dit wordt door klager ontkend en alweer is betrokkene er niet in geslaagd zijn bewering te steunen door enige al was het maar gedeeltelijke weerlegging van klager's uiteenzettingen over het doel van diens reizen en contacten. De Raad houdt het er dus voor dat betrokkene geloof heeft geschonken aan geruchten. Betrokkene heeft gemeend dat het hier om een primeur ging; juist daarom heeft hij contact met klager hierover vermeden omdat hij vreesde dat anders de nieuwswaarde verloren zou gaan. Maar juist dat veronderstelde nieuwsaspect bracht mee dat van hem een grotere zorgvuldigheid wat betreft de verificatie van de juistheid mocht worden verwacht dan hij blijkbaar in acht heeft genomen.
Ten aanzien van de als punt 4) genoemde passage heeft betrokkene ter zitting niet tegengesproken dat de genoemde commissie niet volgens de wens van klager is samengesteld en met name niet weerlegd dat klager de journalist Lucker als lid had voorgesteld. De Raad is echter van mening dat klager zich door deze uitlating niet gegriefd behoeft te voelen.
Het verheugt de Raad dat betrokkene de onder 5) gebruikte woordkeus deels heeft teruggenomen. Juist deze woordkeus immers roept twijfel op omtrent betrokkene's stelling dat zijn aanval niet tegen de persoon van klager en diens integriteit gericht is. Bij dit alles neemt de Raad in aanmerking dat de afzonderlijke uitlatingen van betrokkene waartegen klager bezwaar heeft gemaakt, in wezen niet los van elkaar gezien kunnen worden doch elkaar ondersteunen, ook gelet op de titel van het gehele stuk; "De journalatigheden van een commissaris". Deze constatering is van belang voor een oordeel over betrokkene's ter zitting geponeerde stelling dat hij niet de persoon van klager maar het omroepbestel en diens functie daarin heeft willen aanvallen. Ook al wil de Raad van de betrokkene wel aanvaarden dat het hem ging om het systeem, dan nog is in zijn stuk onvoldoende tot uiting gekomen waarom de reputatie van klager zozeer in het gedrang moest raken.

BESLISSING

Betrokkene's stuk is geen column doch een opiniërend artikel, dat wat punt 3) betreft naar betrokkene's bedoeling een stukje nieuws zou bevatten. Betrokkene moge beoogd hebben het systeem van het omroepbestel aan te tasten, hij is er niettemin niet in geslaagd de persoon en de integriteit van de klager buiten zijn schootsveld te laten. Dat bracht voor hem de verplichting mee, zijn uitgangsgegevens zorgvuldig te verifiëren. Betrokkene beroept zich daartoe op een aantal zegslieden die hij niet wenst te noemen. Dit laatste is zijn goed recht.

Maar uit het onderzoek is komen vast te staan dat hij, gelijk hierover betoogd, daarin en ook in zijn woordkeus hier en daar is tekort geschoten. De Raad betreurt dat, maar wil niet zover gaan te stellen dat daardoor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten is geschaad.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 26 mei 1971 door Prof. Mr. Ch.J. Enschedé, voorzitter, J.H. Boom, Dr. E.Diemer, Prof, Dr. G.C. van Niftrik en N.G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K.Helder als secretaris.

RvdJ 1971, 6.