1971/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Mr. Ed. Emmering tegen F.J. van Haaren

De Raad voor de Journalistiek heeft in raadkamer van 26 mei 1971 de volgende beslissing genomen op de ongedateerde, op 31 maart 1971 ingediende klacht van Mr. Ed. Emmering te Amsterdam tegen F.J. van Haaren, redacteur van "Rijdend Nederland" te 's-Gravenhage.

De voorzitter heeft de klacht doen toezenden aan de betrokkene; deze heeft daarop niet gereageerd. Daarop heeft de voorzitter het voorlopig onderzoek gesloten en de zaak naar de Raad verwezen.

De klacht luidt als volgt:

"Sinds het week-blad "Rijdend Nederland" vele jaren geleden voor het eerst werd uitgegeven (....) heb ik daarin artikelen geschreven, ook na uitgever- en redactiewisseling (...), Thans wordt dit blad sinds enige jaren uitgegeven door de N.V. "Interventura" en de redactie zetelt: Willem de Zwijgerlaan 66, Den Haag. Met de tegenwoordige redacteur F.J. van Haaren heb ik, vóór de nieuwe uitgave destijds de volgende afspraak gemaakt: Ik zou tweemaal per maand een artikel op gebied van verkeersrecht en verdere, voor automobilisten, interessante problemen inzenden en mij tevens belasten met de beantwoording van ingezonden vragen. Voor een artikel werd f l00,= per plaatsing overeengekomen en voor de behandeling van de vragenrubriek f 100,= per maand. Reeds bij het verschijnen van het eerste nummer van de nieuwe uitgave bleek mij, dat daarin een artikel van Mr. Th. v.d. Veen was opgenomen, die nadien ook zijn medewerking bleef verlenen. In de loop van de volgende maanden werd, in strijd met de afspraak, niet steeds tweemaal per maand mijn artikel geplaatst. Over 1969 was de totale honorering dientengevolge f 1725,= en over 1970 f 1400,=, terwijl uiteraard volgens de afspraak f 600,= per jaar had moeten worden betaald, als het blad de artikelen conform de afspraak had geplaatst. Voorts werd zonder enig vraagoverleg de vragen-rubriek honorering gebracht op f 25,= per vraag in plaat van f 100,= per maand. Dit geschiedde vermoedelijk, omdat soms in een maand weinig vragen binnen kwamen. Ik heb hiertegen schriftelijk bezwaar gemaakt, doch geen verdere stappen genomen. Andere toezeggingen, die lagen op het gebied van adviezen zijn nooit tot enige uitvoering gekomen. In augustus 1970 berichtte de redacteur mij, dat hij op toezending van mijn artikelen geen prijs stelde. De motivering was, omdat hij deze artikelen moest omwerken. Ik heb toen daartegen schriftelijk geprotesteerd met de opmerking, dat een opzegging van de overeenkomst op korte termijn, onredelijk en onbehoorlijk was, vooral omdat ik, hetgeen F.J. van Haaren wist, steeds enige artikelen tevoren in gereedheid bracht. Dit deed ik an wegens de actualiteit van een bepaald onderwerp of som met het oog op vakantie en mogelijke verhindering en omdat in principe ik erop zou kunnen rekenen, dat tweemaal per maand mijn artikel toch nog geplaatst zou kunnen worden. Tenslotte ging de genoemde redacteur ermede akkoord, dat hij weer van de meerdere artikelen, die nog "in portefeuille waren, alsnog zou plaatsen (brie£ d.d. 24 september 1970) . Op 24 december 1970 heb ik te kennen gegeven, dat ik wenste, dat de artikelen in kwestie geplaatst, dan wel, in elk geval, gehonoreerd werden en wel voor half maart 1971. Hierop is geen reactie gevolgd. Ik ben van mening, dat de gehele wijze van handelen van F.J. van Haaren in strijd is met een behoorlijke opvatting van zijn taak in functie als redacteur van "Rijdend Nederland"."

De Raad is van oordeel dat de klacht weliswaar betrekking heeft op een gedrag van iemand die van beroep journalist is, maar dat die gedraging niet is een journalistieke gedraging in de zin van artikel 1 leden 1 en 2 van zijn Reglement. Het gaat hier om een civielrechtelijk geschil over een overeenkomst waarbij; betrokkene niet als journalist, doch eerder als vertegenwoordiger van de uitgever of de financier van zijn blad betrokken is.

De klager heeft derhalve een kennelijk ongegronde klacht gedaan. De Raad wijst de klacht daarom zonder nader onderzoek af.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad in raadkamer van 26 mei 1971 door Prof. Mr. Ch.J.Enschedé, voorzitter, J.H. Boom, Dr. E.Diemer, Prof. Dr. G.C.van Niftrik en N.G.Schrama, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K.Helder als de secretaris.

RvdJ 1971, 5.