1971/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake J.P.D. de Vries tegen de Amersfoortsche Courant.

De heer J.P.D. de Vries te Ermelo, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 24 november 1970 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heren K.L. Koopmans en R. Leenknegt, resp. hoofdredacteur en redacteur van de Amersfoortsche Courant, hierna te noemen betrokkenen.

Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, hebben betrokkenen een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 23 maart 1971, waar zowel klager als beide betrokkenen verschenen zijn.

KLACHT

Klager is op 1 Oktober 1970 geïnterviewd voor de Haagse Courant. Hem bleek dat het interview later ook in andere provinciale bladen werd geplaatst. Daarna werd hij benaderd door de Amersfoortsche Courant; betrokkene Leenknegt deelde telefonisch mee het stuk te willen publiceren maar dan met een paar foto's die de "sfeer van Ermelo" weergaven. De afspraak werd gemaakt dat op 14 oktober 1970 een fotograaf bij klager zou komen; betrokkene Leenknegt "kwam wel even mee". Op de afgesproken dag werden door de fotograaf enige foto's van klager gemaakt, terwijl betrokkene Leenknegt met hem een praatje maakte zonder notities te maken of op enige andere wijze te kennen te geven dat hij van dit bezoek aan klager iets meer wilde publiceren dan een foto. Klager kreeg volledig de indruk dat hij tegen een belangstellend medeburger sprak, waarbij zijn stemming (zijn werk vlotte op dat moment slecht) niet geheel verborgen kon blijven. Dat het gesprek tot een stuk van Leenknegt had geleid, dat met het interview en de foto een gehele pagina van de weekeindbijlage van de Amersfoortsche Courant van 24 oktober 1970 vulde, werd klager pas gewaar toen zijn echtgenote kort nadien door verschillende Ermeloërs werd aangevallen met uitlatingen als: "zo, dus u bent niet zo erg op de Ermeloërs gesteld" e.d. Het stuk bevat de volgende passage:

"Aan het tuinhek - het werd toch nog een half uurtje praten, want Jelle de Vries heeft wat te zeggen, ook in het negatieve - lieten we het leven de revue passeren. Jelle de Vries kan er niet over juichen: We zijn hard bezig er een grote rommel van te maken. En denk nu niet, dat dat alleen maar in Tokio of New York of noem maar op het geval is, het zit ook dicht bij ons en om zo te zeggen hier in Ermelo. Het is een kwestie van mentaliteit. De mensen praten heel mooi, maar gedienstig jegens elkaar zijn is er niet bij. Ze rekenen alleen maar gauw uit, wat ze aan je kunnen verdienen, hoe ze er beter van kunnen worden. Je wordt vaak bij het leven genept met prijzen. Vooral als ze weten, dat je een paar centen hebt om te betalen. Dan zeggen ze tegen je: och, voor u komt er toch niet zo op
aan...Wij drinken niet, we houden wel van goed eten, maar onze ervaringen om daaraan te komen zonder niet "genomen" te worden zijn niet zo best. Daar kan mijn vrouw van meepraten. Het is echter een verschijnsel -over de hele lijn; de mensen hebben te weinig voor elkaar over. En daarom lijkt het allemaal meer en meer op misère. En zie naar dat je daar uitkomt."

Klager acht zich en zijn echtgenote door deze publikatie, waarbij geen enkele sprake is geweest van een interview, ernstig geschaad.

VERWEER

Betrokkene Koopmans stelt in zijn verweerschrift o.m. het volgende: "Via de G.P.D. ontvingen wij onlangs een interview met de heer Jelle de Vries, een landelijk bekend persoon, die in Ermelo ons verspreidingsgebied - woonachtig is. Wij meenden er goed aan te doen het artikel in onze weekeindbijlage op te nemen en het een plaatselijk tintje te geven. Om die reden maakte onze reportageredacteur, de heer R. Leenknegt, een afspraak met de heer De Vries. Hij zou vergezeld van een fotograaf naar Ermelo komen teneinde inderdaad "de sfeer van Ermelo" te vangen. De heer De Vries toonde zich tijdens het bezoek zeer welwillend, zodat er inderdaad enkele foto's konden worden gemaakt (behalve het slachtoffer in zijn tuintje ook nog het grotere portret). De heer Leenknegt vond in het gesprek met de heer De Vries aanleiding om elders op de pagina het G.P.D.-verhaal van enkele plaatselijke aspecten te voorzien. Tot zover de feiten. Het commentaar: het lijkt me nogal naïef van een man, die zoveel met publiciteit te maken heeft gehad om te veronderstellen dat een verslaggever alleen maar meekomt met een fotograaf om deze aan het werk te zien. De heer Leenknegt had de afspraak gemaakt als journalist en verscheen als zodanig ook ten tonele. Dat hij niet - als ware het een politieverhoor - zijn gesprekspartner van te voren heeft meegedeeld dat alles wat hij zou zeggen in de krant vermeld zou kunnen worden, lijkt wellicht niet erg beleefd, maar kan men toch moeilijk als een vorm van onzorgvuldige journalistiek karakteriseren." Hieraan voegt betrokkene Leenknegt o.m. toe: "De fotograaf en ik zijn bij de heer De Vries geweest voor enkele foto's als aanvulling op het Haagse artikel onder de titel "Met Jelle de Vries is het lachen geblazen". De heer De Vries woont namelijk in Ermelo, dat in ons verspreidingsgebied ligt. Ons bezoek zou kort zijn, omdat hij in tijdnood was. Het werd toch een dik half uur met interessante gedachtenwisseling. Zo interessant, dat ik besloot om bij de grote foto van de heer De Vries - waarvoor hij heel bereidwillig met zich liet omspringen voor het juiste effect - een stukje op tien punten te schrijven en zo een hele pagina te maken. Ik heb dat niet aan de heer De Vries meegedeeld, omdat ik de tekst helemaal in de sfeer van zijn figuur vond en er geen ogenblik aan dacht, dat hij schade zou lijden. De heer De Vries die zeer boos door de telefoon was, zag het anders. Hij verweet mij, dat ik hem sluw had benaderd voor zogenaamd alleen een foto met onderschrift en dat ik er, zonder toestemming, dit van had gemaakt. Het gesprek leverde dus geen enkele toenadering op. Achteraf - en dat heb ik de heer De Vries ook door de telefoon gezegd - wil ik niet ontkennen, dat het beter was geweest, als ik de heer De Vries gezegd had, dat ik een grotere aanvulling zou geven in tekst naar aanleiding van ons gesprek". En voorts: "Hij (klager) stelde voor een ingezonden stuk te brengen. Hoewel ik dat geen gelukkige oplossing vond voor de heer De Vries, zei ik, dat hij op de nodige plaatsruimte kon rekenen, aannemende dat hoofdredacteur Koopmans evenmin bezwaar zou hebben. Het werd een duidelijke afspraak. De volgende morgen heb ik een en ander gerapporteerd aan de heer Koopmans. Die had geen bezwaar tegen een ingezonden stuk van de heer De Vries."

ZITTING

Ter toelichting van zijn klacht zegt klager dat hij in het telefoongesprek, waarin betrokkene Leenknegt toestemming vroeg voor de komst van een fotograaf voor het maken van foto's bij het G.P.D.-interview, heeft gevraagd: " Wordt het interview zelf ook veranderd?", waarop betrokkene ontkennend had geantwoord en gezegd: "Ik kom wel even mee". Betrokkenen beamen dit. Klager ontkent niet, in grote lijnen gesproken te hebben in de zin als door het artikel weergegeven, maar wel dat hij de daar gebruikte bewoordingen zou hebben gebezigd, die n.l. grotendeels feitelijk onjuist zijn of niet passend in zijn wijze van denken en spreken.

Klager ontkent ook geenszins geweten te hebben dat betrokkene "iemand van de krant" was maar stelt dat deze niet als journalist bij hem is gekomen; hij acht zich onder onjuiste voorwendsels benaderd. Was klager om een nieuw interview gevraagd, dan had hij wegens tijdgebrek geweigerd. Nu zijn hen, in een kennelijk particulier gesprek in de tuin tijdens het poseren voor een fotograaf, uitspraken ontlokt die hij nooit gedaan zou hebben als hij op de hoogte was gesteld van het plan ze te publiceren. Deze uitspraken zijn niet genoteerd maar door betrokkene uit het geheugen sterk vertekend weergegeven, waardoor klagers persoon, zijn opvattingen, stijl van spreken, denkvermogen, kortom zijn goede naam in een ronduit kwalijk daglicht zijn gesteld. Het gepubliceerde stuk heeft zijn vrouw en hem schade berokkend in hun woonplaats door een aantal dorpsgenoten tegen hen in het harnas te jagen. Hij is niet ingegaan op het aanbod van betrokkenen omdat er zijns inziens achteraf niets meer te herstellen was met een ingezonden stuk. Betrokkenen zeggen dat Leenknegt inderdaad naar klager is meegegaan om de couleur lokale op te doen voor een "foto met onderschrift en dat hij pas op de terugrit het plan heeft opgevat het gesprek met klager te verwerken in een stukje. Hij heeft klager daarover niet meer benaderd omdat hij er geen kwaad in zag; als hij had vermoed dat klager er bezwaar tegen zou hebben, zou hij wel contact net hem hebben opgenomen. Betrokkene Leenknegt betwist de onjuistheid van enkele citaten en ontkent klager met onjuiste voorwendsels te hebben benaderd; hij kwam als journalist. Betrokkene Koopmans is van mening dat klager er in het stuk niet slecht afkomt; het is nooit de bedoeling geweest een onaangenaam stuk over hem te publiceren. Betrokkene betreurt het dat klager dit zo ervaart, hij is nog steeds bereid tot een gesprek over een regeling.

OVERWEGINGEN

De Raad kan in zoverre meegaan met de stellingen van betrokkenen, dat klager uit hoofde van zijn beroep en maatschappelijke positie in de wereld van radio en televisie geacht kan worden vertrouwd te zijn met publiciteit, ook toen hij benaderd werd namens de Amersfoortsche Courant. De Raad neemt echter de volgende omstandigheden daarbij in aanmerking:
1) klager werd benaderd naar aanleiding van oen reeds met het gehouden interview,
2) dit interview was klager bekend omdat het al in andere bladen was gepubliceerd,
3) op klagers vraag of daarin nog veranderingen zouden worden aangebracht werd ontkennend geantwoord. Zowel uit het verweerschrift als uit mededelingen ter zitting blijkt, dat de bedoelingen van het meegaan van betrokkene Leenknegt naar klager ruimer waren dan alleen het geven van aanwijzingen aan de fotograaf. Vast staat dat betrokkene Leenknegt dit op geen enkele wijze aan klager heeft te kennen gegeven, noch tijdens noch na het bezoek.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat, ook al betrof het hier een persoon van enige bekendheid, betrokkene Leenknegt de bedoeling van zijn komst als journalist had moeten duidelijk maken aan klager zodra hij besloten had, daarover meer te publiceren dan de door hem genoemde foto met onderschrift. Hoewel de Raad geen schade acht toegebracht aan de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, is hij toch van mening dat betrokkene Leenknegt onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht ten a.m zien van de persoonlijke levenssfeer van klager.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 maart 1971 door Prof.Mr. Ch,J. Enschedé, voorzitter; Mr. H. Dikkers, Prof.Dr. G.C. van Niftrik, N.G. Schrama en Mr. A. Stempels, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K. Helder als secretaris.

RvdJ 1971, 4.