1971/3 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake W.L.Oltmans tegen H. Algra.

De heer W.L. Oltmans te Amsterdam, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief die op 9 juni 1970 is binnengekomen, tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer H.Algra te Leeuwarden, hoofdredacteur van het Friesch Dagblad, hierna te noemen betrokkene.

Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene aanvankelijk uitstel verzocht om zijn verweerschrift te kunnen voorbereiden. Nadat dit verweerschrift was ingediend, heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 23 maart 1971, waar alleen klager is verschenen. Op de oproep voor de zitting heeft betrokkene bericht niet te kunnen verschijnen wegens familieomstandigheden en verzocht, de zaak buiten zijn tegenwoordigheid af te doen. De Raad heeft verstek tegen hem verleend.

KIACHT

Klager acht zich in zijn journalistieke eer aangetast door enige passages van het artikel 'Amerika en de Papoea's" gepubliceerd in het Friesch Dagblad van 28 mei 1970; waarin betrokkene zijn visie geeft op de gebeurtenissen rond de overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië, met name op de activiteiten van de z.g, groep-Rijkens, Het gaat om de volgende passage's: 'Daarbij heeft men, om het beleid van de Nederlandse Regering zoveel mogelijk dwars te zitten, zich niet zelden de hulp verzekerd van figuren, die bruikbaar, zouden zijn, als zij maar betaald werden. Bruikbaar; ook al zou hun politiek verleden of hun linkse opvattingen in andere gevallen een bezwaar zijn voor datzelfde bedrijfsleven, om hen in te schakelen.
Zo kwam het, dat een zekere heer Oltmans zijn activiteiten in Amerika ontplooide tegen het Nederlandse beleid, en daartoe door bepaalde concerns tijdelijk 'in dienst was genomen'. Dat in dienst nemen was natuurlijk niet vastgelegd in een normale arbeidsovereenkomst, maar men wist wel, wat men aan elkaar had." "Wij hebben dit allemaal nog eens in herinnering gebracht, omdat diezelfde heer Oltmans nu weer voor de t.v. is verschenen, om zijn visie, maar uiteraard aangepast, te geven en dat de N.O.S. hem daarvoor heeft betaald." Klager ontkent ten stelligste dat er ooit enig "dienstverband" heeft bestaan tussen hem en enige bij de groep betrokken concerns, of dat hem ooit geldelijke honoraria werden betaald voor door hem aan deze groep industriëlen bewezen diensten. Ook neemt hij uit de eerste passage de insinuatie van "linkse opvattingen" en "politiek verleden" bijzonder ernstig op. Voorts beschouwt hij door de tweede passage zijn relatie met de N.O.S. aangevallen zonder enige grondige reden of bewijs.

VERWEER

In zijn verweerschrift stelt betrokkene: "Ik heb enkele feiten geconstateerd, waarbij het er om gaat, dat hij (klager) nauwe relaties heeft onderhouden met de zgn. groep Rijkens die zich van zijn hulp had verzekerd, waarbij die hulp, die beroepshalve werd verleend, uiteraard niet zonder een zekere "schadeloosstelling" heeft plaats gehad. Veel later heeft dezelfde heer Oltmans voor de NOS ook tegen een behoorlijk honorarium, opnieuw journalistieke werkzaamheden verricht, in ruime zin genomen. In beide gevallen ging het tegen de politiek van de Nederlandse Regering, zoals die in het parlement werd verdedigd. Aanvankelijk bediende de groep Rijkens zich tegen vergoeding van de diensten van de heer Oltmans. Later zagen de heren in, dat zij daarmee op de verkeerde weg waren en besloten zij, van die diensten geen gebruik meer te maken en ook geen honorarium meer toe te kennen. De heer Oltmans ontkent dat allemaal en beweert bij hoog en bij laag, dat hij het allemaal gratis heeft gedaan. Nu is het u ongetwijfeld bekend, dat de heer Paul Rijkens met behulp van een journalist, die zijn vertrouwen genoot, zijn memoires heeft opgesteld, die na zijn dood zijn uitgegeven. Daarin komt de heer Oltmans voor. En dan blijkt, dat de heer Oltmans aanvankelijk zijn diensten als journalist bewees aan de groep Rijkens, maar toen die heren hem niet langer wilden hebben, en ook geen honorarium meer wilden uitkeren zich in een open brief in Vrij Nederland tot deze heren richtte en hen in een kwaad daglicht stelde. Die open brief baarde toen veel opzien. De heer Rijkens geeft, als hij aan deze periode van zijn activiteiten toe is, het woord aan Mr. Hiltermann, en citeert diens artikel in de Haagse Post. Het is natuurlijk uitgesloten, dat een zorgvuldig man als mr. Rijkens de verklaringen van de heer Hiltermann zou citeren, en daarin feitelijke onjuistheden zou laten staan, zonder ze desnoods in een noot, recht te zetten. Welnu, ik citeer:
"Onzinnig en schadelijk is de voorstelling van zaken die de promotor voor ogenblikkelijke overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië W.L. Oltmans , in een open brief in "Vrij Nederland" aan de groep Rijkens heeft gegeven. Hij stelt het voor, alsof de groep Rijkens slechts door vrees wordt weerhouden om in het openbaar te bekennen, dat zij de zekerheid heeft dat met president Soekarno een voortreffelijke oplossing kan worden gevonden en dat alleen Nederlands boosaardigheid en onwil die oplossing in de weg staat. De groep Rijkens heeft deze merkwaardige publikatie te danken aan haar eigen onervarenheid en onvoorzichtigheid om zich met deze promotor in te laten. Zij heeft zich ter eigen voorlichting wel eens van hem bediend en hem daarvoor (zij het ook geringe) honoraria en onkosten, vergoedingen uitbetaald. De boosaardige publikatie is wel in de eerste plaats gevolg van haar weigering om op dit pad verder te gaan.
Het is niet uitgesloten, dat de heer Oltmans een bevredigende afloop verder blijft doorkruisen en zal voortgaan met te trachten een rol te spelen waar hij het karakter en de eruditie voor mist. De heer Oltmans heeft zich opgeworpen als de vurige pleitbezorger van de Indonesische zaak en zich dusdoende van de toegang tot de hoge Indonesische autoriteiten verzekerd, zelfs van acces tot president Soekarno. Als bemiddelaar hee t hij geen enkele rol gespeeld. Wanneer hij het doet voorkomen alsof de gesprekken in Kopenhagen en Rome door hem zijn gearrangeerd, dan alleen om zich een status te geven, die hij in het geheel niet bezit. Het is jammer dat deze pathologisch eerzuchtige en oneven-
wichtige man in deze ernstige zaak krampachtig een rol wil blijven spelen. Aan zijn uit de lucht gegrepen veronderstellingen en onthullingen dient men niet veel waarde te hechten. "(Handel en wandel van Paul Rijkens blz. 173 e.v.) Het citaat is m.i. duidelijk en afdoende. Dat de heer Rijkens het zó in zijn memoires opneemt, is het bewijs, dat de daarin genoemde feiten door hem als juist zijn gezien. Het gehele artikel wijst er op, dat Mr. Hiltermann door de groep Rijkens is geïnformeerd voor hij dit artikel schreef. Hoe zou hij anders kunnen meedelen, dat de heer Oltmans honoraria en onkostenvergoedingen heeft genoten van de groep Rijkens, en dat de beruchte publikatie in Vrij Nederland kwam, toen de groep Rijkens niet verder wilde gebruik maken van betaalde diensten van de heer Oltmans? Er is nog een andere aanwijzing in het boek van de heer Rijkens, die niet over het hoofd mag worden gezien. HiJ constateert dat de open brief van de heer Oltmans aanvankelijk wel veel deining veroorzaakte, "maar verschillende bladen vonden de bron-Oltmans te troebel om er veel aandacht aan te besteden". Dit schrijft de heer Rijkens zelf, na het overzicht over de gang van zaken van Mr. Hiltermann, een relaas, dat vernietigend is voor de heer Oltmans, en waarvan ik maar een zwakke en gematigde aanduiding gaf, toen ik releveerde, dat hij contact met de groep Rijkens had gehad en daarvoor geld had ontvangen. Intussen heeft de heer Oltmans mij meegedeeld dat hij nooit, in welke vorm ook, enig geld van de groep Rijkens heeft ontvangen en dat zijn vriend Dr. E. van Konijnenburg van de KIM dat gaarne zal bevestigen. Ik moge u verzoeken, Dr.van Konijnenburg te vragen of hij als vriend van de heer 0ltmans inderdaad bereid is dit te verklaren, ook al behoorde hij oorspronkelijk niet tot de groep Rijkens."

VERKLARING

Naar aanleiding van verzoeken van zowel klager als betrokkene heeft de Raad Dr.E. van Konijnenburg te 's-Gravenhage verzocht zijn mening over het onderwerp van de klacht aan de Raad kenbaar te maken, in het bijzonder over het al of niet tijdelijk in dienst van bepaalde concern, genomen zijn van de heer Oltmans. Bij brief van 19 oktober 1970 berichtte de heer Van Konijnenburg:
"Naar aanleiding van de vraag van de Raad leg ik vast dat mij; niet bekend is, dat ruimte laat voor de veronderstelling, dat de heer Oltmans tijdelijk in dienst van een bepaald concern dan wel concerns zou zijn geweest of zoals wordt gesteld "tijdelijk was genomen"."

ZITTING

Klager deelt mee dat hij in 1956 als los medewerker van de Nieuwe Rotterdamse Courant naar Indonesië is gegaan; zijn reiskosten werden betaald door een groep personen, waarmee hij door een oom in contact was gekomen en die hem later de "groep-Rijkens" bleek te zijn. In de vijf jaren nadien heeft hij in overleg met deze groep tal van reizen gemaakt. Hij heeft hiervoor nooit enige andere vergoeding ontvangen dan de vliegbiljetten en een verblijfkostenvergoeding, die over de gehele periode van vijf jaar de $ 500 niet heeft overschreden. Hij bestrijdt dus beweringen dat hij ooit in dienst is geweest van concerns, of dat hij gefinancierd werd, honoraria of anderszins sommen gelds opstreek voor zijn activiteiten inzake Nieuw-Guinea. Klager slaat de betrouwbaarheid van de door een journalist bewerkte memoires van Dr. Rijkens niet hoog aan. Daar ze werden gepubliceerd na diens dood kon klager er zich niet tegen verweren. Hij vestigt er de aandacht op dat over zijn persoon niet de heer Rijkens zelf - die hij slechts tweemaal in zijn leven vluchtig ontmoet heeft - aan het woord is maar volstaan wordt met een citaat uit een weekbladartikel van Mr. Hilterman. Hij acht deze al even slecht geïnformeerd als betrokkene zelf.
Wat zijn relaties met de N.O.S. betreft zegt klager dat hij een dienstverband met deze stichting heeft, waaraan uiteraard een salariëring verbonden is, zoals meestal aan journalistieke arbeid.

OVERWEGINGEN

Tussen partijen staat naar het oordeel van de Raad vast, dat klager terzake van zijn reizen onkostenvergoedingen heeft ontvangen. De Raad hecht in dit verband geen grote betekenis aan het feit Mr. Hiltermann in het door betrokkene geciteerde artikel spreekt van "(zij het ook geringe) honoraria", omdat het hier, gelet op door klager genoemde bedrag van $ 500 over vijf jaar, meer gaat om een verschil van benaming dan over een verschil van feiten. Het kernstuk van de klacht acht de Raad gelegen in het insinuerende karakter van de betwiste passages, alsof de opinie van klager koopbaar zou zijn. Nu betrokkene geen andere steun heeft aangevoerd voor zijn beschuldiging dan het in de memoires van Dr. Rijkens geciteerde artikel van Mr. Hiltermann, is de Raad van mening dat betrokkene in gebreke is gebleven voldoende adstructie daarvoor te leveren. Dezelfde insinuerende tendentie, zij het in mindere mate, acht de Raad aanwezig in de alinea betreffende de N.O.S., waarin een verband wordt gesuggereerd tussen een "aangepaste visie" van klager en "betaling daarvoor" van de N.O.S.

BESLISSING

De Raad is van oordeel, dat betrokkene door het publiceren van onvoldoende bewezen beschuldigingen tegen een collega-journalist schade heeft toegebracht aan de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlands Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 maart 1971, door Prof.Mr.Ch.J.Enschedé, voorzitter, Mr.H.Dikkers, Prof.Dr.G.C.van Niftrik, N.G. Schrama en Mr. A. Stempels, leden, in tegenwoordigheid van Mr.K.Helder, als secretaris.

RvdJ 1971, 3.