1971/2 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake D. Waardenburg tegen de hoofdredacteur van Het Vrije Volk.

De heer D. Waardenburg te Amsterdam, optredend voor de v.o.f. V. Waardenburg en Zoon, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 30 september 1970 gewend tot de Raad voor de Journalistiek met een klacht tegen de hoofdredacteur van Het Vrije Volk, hierna te noemen betrokkene.

Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan de heer H.A. Wigbold een verweerschrift indiende, heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 16 maart 1971. Aldaar zijn verschenen de klager er als gemachtigde van betrokkene de heer H. de Jonge.

KLACHT

Klager heeft kort na de rellen van augustus 1970 op en rond de Dam te Amsterdam als makelaar in assurantiën een circulaire gezonden naar de redacties van een aantal dagbladen bestemd voor (foto-)journalisten e.d. met de volgende inhoud:

"Meneer, 26 augustus 1970

Aan uitsluitingen zoals burgerlijke onlusten - oproer - muiterij - samenscholingen - politieke conflicten - klop- of vechtpartijen - terreur- of sabotagedaden hebt u natuurlijk geen behoefte. Toch staan ze in vrijwel alle ongevallenpolissen. Als de fotojournalist, die op de Dam een kogel in zijn rug kreeg, ook zo'n polis heeft, zal hij er in dit geval niet mee gebaat zijn. U kunt via ons bij een eerste klas Nederlands verzekeringsconcern een ongevallenverzekering sluiten die bovengemelde soort uitsluitingen niet heeft (alleen oorlogsmolest is niet meegedekt). En dat tegen de normale premie".

In de editie van 29 augustus 1970 van Het Vrije Volk verscheen daarop in de rubriek "Journaal" onder de kop "oorlogsmolest" het volgende stuk:

"Als er in een woestijn lijken vallen zijn de gieren erbij voordat je het weet. Denkt u nu niet dat Nederland geen lijkenpikkers kent. Dat bewijst de brief die Van Waardenburg & Zoon, makelaars in assurantiën, onroerende goederen en hypotheken aan de redactie van HVV stuurde.

"Meneer," zegt Van Waardenburg & Zoon, "aan uitsluitingen zoals burgerlijke onlusten, oproer, muiterij, samenscholingen, politieke conflicten, klop- of vechtpartijen, terreur- of sabotagedaden hebt u natuurlijk geen behoefte. Toch staan ze in vrijwel alle ongevallenpolissen. Als de fotojournalist, die op de Dam een kogel in zijn rug kreeg, ook zo'n polis heeft, zal hij er in dit geval niet mee gebaat zijn." Daarna moedigt Van Waardenburg & Zoon aan om een "eerste klas" polis bij hem af te sluiten, die alleen "oorlogsmolest" niet meedekt. Dat sommige verkoopmethoden hard kunnen zijn, wisten we. Maar dat de rellen in Amsterdam en het nare ongeval met fotojournalist Daniel Koning van het dagblad De Tijd, die door een kogel van de politie op de Dag werd getroffen, assurantiemakelaars de verkoopargumenten levert voor de verkoop van polissen, is een treffend voorbeeld van het gezegde "De een z'n dood is de ander z'n brood". Wellicht is deze mentaliteit van zakendoen normaal in de verzekeringswereld?"

Klager voelt zich in eer en goede naam aangetast door de vergelijking met "gieren" en "lijkenpikkers", waarbij hij opmerkt dat de betrokken gewonde journalist tijdens het uitgaan van de circulaire het volgens kranteberichten goed maakte.

VERWEER

In zijn verweerschrift stelt betrokkene: "De circulaire die de heren Waardenburg en Zoon op 26 augustus verzonden aan onze en andere redacties, moet, journalistiek gezien, onder de curiosa worden gerangschikt. Zij is daarom behandeld in onze rubriek Journaal. Dit Journaal zoekt aansluiting aan actuele zaken die, wat harde nieuwswaarde betreft, de krant niet zouden halen, maar in maatschappelijk opzicht toch interessante aspecten vertonen. In het Journaal, een rubriek die van de aanvang af als een geëngageerd hoekje in onze krant kan worden beschouwd, wordt of op ironische wijze of net behulp van duidelijke metaforen onmaatschappelijk handelen gesignaleerd. De Journaal-redactie heeft de circulaire van de heren Waardenburg ervaren als getuigende van een verwerpelijke mentaliteit, met name de passage: ..."als de fotojournalist, die op de Dam een kogel in zijn rug kreeg, óók zo'n polis heeft, zal hij er in dit geval niet mee gebaat zijn." Naar de mening van de Journaal-redactie wordt hier op evidente wijze een hoogst ernstige en tragische zaak misbruikt om, zij het indirect, commercieel voordeel te bereiken. De circulaire, gedateerd 26 aug. 1970, ontvingen wij toen de grote Dam-rel van 24 augustus nog vers in het geheugen lag. De gewelddadige gebeurtenissen waren nog onderwerp van emotioneel geladen gesprekken. Naar de mening van de Journaal-redactie kon er een algemeen belang worden gediend met het duidelijk aan de kaak stellen van de uit de circulaire boven komende mentaliteit. De Journaal-redacteur, die het betrokken item, Oorlogsmolest, schreef, meende een sterke overdrachtelijke benadering te moeten zoeken om de mentaliteit te schetsen en ze kwam daarbij tot de korte parabel over de gieren in de woestijn, waarbij om niet in herhaling te vallen eenmaal het woord lijkenpikkers werd gebruikt." Door de toenmalige hoofdredacteur was de verantwoordelijkheid voor de Journaal-rubriek gedelegeerd aan de desk-chef H. de Jonge, die de geincrimineerde woorden in het hen voorgelegde manuscript heeft gehandhaafd, daarmee een maatschappelijk belang menende te dienen.

ZITTING

Klager licht zijn klacht als volgt toe hij acht het tot zijn functie als assurantie-makelaar te behoren, het publiek te wijzen op een maatschappelijke wantoestand bestaande in onvolwaardige polissen, het is normaal dat men een actuele gebeurtenis aangrijpt om hiervoor belangstelling te wekken; wanneer het gaat om een ongevallenverzekering, impliceert dit dat de gebeurtenis niet van vrolijke aard kan zijn. De praktijk leert dat velen slechts door schokeffecten kunnen worden gebracht tot het treffen van voorzieningen zoals verzekeringen. Klager acht het niet laakbaar te hopen, dat men dat dan via hem doet. Hij meent dat betrokkene zich tracht te rechtvaardigen op grond van emoties. Desgevraagd zegt klager dat hij misschien ook geklaagd zou hebben als er in het artikel in plaats van zijn naam had gestaan "een makelaar",daar hij dit zou zien als een aanval op de stand der makelaars. Hij richt zich wel vaker net circulaires tot bepaalde groepen, maar heeft daarbij nog nooit een actuele gebeurtenis als aanleiding gebruikt. Hij had deze heftige reactie niet verwacht; bij een volgende gelegenheid zal hij wellicht iets langer wachten met zijn circulaire. Betrokkene zegt ter toelichting van zijn verweer, dat z.i. het onmaatschappelijk handelen van klager bestaat in de keuze van de actuele aanleiding, gebruikt om op een maatschappelijke wantoestand te wijzen. Klager heeft daarmee een duidelijk risico genomen; hij had kunnen weten dat de circuLaire naar inhoud en door tijdstip van verzending bij collega's van de neergeschoten fotojournalist zeer slecht moest vallen. Betrokkene zoekt geen rechtvaardiging voor de betwiste publikatie op grond van emoties maar op ethisch-maatschappelijke gronden. Wel bepalen zekere emoties de kracht van expressie. Desgevraagd zegt betrokkene dat het noemen van klager's naam in het stuk vermijdbaar was geweest. De publikatie moet echter gezien worden in de tijd waarin zij verscheen.

OVERWEGINGEN

Klager moge het als zijn maatschappelijke taak als assurantie-makelaar zien, mensen goed te verzekeren en op het juiste ogenblik attent te maken op de gevaren van een onvoldoende verzekering, maar dat neemt niet weg dat de onderhavige circulaire, mede gezien het vroege tijdstip van verzending in een nog alom heersende emotionele sfeer, weinig kies aandoet. Het is wel begrijpelijk dat de Journaal-redactie van betrokkene hierop gereageerd heeft, temeer omdat het voor journalisten moeilijker was dan anders om zich te onttrekken aan identificatie met het slachtoffer, een collega-journalist. De Raad is echter van oordeel dat deze reactie te fel is geweest; het gebruik van de woorden "gieren" en met name "lijkenpikkers" gaat bepaald te ver, vooral nu de naam van klager zonder noodzaak in het stuk is genoemd.

BESLISSING

Hoewel de Raad niet tot de slotsom heeft kunnen komen dat betrokkene schade heeft toegebracht aan de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, acht de Raad betrokkenes gedraging niettemin te betreuren. Wanneer bij een publikatie omstandigheden van een collega in het geding zijn, moet de journalist in verhoogde mate bedacht zijn op de gevaren van een emotioneel betrokken-raken bij zijn onderwerp.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 16 maart 1971, door Prof. Mr. Ch.J. Enschedé, voorzitter; Prof. Dr. G.C. van Niftrik, Drs. J.M.M. van der Pluym, N.G. Schrama en Drs. L.F. Tymstra, leden; in tegenwoordigheid van Mr. K. Helder als secretaris.

RvdJ 1971, 2.