1971/13 gegrond

Leeuwarder Courant contra Beroepsvervoer

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Evenhuis tegen Nieman

De heer E. Evenhuis te Leeuwarden, lid van de hoofdredactie van de Leeuwarder Courant, hierna te noemen klager heeft zich bij brief van 13 september 1971 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer R. Nieman te Rijswijk, redacteur van het blad Beroepsvervoer, hierna te noemen betrokkene.

Tijdens het voorlopige onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 23 december 1971, waar betrokkene is verschenen. Klager heeft bericht, verhinderd te zijn doch tegen behandeling van de klacht buiten zijn aanwezigheid geen bezwaar te hebben.

KLACHT

In de Leeuwarder Courant verscheen op 11 augustus 1971 een hoofdartikel van de hand van klager getiteld "Droevig staaltje" dat begint met de volgende twee alinea's:

"De ministers Drees en Stuyt hebben geantwoord op vragen van het tweede Kamerlid mevrouw Veder-Smit over de bestrijding van de geluidshinder door het verkeer Het was geen gelukkig antwoord.
De beide ministers moesten namelijk meedelen dat de maxima voor de geluidsproductie van motorvoertuigen op minder dan vier wielen en voor personenauto's gelijk Zijn gebleven maar dat zware autobussen en zware vrachtauto's voortaan vier decibels meer dan vroeger mogen produceren. De ministers zeggen dat een eenzijdige Nederlandse verlaging van de normen niet mogelijk is maar dat in EEG-verband een verlaging mag worden verwacht 'zodra de mogelijkheid hiertoe bestaat'. Voor bedrijfsauto's met dieselmotoren van meer dan 200 pk zal volgens hen nog een aanzienlijke technische ontwikkeling nodig zijn om een lagere geluidsproduktie mogelijk te maken.
Om met die laatste opmerking te beginnen: men kan ook stellen dat voertuigen en vliegtuigen die teveel lawaai veroorzaken niet tot het lucht- en wegverkeer moeten worden toegelaten. Wanneer de EEG niet tot de minste weerstand zou hebben besloten,
wanneer de norm naar beneden in plaats van naar boven was gedrukt dan zou de industrie zich hier haastig bij hebben aangepast. In de vliegtuigindustrie begint men dit te begrijpen: de nieuwste passagierstoestellen scheiden minder geluid af dan hun voorgangers en de gestaakte ontwikkeling van het Amerikaanse supersonische passagiersvliegtuig is een teken in de lucht. De aller zwaarste, de wegen verwoestende vrachtauto's doen de vraag opkomen of dergelijke transporten niet beter afgeleid kunnen worden naar spoorwegen en scheepvaart. In de Bondsrepubliek is men daar mee bezig; in Stockholm dankt men al te luidruchtige stadsbussen af; in ons land gebeurt op dit gebied
minder dan niets."

Hierop reageerde betrokkene in de editie van 25 augustus 1971 van het door hem geredigeerde veertiendaagse orgaan Beroepsvervoer van de Nationale Organisatie voor het Beroepsgoederenvervoer Wegtransport.
Hij schreef:

"Het is voor een politieke partij uit propagandistische overwegingen altijd gemakkelijk wanneer de kopstukken van zo'n partij een commissariaat vervullen bij een krant.
Zo'n commissaris kan dan zoals dat in de jaren 1940-1945 op zo treffende wijze werd gedemonstreerd in het inmiddels prijsgegeven bastion aan het Amsterdamse Hekelveld waar het (Vrije) Volk werd geproduceerd de hand vasthouden van de schrijvende goegemeente. En wel op die wijze dat ten koste van de onafhankelijkheid van de krant de mening wordt gedicteerd die de bonzen van de betreffende politieke partij voorschrijven.
Op dat gebied heeft de in de Friese hoofdstad verschijnende samensmelting van Friese Koerier en Leeuwarder Courant op 11 augustus jl. een treffend maar toch ook droevig staaltje gepresenteerd In een hoofdredactionele voorpaginakolom werden de ministers Drees en Stuyt aangevallen om hun antwoord aan het liberaal kamerlid mevrouw Veder-Smit inzake de geluidsproduktie van het wegverkeer.
Voorop staat uiteraard dat de gehele familie Drees en in het bijzonder de nu als minister van Verkeer en Waterstaaf optredende dr W. Drees jr geen goed meer kan doen in de ogen van hun voormalige partijgenoten. In dit opzicht weet de minister wat hem de komende vier jaar te wachten staat van het zich 'Hoofdblad van Friesland' noemend dagblad dat zich beter als dienblad kan betitelen. Dienblad van een bepaalde partij wel te verstaan. Zo'n dienblad mag zich permitteren bepaalde bokken te schieten, zoals de klakkeloos neergeschreven vergelijking tussen het luchtverkeer en het wegverkeer. Als evenwel de heer V..., pardon E... opschrijft dat 'de aller zwaarste de wegen verwoestende vrachtauto's de vraag doen opkomen of dergelijke transporten niet beter geleid kunnen worden naar spoorwegen en scheepvaart' dan mag worden aangenomen dat deze krant sinds het in de kop vermelde oprichtingsjaar 1752 weinig meer geleerd heeft. Dergelijk soort slagen in de lucht met als enig argument 'in de Bondsrepubliek is men daarmee bezig' zou men beter kunnen bejegenen als een mestkar: ervoor uit de weg gaan.
Het enige griezelige is - nog afgezien van de ruim 2 miljard DM verlies van de Duitse spoorwegen in 1970 - dat dit blad de mening verkondigt van de zich als 'grootste partij' verkopende politieke organisatie. Inderdaad een droevig staaltje temeer als men bedenkt dat het blad zich enige maanden geleden nogal onhandig afzette tegen de opmars van de uitgaven van de Nederlandse Dagblad Unie in de noordelijke provincies 'Die provincies zouden daaraan geen behoefte hebben terwijl er ook geen plaats voor zou zijn' liet het Leeuwarder Dagblad Zijn lezers weten.
Naast een dagblad dat dergelijke meningen moet neerschrijven bestaat wel degelijk behoefte aan uitgaven die in staat zijn een meer afgewogen en in ieder geval onafhankelijk commentaar aan hen lezers voor te leggen."

Klager heeft betrokkene op 28 augustus als volgt geschreven:

"Geachte collega uw reactie op een hoofdartikel van mijn hand in de Leeuwarder Courant in het nummer van Beroepsvervoer van 25 dezer heeft mij nogal gefrappeerd. En wel omdat U daarin met een volkomen onbewezen bewering de journalistieke integriteit van een collega aantast. Dat U het met deze en andere meningen van mij niet eens bent is Uw goed recht en dat U daar scherp op wilt reageren eveneens. Ik zou een slecht journalist zijn wanneer ik het debat zou afkeuren of uit de weg zou gaan. Maar wat U doet is onbehoorlijk.
U zult het niet weten maar de Leeuwarder Courant is een van de weinige bladen in ons land waar van de onafhankelijkheid van de redactie statutair is verzekerd.
De NV, die de Leeuwarder Courant uitgeeft, kent twee groepen aandeelhouders die elk vijftig procent van de aandelen bezitten. Van de ene groep de Stichting je Maintiendrai Friesland is inderdaad dr A. Vondeling voorzitter, terwijl hij ook presidentcommisaris van de NV Friese Pers is. Maar noch de heer Vondeling noch een van de andere commissarissen heeft zich ooit met het redactionele beleid bemoeid, zoals statutair ook niet mogelijk zou zijn. Het feit dat U zonder meer aanneemt dat dr. Vondeling mijn hand heeft vastgehouden, dat hij als bons van een politieke partij mijn mening dicteert, dat ons blad een dienblad van een bepaalde partij zou zijn dat de hoofdredacteuren geen onafhankelijk commentaar aan lezers zouden vooleggen is naar mijn smaak een staaltje van onbehoorlijke journalistiek, waardoor U zoals de term luidt toch wel de grens van geoorloofd journalistiek handelen verre hebt overschreden. Dat treft mij temeer omdat dit komt uit de koker van een blad dat door mij en door verscheidene redacteuren op ons blad altijd met interesse wordt gelezen. Wat U verder doet moet U zelf weten. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat U de mentaliteit hebt amende honorable te doen of zelfs maar om deze brief in Uw blad af te drukken. En tenslotte moge ik U verzekeren dat het mij volslagen onbekend is hoe de heer Vondeling denkt over de vraagstukken die in dat hoofdartikel van mij aan de orde werden gesteld."

Betrokkene antwoordde op 2 september als volgt:

"Zeer geachte collega, Voor uw schrijven van 28 augustus jl. betuig ik U mijn dank. Inderdaad is mij de constructie van de combinatie waar van Uw blad deel uitmaakt onbekend. Het is trouwens heden ten dage niet eenvoudig om de constructies van alle perscombinaties te doorgronden en evenmin om te weten hoe alles statutair is geregeld. Het is misschien het beste dat t. z. t. een 'constructie gids Nederlandse Dagbladpers' wordt uitgegeven. Dat zou dan snel moeten gebeuren want als nog enige tijd wordt getalmd zal kunnen worden volstaan met enkele regels op één velletje.
Dit alles neemt niet weg dat een mening als door U verkondigd in de Leeuwarder Courant van 11 augustus jl. de weerspiegeling is van hetgeen de partij waarvan dr A. Vondeling deel uitmaakt voorstaat Als nu zoals U in Uw brief betoogt de heer Vondeling in geen enkel opzicht zijn invloed kan doen gelden op het redactionele beleid en op de inhoud van Uw krant dan vraag ik me - en velen met mij - in gemoede af: bent u dan blind voor de ontwikkeling van het vrachtvervoer hebt U geen kennis van hetgeen uitgelekt is van de aanbeveling van het Mc Kinsey-rapport? Ik mag toch aannemen dat U niet blind bent voor de ontwikkeling van de binnenscheepvaart juist in Uw provincie. De economie van Nederland valt dood wanneer het wegtransport zou moeten wijken voor rail- en watervervoer Wie heeft trouwens met cijfers aangetoond dat het zware wegvervoer de wegen verwoest? Ik meen te mogen stellen dat de hoofdredactie van het hoofdblad van Friesland wel zoveel inzicht heeft in onze nationale economie en derhalve ook in de vitale schakel die wegvervoer heet, dat de mening 11 augustus gepresenteerd op Uw voorpagina de mening is van iemand die achter zijn partijprincipes aanholt maar niet de Uwe.
Nu U schrijft dat dit wel zo is valt me dit tegen.
Dit neemt niet weg dat Uw krant de schijn tegen zich heeft met het kamerlid Vondeling als partieel commissaris. Is er niet een ander comrnissariaat voor hem te vinden bijvoorbeeld in de Groningse kledingindustrie?
Dat zou Uw dagblad met de statutair politieke onafhankelijkheid van een ernstige verdenking ontslaan.
Net als destijds premier Jan de Quay ijlings zijn Haarlemse (pers) commissariaat prijs gaf toen Televizier nog een uitgave was van de Leidse Rotogravure Maatschappij.
Ik hoop dat ik U enig inzicht heb gegeven in het hoe en waarom van mijn commentaar van 25 augustus jl. en dat U zult begrijpen dat van een amende honorable geen sprake zal zijn."

Omdat betrokkene in Beroepsvervoer niet meer op de zaak terugkwam, heeft klager zich tot de Raad gewend: hij ziet zich aangetast in zijn journalistieke integriteit, terwijl hij ook de zakelijke belangen van de Leeuwarder Courant aangetast acht.

VERWEER

Betrokkene vraagt zich af waartegen - afgezien van de weinig parlementaire wijze waarop klager reeds in eerste instantie op het artikel in Beroepsvervoer reageerde - hij zich moet verweren. Klagers stuk dat aanleiding vormde tot dit artikel, bevat aantijgingen tegen een bepaalde groep werkgevers, die onmogelijk gebaseerd kunnen zijn op studie of op vaststaande en bekende feiten. Betrokkene vervolgt zijn verweerschrift aldus:

"Want op het gebied van de kosten van de weg is zowel nationaal als internationaal het onderzoek nog ver van een conclusie verwijderd. Dat nochtans de heer Evenhuis op dergelijke wijze voor uit loopt op de uitslag van een studie die wel eens heel anders kan uitvallen dan hij poogt te suggereren is voor onze kring onaanvaardbaar. Ik loop dan niet - uit naam van onze organisatie - naar de Raad van de journalistiek om te beklagen Neen, ik neem de journalistieke vrijheid om te constateren dat een blad waarvan één der hoofdredacteuren zich weliswaar heeft terug getrokken uit alle bestuursfuncties van de PvdA, maar nochtans lid is van die partij en waarvan een commissaris een vooraanstaand parlementslid is van diezelfde partij bij herhaling een mening verkondigt die strookt met het programma van dit partij. Waar het andere zaken dan het beroepsgoederenvervoer over de weg betreffen, vallen zij buiten mijn competentie. Wordt evenwel het beroepsgoederenvervoer op ongefundeerde wijze aangevallen dan neem ik de vrijheid tot verweer."

VERDER ONDERZOEK

Over betrokkenes verweer schrijft klager nog het volgende aan de Raad:

"Naar mijn gevoel staat dit hoofdartikel los van de aantijgingen waar de heer Nieman zich aan bezondigde. Ik zou iedere scherpe reactie op dit hoofdartikel hebben aanvaard en misschien zelfs hebben doen opnemen in onze rubriek 'Uit andere bladen' in ons blad. Het debat over dit onderwerp zou ik zeker niet uit de weg willen gaan.
Zoals ik Uw Raad uiteen heb gezet en daarvoor de heer Nieman, is bij de NV Friese Pers statutair bepaald: 'De leiding van de redactie is verantwoordelijk voor de inhoud van het blad' De hoofdredacteuren, op het ogenblik drie, schrijven voor eigen verantwoordelijkheid en om dat persoonlijke karakter van hun hoofdartikelen te beklemtonen signeren zij hun stukken, wat iedere lezer kan zien. De heer Nieman noch een andere lezer van de Leeuwarder Courant heeft reden om te vermoeden dat ik bij mijn standpuntbepalingen zou laten leiden door hetgeen mijn collega Laurens ten Cate - want op hem doelt de heer Nieman - bezielt.
En president-commissaris dr A. Vondeling bemoeit zich zoals gezegd, in het geheel niet met de redactionele inhoud van de krant. Met de suggestie van de heer Nieman als zou ik mij laten lenen als spreekbuis van de heer Vondeling en bepaalde meningen zou moeten neerschrijven, zoals de heer Nieman zich letterlijk uitdrukte, voel ik mij aangetast in mijn journalistieke integriteit. Dit nog afgescheiden van het feit dat er bij ons formele waarborgen bestaan tegen eventuele pogingen in die richting."

ZITTING

Betrokkene deelt ter zitting mee, dat hij bij de Nationale Organisatie voor het Beroepsvervoer Wegtransport belast is zowel met het verzorgen van de public relations als met de redactie van het vakblad Beroepsvervoer, dat de belangen van deze organisatie vertegenwoordigt. Het artikel van klager is hem door een lid in Friesland toegezonden, dat tevergeefs de Leeuwarder Courant had benaderd voor het plaatsen van 'een opbouwend artikel over het wegvervoer'. Hij heeft niet overwogen te reageren door het aanbieden van een ingezonden stuk ter plaatsing in de Leeuwarder Courant, tegen welk blad bij zijn organisatie een groot wantrouwen bestaat.
Desgevraagd zegt betrokkene dat ter redactie van Beroepsvervoer nog wel overwogen is om klagers brief daarin te publiceren doch dat de teneur van de laatste alinea van deze brief daarvan heeft doen afzien. Hij stelt zich op het standpunt dat klager eerst zijn uitlating over 'de wegen verwoestende vrachtauto's' e.d. en de laatste alinea van zijn brief betreffende betrokkenes mentaliteit zal moeten terugnemen; pas daarna zou gesproken kunnen worden over het terugnemen door betrokkene van hetgeen hij heeft geschreven over klager met welke uitlatingen hij naar zijn mening niets heeft miszegd.

OVERWEGINGEN

Op een zakelijk betoog van klager over geluidshinder heeft betrokkene gereageerd door in het door hemzelf geredigeerde vakblad een artikel te publiceren, dat begint en eindigt met de suggestie dat de als 'dienblad van een bepaalde politieke partij' aangeduide Leeuwarder Courant journalistiek niet onafhankelijk zou zijn. Betrokkene insinueert met de zin: 'Als wel de heer V..., pardon E..., opschrijft enz.' dat voor klager geldt wat in de eerste alinea van betrokkenes stuk wordt beschreven: 'dat, ten koste van de onafhankelijkheid van de krant, de mening wordt gedicteerd die de bonzen van de betreffende politieke partij voorschrijven', welke insinuatie nog wordt versterkt door de verwijzing naar Het Volk in de jaren 1940-1945. Uit het vrijwel ontbreken van zakelijke argumenten in het stuk blijkt dat het hier meer ging om een bestrijding van de schrijver dan van zijn standpunt.
Dit werd bevestigd door de verklaringen van betrokkene ter zitting, waaruit blijkt dat hij het niet ongeoorloofd acht de mening van een journalist te bestrijden met argumenten waardoor deze zich terecht aangetast kan achten in zijn journalistieke integriteit.

BESLISSING

Hoewel de lezerskring van Beroepsvervoer beperkt is, is de ernst van betrokkenes gedragingen toch van dien aard dat hij door zijn publikatie schade heeft toegebracht aan de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 23 december 1971 door prof mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mevr. mr J. Brans-Woltering, dr E. Diemer, mr H. Dikkers en mr A. Stempels, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1971, 13.