1971/12 gegrond

W. Kan contra het Brabants Dagblad

Beslissing van de Raad voor de journalistiek inzake Kan tegen het Brabants Nieuwsblad

De heer W. Kan te Aalsmeer, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 11 juni 1971 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de hoofdredacteur van het Brabants Nieuwsblad, hierna te noemen betrokkene.

Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 23 december 1971, waar verschenen zijn de heer W. van Liempt te 's-Gravenhage als gemachtigde van klager, bijgestaan door mr A. R. M. van der Pluijm, advocaat te Wassenaar en de heer C. Meerbach, hoofdredacteur van het Brabants Nieuwsblad te Roosendaal, bijgestaan door mr dr J. J. G. van Roosmalen, advocaat te Roosendaal.

KLACHT

Op 29 april 1971 heeft klager te Vlissingen een voorstelling gegeven van zijn show; een deel van zijn conference was gewijd aan de daags tevoren gehouden kamerverkiezingen. Hierover werd in de editie van 1 mei van het Brabants Nieuwsblad een artikel gepubliceerd op de voorpagina onder de kop Commentaar van Wim Kan op stembus, waarin een aantal grappen en zinsneden uit dit deel van de conference zonder klagers toestemming of medeweten letterlijk werd weergegeven. Namens klager, die voornemens was de nu gepubliceerde grappen wederom te brengen in zijn show op 5 mei 1971 te Roosendaal, is daartegen ter redactie van het blad heftig geprotesteerd.
Daarna verscheen op 6 mei in het Brabants Nieuwsblad een bespreking van de voorstelling van de vorige avond, getiteld Wim Kan, teisteraar van de lachspieren, waarin, wederom zonder diens toestemming, een aantal grappen en zinsneden betrekking hebbende op de verkiezingen en bovendien grappen en zinsneden uit het vaste programma van klager letterlijk werden geciteerd. In een redactioneel cursief in dezelfde editie met de kop Bijna niet werd onder meer meegedeeld dat de
publikatie op 1 mei de heer Kan bijna had doen besluiten, zijn voorstelling te Roosendaal niet te laten doorgaan nu een deel van zijn conference toch al bekend was.
Klager is van oordeel dat hij door deze opeenvolgende publikaties op ernstige wijze in zijn materieel belang is geschaad, daar immers de onder het publiek op te wekken spontane reactie van genoegen bij het beluisteren van deze grappen en zinsneden reeds op voorhand aanzienlijk werd gereduceerd, hetgeen noodzakelijkerwijze moest resulteren in een afnemende belangstelling en waardering voor klagers artistieke inspanningen en prestaties. Klager is bovendien van mening dat de handelwijze van betrokkene tegenover hem als een van de bekendste kleinkunstenaars van Nederland niet anders dan in hoge mate onbetamelijk en onfatsoenlijk moet worden beschouwd.

VERWEER

Betrokkene stelt in zijn verweerschrift onder meer, dat klager zowel in Vlissingen als in Roosendaal ermee bekend is geweest dat de pers aanwezig was bij zijn conference en dat hij geacht moet worden te hebben toegestemd in verslaglegging in de pers van de conference. Niet valt in te zien hoe verslaglegging kan geschieden zonder vermelding van hetgeen geschiedt, zodat klager begrepen moet hebben dat gedeelten van zijn conference in de pers zouden verschijnen.
Indien klager de vrijheid van de journalist in de keuze en de bepaling van de omvang van de verslaglegging zou willen beperken, dan moet hij dat tevoren zeggen.
De veronderstelde toestemming moet altijd omvatten hetgeen het karakter van verslaglegging niet overschrijdt. In beide publikaties is duidelijk het karakter van verslaglegging aanwezig; het wekt de belangstelling van de lezer voor het werk van de kunstenaar met een duidelijke opwekking om zelf te gaan luisteren.
Betrokkene kan niet inzien dat ten opzichte van de tweede publikatie op 6 mei andere regels zouden gelden dan ten opzichte van die van 1 mei.
Betrokkene kan toegeven dat wel wat erg veel grappen zijn vermeld in het verslag van 6 mei, maar hij acht dit aanvaardbaar, gelet op het gehele karakter van het stuk. Slechts de publikatie van 1 mei zou men en dan ten opzichte van de conference van 5 mei, een voor-publikatie van grappen en zinsneden kunnen noemen. Dat klager daardoor in zijn materieel belang zou zijn geschaad acht betrokkene onaannemelijk.
Betrokkene is ervan overtuigd dat de publikatie van 1 mei eerder mensen tot een persoonlijke kennisneming heeft verlokt dan ervan afgehouden en op geen enkele wijze afbreuk heeft gedaan aan de waardering van de bezoekers voor de artistieke inspanning en prestaties van klager, integendeel deze waardering eerder zal hebben versterkt. De publikatie maakte immers duidelijk welk een wereld van verschil er is tussen de droge dagbladtekst en de door de artiest zelf gesproken tekst.

ZITTING

Klager stelt dat de elf à twaalf grappen, in het stuk van 1 mei in het Brabants Nieuwsblad letterlijk ontleend aan zijn optreden in Vlissingen, de kern uitmaakten van het aan de verkiezingen gewijde deel van zijn conference, waarin de politiek het meest essentiële van de aangeroerde onderwerpen vormt. Nu de volgende voorstelling juist in Roosendaal zou worden gegeven waar het Brabants Nieuwsblad is gevestigd, achtte klager het plezier van het publiek bij voorbaat bedorven daar de publikatie het effect aan de pointe had ontnomen. Hij wordt daar allereerst artistiek door getroffen omdat zijn show staat en valt met de wisselwerking in de zaal tussen artiest en publiek. Op lange termijn raakt het hem ook commercieel omdat het effect van de mondreclame afneemt, die het publiek ertoe brengt, volgend jaar terug te komen. Namens hem is op 5 mei 's morgens dan ook fel geprotesteerd bij de redactie van het Brabants Nieuwsblad over deze publikatie zodra hij daarvan kennis had genomen.
Dat er na zijn optreden in Roosendaal op de avond van 5 mei desondanks in het Brabants Nieuwsblad een stuk verscheen waarin +/- 20 andere grappen - die over plaatselijke omstandigheden niet meegeteld - werden geciteerd, heeft hij ervaren als een tegen hem gerichte escalatie, die de oude vraag waar de grens ligt van het aantal citaten dat in een recensie mag worden gepubliceerd, voor hem uiterst dringend maakte.
Naar klagers mening is het niet juist dat het schrijven van een verslag of een recensie van zijn optreden onvermijdelijk het citeren van onderdelen van het gebodene meebrengt, getuige de talrijke recensies van zijn voorstellingen die geen letterlijke weergave van zijn grappen bevatten.
Niettemin acht klager het citeren van enkele grappen normaal terwijl er geen bezwaar bestaat tegen het publiceren van grappen over plaatselijke toestanden als het om een enkel optreden in die plaats gaat. Maar wat zowel in het stuk van 1 mei als dat van 6 mei is gedaan, gaat te ver. Klager kan dit ook niet zien als reclame voor zijn prestaties zoals betrokkene stelt. In deze vorm heeft hij die niet nodig; voor hem is het verrassingselement het belangrijkste en dat is hier geschaad.
Betrokkene deelt mee dat het stuk van 1 mei de complete tekst bevat van een bericht, door de GPD verspreid over de bij deze persdienst aangesloten bladen, waartoe ook het Brabants Nieuwsblad behoort, de kop is het enige was de redactie heeft toegevoegd. Het is als verkiezingsnieuws op de voorpagina geplaatst, immers de heer Kan is een "nationaal instituut" en het commentaar dat hij geeft op de verkiezingen is nieuws dat als zodanig voor verspreiding in aanmerking komt.
Op 5 mei kwam bij zijn krant van de schouwburgdirectie eerst het bericht binnen dat Kan niet zou komen; een uur later dat hij wel zou komen. De aanwezige redacteuren, betrokkene incluis waren op de hoogte van de dreigende afgelasting, maar dit gold waarschijnlijk niet voor de stadsredacteur, die de voorstelling zou bespreken en die die morgen - het Brabants Nieuwsblad is een ochtendblad - afwezig was. Zijn - volgens betrokkene overigens zeer lovende - recensie was dus zeer zeker geen reactie op het protest van klager waarvan de stadsredacteur geen weet had. Als betrokkene aanleiding had gevonden voor een reactie op de bezwaren van klager, dan zou dat niet via een recensie zijn gebeurd maar met een commentaar van zijn hand.
Betrokkene vindt ook dat teveel citaten zijn gebruikt, maar hij acht dat in dit geval niet onfatsoenlijk. Dat zou het wel zijn geweest als klager een reeks voorstellingen in dezelfde plaats had gegeven; zo zou hij ook niet toestaan dat in zijn blad de plot van een film of een tv-serie werd bekend gemaakt. Van klagers conference bleven behalve de gepubliceerde grappen echter naar schatting nog een paar honderd over die niet geciteerd zijn. Overigens ligt het effect van het gebodene niet alleen in de tekst maar ook in de presentatie daarvan. Voor betrokkene blijft het de vraag of door het citeren de belangstelling van het publiek vermindert of misschien juist gestimuleerd wordt. De bespreking is trouwens alleen opgenomen in de Roosendaalse editie onder het stadsnieuws. De lezers verwachten nu eenmaal plaatselijk nieuws van hun krant en Kan's conference behoort daar ongetwijfeld toe. Mocht klager schade hebben geleden door de publikaties, dan betreurt betrokkene dat zeer.

OVERWEGINGEN

Partijen zijn het erover eens, dat het de krant wel geoorloofd is uit een conference als die van klager enkele grappen en zinswendingen letterlijk weer te geven.
Wat het verslag van 1 mei aangaat: het is begrijpelijk en toelaatbaar dat een krant zijn lezers wil voorlichten, hoe een befaamd kleinkunstenaar als klager zich naar aanleiding van de verkiezingen in een openbare conference heeft uitgelaten over de actuele politiek en het lijkt nauwelijks te vermijden dat de kunstenaar daarbij wordt geciteerd.
Klager kan en moet dat, gelet op zijn maatschappelijke positie, verwachten en een mogelijke vermindering van het verrassingselement op de koop toe nemen, mits de krant bij dit citeren ook met de belangen van de artiest rekening houdt.
Onder dit licht bezien is het artikel van 1 mei rijkelijk van citaten voorzien.
Wat het verslag van 6 mei betreft: het verband, dat klager legde tussen zijn protest tegen het stuk van 1 mei en het aantal citaten in het tweede stuk is niet komen vast te staan, nu niet gebleken is dat de betrokken stadsredacteur van de strubbelingen op de hoogte was. Men kan zich wel afvragen of het geen goed redactioneel beleid zou zijn geweest die redacteur daarover tijdig in te lichten; dat zou misschien een ongelukkige samenloop van omstandigheden hebben voorkomen. Wat de inhoud van dat tweede stuk betreft: partijen zijn het erover eens, dat er teveel letterlijke citaten in staan.

BESLISSING

Hetgeen in beide stukken in het Brabants Nieuwsblad aan letterlijke citaten uit klagers conference is gepubliceerd, ligt op of over de grens van wat naar redelijke maatstaf in de verhouding tussen de kunstenaar en de verslaggever-recensent, mede gelet op het verrassingselement waarop men in dit metier in meerdere of mindere mate steunt, toelaatbaar geacht moet worden.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 23 december 1971 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mevr. mr J. Brans-Woltering, dr E. Diemer, mr H. Dikkers en mr A. Stempels, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1971, 12.