1971/11 ongegrond

Ned. Instituut v. Sociaal Sexuologisch Onderzoek contra De Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de journalistiek inzake het NISSO tegen De Telegraaf

Dr B. S. Witte, directeur van het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (NISSO) te Zeist, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 18 mei 1971 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen G. van Zanten, redacteur van De Telegraaf, te Amsterdam, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 28 oktober 1971. Daar noch klager noch betrokkene, hoewel reglementair opgeroepen, ter zitting zijn verschenen, wordt d,e zaak bij verstek behandeld.

KLACHT

Klager stelt de volgende feiten:

Voor dinsdag 11 mei 1971 werd door het NISSO een persconferentie georganiseerd in verband met de publikatie van het NlSSO-rapport nr 6 Abortus Provocatus. Ruim van tevoren per 29 april - is de pers voor deze persconferentie uitgenodigd. Aan de uitnodiging werd een samenvatting van het rapport toegevoegd met het verzoek deze onder embargo te houden tot 11 mei 1971. Het was de bedoeling om op de persconferentie de samenvatting nader toe te lichten én om een aantal andere gegevens te verstrekken.
Op woensdag 5 mei 1971 heeft de heer G. van Zanten in De Telegraaf een uitgebreid artikel aan het rapport gewijd. Hij heeft daarmee het embargo geschonden. Dit had tot gevolg dat andere kranten of ook maar voor de persconferentie publiceerden of geen belang meer stelden in het rapport. Wij hebben toen de persconferentie afgelast.
Het NISSO heeft er belang bij dat de inzichten die het vergaart aan een breed publiek zo goed mogelijk worden doorgegeven. Na overleg met enkele journalisten hebben wij gemeend dit doel het beste te kunnen bereiken door ruim vooraf uitgebreide informatie toe te zenden waarover op een persconferentie nadere gegevens kunnen worden gevraagd. De schending van het embargo door de heer Van Zanten maakte ons deze werkwijze onmogelijk. Het maakt ons ook onzeker hoe we moeten handelen in de toekomst. Dat is ons praktische bezwaar.
We willen evenwel tevens principieel bezwaar aantekenen tegen de handelswijze van de betreffende journalist.

VERWEER

Betrokkene reageerde op de klacht met een brief aan de Raad met de volgende inhoud:

In antwoord op uw brief van 3 juni deel ik u mede, dat ik mij heb vergist in de datum. Ik kreeg het NlSSO-rapport op dinsdag 4 mei thuisbezorgd en meende dat het embargo diezelfde dag afliep. Vandaar dat ik het artikel snel heb geschreven en doorgebeld. Er was geen sprake van kwade opzet, zoals ik de heer Witte indertijd ook heb gezegd, toen ik hem uitgebreid mijn excuses maakte.

VERDER ONDERZOEK

In het kader van het voorlopig onderzoek wordt door klager nog meegedeeld, dat de verklaring van de heer Van Zanten mij reeds bekend was, althans dat hij zegt dat hij zich vergist heeft in de datum.
Dat hij het rapport pas op dinsdag 4 mei thuis kreeg is nieuw. In een telefoongesprek destijds zei hij mij dat hij het rapport in de week daarvoor al had gekregen (dat klopt ook met de verzenddatum nl. 28 april jl.) en dat juist het feit dat wij het rapport zover voor de persconferentie hadden toegestuurd hem zich in de datum had doen vergissen.
De brief van de heer Van Zanten sterkt mij in het vermoeden dat er geen sprake was van een vergissing. Maar ik ben me ervan bewust dat ik u geen hard bewijsmateriaal kan leveren. Ik meen desondanks dar het goed is dat ik een klacht bij u heb ingediend.

Betrokkene heeft hier tenslotte in een brief aan de Raad tegenovergesteld:

Zoals ik indertijd ook tegenover de heer Witte heb verklaard, kreeg ik het NlSSO-rapport dinsdag 4 mei bij mij thuis. Omdat ik me realiseerde dat het de voorafgaande week op de amsterdamse redactie was gearriveerd en dus al enkele dagen 'oud' was, heb ik bijna automatisch aangenomen dat het embargo diezelfde dinsdag, 4 mei, verliep. Het is namelijk ongebruikelijk dat verzenddatum (28 april) en opheffing van embargo (11 mei) zover uiteen liggen. Dat heeft stellig bijgedragen tot mijn vergissing en dat heb ik de heer Witte ook gezegd.

OVERWEGINGEN

Op grond van de gegevens zoals die ter kennis van de Raad zijn gekomen, staat vast dat betrokkene het embargo opgelegd door het NISSO, heeft gekend en - dit wordt geïmpliceerd door zijn verweer - ook heeft aanvaard. Verschil van opvatting bestaat slechts over de vraag of het niet in acht nemen van het embargo al dan niet berust op een vergissing van betrokkene omtrent de afloopdatum.
Klager heeft zijn vermoeden dat er geen sprake was van een vergissing niet aannemelijk kunnen maken. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat hier een vergissing heeft plaatsgevonden In dit verband wijst hij op de lengte van de embargotermijn Dit is inderdaad een aanzienlijke termijn (13 dagen) die alleen voor zeer bijzondere omstandigheden, waarvan hier niet gebleken is, zou kunnen worden gerechtvaardigd.
De richtlijnen omtrent het embargo, opgesteld door de Sectie Hoofdredacteuren van de Nederlandse Federatie van Journalisten (thans: Nederlandse Vereniging van Journalisten) stellen dat een embargo zich over een zo kort mogelijke tijd behoort uit te strekken.
Naar aanleiding van hetgeen in het klaagschrift wordt opgemerkt over de werkwijze van het NISSO bij het wereldkundig maken van zijn rapport rijst de vraag of voor het bereiken van het door klager beoogde doel een embargo een journalistiek aanvaardbaar middel was.
Ook wat dit punt betreft geven bovengenoemde richtlijnen opheldering. Daarin wordt vooropgesteld dat het een algemeen belang is embargo's op nieuws zoveel mogelijk te beperken. Tenzij bijzondere belangen daartoe uitdrukkelijk aanleiding geven, behoren geen mededelingen over feiten die zich hebben voorgedaan onder embargo te worden toegezonden; en: Nieuws dat pas ontstaat door het uitspreken van redevoeringen het afkondigen van besluiten, het bekendmaken van wetsontwerpen, het uitbrengen van jaarverslagen, het verlenen van onderscheidingen zal gaarne onder embargo worden aanvaard.
Niet blijkt dat het NISSO het embargo oplegde b.v. ter gelegenheid van een aanbieding van het rapport aan eventuele opdrachtgevers of van enig ander toekomstig nieuwsfeit.
Het doel was eerder het welslagen van een persconferentie waar volledige exemplaren van het rapport aan de aanwezige journalisten zouden worden overhandigd en tevens nadere informatie zou worden verstrekt, met het oogmerk om een zo goed mogelijke berichtgeving te bewerkstelligen. Getoetst aan genoemde richtlijnen is het instrument van het embargo daartoe niet bestemd.

BESLISSING

Het is te betreuren dat betrokkene niet zorgvuldiger is geweest bij het in acht nemen van het embargo. Gezien de lengte van de embargo-termijn, die dat in de hand kan hebben gewerkt kan echter niet gezegd worden dat door deze onzorgvuldigheid de waardigheid van de stand der nederlandse journalisten is geschaad.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 28 oktober 1971 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mr J. Brans-Woltering, dr E. Diemer, prof. dr G. C. van Niftrik en N. G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1971, 11.