1971/1 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de T.R.O.S. tegen W.L. Brugsma, F, Nypels en E. van Konijnenburg.

Mr. H.J. Minderop te 's-Gravenhage, secretaris van de Televisie Radio Omroep Stichting TROS en optredend namens deze, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 26 mei 1970 gewend tot de Raad voor de Journalistiek met een klacht tegen de heren W.F. Brugsma, hoofdredacteur van Haagse Post-Magazine, F. Nypels en E. van Konijnenburg, redacteuren van dit blad, hierna te noemen betrokkenen.

Tijdens het voorlopig onderzOek, naar deze klacht ingesteld, werd, hoewel daartoe op verzoek aan betrokkenen eenmaal uitstel werd verleend, uiteindelijk geen verweerschrift ingediend, doch de raadsman van betrokkenen heeft in een brief d.d. 9 december 1970 bericht dat zijn cliënten hem hebben meegedeeld, met betrekking tot de door de secretaris van de TROS tegen hen gerichte klacht geen verweer te zullen voeren. Daarop heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen. De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 16 maart 1971, waar is verschenen Mr. H.J. Minderop namens klager. Tegen de reglementair opgeroepen doch niet verschenen betrokkenen heeft de Raad verstek verleend.

KLACHT

De klacht heeft met betrekking tot de wijze van totstandkoming en de inhoud van het artikel "Het mysterie van de TROS", ondertekend door
Nypels en Van Konijnenburg en gepubliceerd in HP-Magazine van 25-31 maart 1970 de volgende drie punten tot onderwerp:
a) de wijze waarop Van Konijnenburg klager benaderd heeft om een interview te "versieren";
b) de inhoud en strekking van bovengenoemd artikel;
c) de wijze waarop Van Konijnenburg de journalistieke zwijgplicht hanteert alsmede de sfeer van wantrouwen die zowel hij als de hoofdredacteur van het blad door het doen van onware mededelingen tussen klager en zijn personeel tracht te creëren.

Door de weigering van betrokkenen om mede te werken aan de behandeling van deze klacht kon de Raad bij zijn beraadslagingen niet tot het inzicht komen dat de behandeling van de onderdelen b en c van de klacht met de vereiste grondigheid kon geschieden en aan de verdediging van de belangen van betrokkenen voldoende recht kon wedervaren. De Raad onthoudt zich derhalve van het geven van een oordeel inzake deze punten van de klacht. Onderdeel a wordt, kort samengevat, in het klaagschrift als volgt toegelicht. De secretaris van klager werd door Van Konijnenburg benaderd met het verzoek om een interview over de "sukses-story" van de TROS. Tijdens dit interview, dat op of omstreeks 13 maart 1970 plaats had tussen voorzitter en secretaris van de TROS enerzijds en betrokkenen Van Konijnenburg en Nypels anderzijds, werd afgesproken dat de secretaris van klager voor publikatie inzage van het te publiceren artikel zou krijgen. Daartoe zou klager op 16 maart worden benaderd. Eerst op 18 maart werd de secretaris van klager opgebeld door Van Konijnenburg, die nogal gejaagd deed en zei dat hij de passages van het geciteerde uit het interview met de voorzitter en de secretaris aan laatstgenoemde zou voorlezen, maar dat alles erg veel haast had. De secretaris van klager, nog steeds ervan uitgaande dat - wanneer men gevraagd wordt voor een interview over een "sukses-story" - het een regel van normaal fatsoen is dat men zich aan een dergelijke, uit eigen beweging gedane mededeling houdt en dat de andere partij hierop mag vertrouwen, heeft genoegen genomen met de enkele citeringen die hem werden voorgelezen, terwijl hem door Van Konijnenburg verder geen enkele vraag is gesteld of was gesteld in het interview over een aantal klakkeloze beweringen welke in het onderhavige artikel voorkomen. Zowel uit de coverplaat van het desbetreffende nummer van de HP-Magazine als uit de titel van het artikel blijkt dat het de desbetreffende journalisten nimmer te doen is geweest om een "sukses-story" maar om een "lekker verkoopbaar" artikel, hetgeen nog geaccentueerd wordt door de inleiding van het artikel over een gebeurtenis die zogenaamd zou hebben plaatsgevonden op 12 februari 1970. De valse voorwendsels die door Van Konijnenburg gebruikt zijn om een interview te verkrijgen, acht klager in strijd met elementaire fatsoensregels en in strijd met art. 4 van de Internationale Erecode voor de pers: "He will use only fair methods to obtain news".

ZITTING

Ter nadere toelichting zegt klager over punt a, dat het de voorzitter en hem tijdens het interview reeds spoedig duidelijk werd dat het betrokkenen om iets heel anders te doen was dan een "sukses-story" doordat vragen gesteld werden over zaken als de binding van de TROS met De Telegraaf e.d. Het was toen reeds te laat om nog van het gesprek af te zien. Dat hij ondanks de uitdrukkelijk aan hem beloofde inzake vooraf van het gehele artikel toch genoegen heeft genomen met telefonische voorlezing van citaten, vindt zijn oorzaak in de indruk die hij tijdens het telefoongesprek kreeg dat hem de essentiële delen van het stuk werden voorgelezen. Verder had hij, zelf hoofdredacteur van een weekblad (n.l. TROS-Kompas), begrip voor de haast waarin betrokkene Van Konijnenburg op dat ogenblik in verband met de verschijningsdatum van het artikel zei te verkeren.

OVERWEGINGEN

Wat onderdeel a van de klacht betreft neemt de Raad in aanmerking dat het genoemde nummer van HP-Magazine omtrent de TROS niet alleen het betwiste artikel bevat, maar op pag. 3 een korte inleiding onder dezelfde titel en luidende: "De TROS is de grote favoriet op de buis. Zij kan bij een snel groeiende groep kijkers geen kwaad doen. Zij wil ook geen kwaad doen. Aanvallen op het koninklijk huis, sex om de sex, kwetsend taalgebruik en aanvallen op bevolkingsgroepen zijn taboe. In gesprek met Frans Nypels en Emile van Konijnenburg formuleerde TROS-voorzitter Hangraets het zo: "Wij willen indoctrinerend geleuter vermijden". Daarmee mikt de TROS op een nieuwe sociale klasse, die gelooft in de welvaartsstaat. Zij mikt goed: ruim 250.000 leden gaan de TROS dubbele zendtijd bezorgen."

Op pag. 5 volgt een "Memo", beginnend met de woorden:"Het titelverhaal "Het mysterie van de TROS" zou voor hetzelfde geld ook "Het mirakel van de TROS" kunnen heten", dat aldus eindigt: "...omdat de omroep die "het eenvoudig en op verstrooiing beluste kijkersvolk met brood en spelen voedt" en nochtans favoriet werd bij de intellectuele kijker, de 250.000 ledengrens naar B-omroep overschreed en straks minus vijf ontslagen medewerkers, waaronder de stafleden Prior en Dixon, de dubbele zendtijd moeten vullen. Ga daar maar eens aan staan." In het artikel zelf dat ruim 6 pagina's beslaat, komen voorts zowel positieve als negatieve aspecten van de TROS aan de orde, waardoor de indruk gewekt wordt dat de schrijvers hebben gestreefd naar een objectief beeld, mede doordat zij de mening van een vijftal bekende tv critici hebben gevraagd en in hun stuk hebben weergegeven.

BESLISSING

Gelet enerzijds op de teneur van kritische be- en verwondering, blijkend uit de drie aan de TROS gewijde stukken in dit nummer van HP-Magazine, anderzijds op het feit dat klager gezien het karakter en de redactionele aanpak van dit weekblad die hem bekend konden zijn, niet een kritiekloze "sukses-story" mocht verwachten, hetgeen hij zich in elk geval tijdens het interview - volgens zijn eigen mededeling ter zitting-- bewust is geworden, en hij tenslotte desondanks genoegen heeft genomen met de telefonische voorlezing van citaten uit het stuk in plaats van inzage van het gehele artikel, kan de Raad niet tot de slotsom komen dat door betrokkenen bij de wijze van benaderen van klager en bij het interview is gehandeld in strijd met de journalistieke fatsoensnormen. De Raad acht onderdeel a van de klacht derhalve ongegrond. Wat de onderdelen b en c betreft onthoudt de Raad zich op eerder genoemde gronden van het geven van een oordeel.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist" en voorts aan het Bestuur van deze Vereniging mededeling te doen van de weigering van diegenen der betrokkenen, die lid zijn van de NVJ, mede te werken aan de behandeling van deze klacht.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 16 maart 1971, door Prof.Mr. Ch.J. Enschedé, voorzitter, Prof.Dr. G.C. van Niftrik, Drs. J.M.M. van der Pluym, N.G. Schrama en Drs. L.F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van Mr. E. Helder als secretaris.

RvdJ 1971, 1.