1970/6 gegrond

Beslissing van de Raad voor de journalistiek inzake J.W. Rengelink tegen Dr. B.P. Hofstede.

J.W. Rengelink, programmacommisaris van de Nederlandse Omroep Stichting N.O.S., hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 9 maart 1970 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen Dr. B.P. Hofstede, journalist te Breukelen, hierna te noemen betrokkene.

Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkene een verweerschrift indiende, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 17 november 1970, waar zowel klager is verschenen als betrokkene, bijgestaan door Mr. D. de Jong, advocaat te Amsterdam.

KLACHT

De klacht heeft betrekking op een tweetal artikelen van de hand van betrokkene. Het eerste verscheen in het dagblad Het Parool van 13 februari 1970, het tweede, onder het pseudoniem "Buizerd", in het weekblad Accent van 28 februari 1970. In het artikel in Het Parool d.d. 13-2-1970, dat met titelvignet en foto ca vijf kolom beslaat en als bovenschrift heeft "De eeltige handen van Rengelink", behandelt betrokkene het programmabeleid van de NOS en de rol van klager daarin. Betrokkene richt zijn aandacht allereerst op het journaalprogramma van de NOS. Betrokkene stelt dat in 1963 door de programmaraad van de NTS, waarin klager als programmacommesaris een zeer belangrijke plaats innam, welbewust als hoofdredacteur van het programma een persoon benoemd werd van wie niet te verwachten viel dat hij veel journalistieke initiatieven zou ontplooien. Dit terwijl anderen naar deze functie hadden gesolliciteerd, die naar de mening van betrokkene veel competenter waren. Betrokkene noemt deze benoeming een eerste grote ondermijning van het gezamenlijkheidsprogramma van de NOS. In de loop van 1969 neemt klager het journaal onder zijn rechtstreekse supervisie. Naar aanleiding van gerezen moeilijkheden wordt vervolgens een commissie ingesteld, waarin ook klager zitting heeft, die de structuur en de positie van het journaal in de toekomst moet bezien. Van slechts één man in deze commissie, aldus betrokkene in zijn stuk, valt een onafhankelijk geluid te verwachten. Betrokkene vermeldt dan dat klager in het verleden alles in het werk heeft gesteld om deze persoon uit de NTSprogramma- raad te weren. Betrokkene betoogt dat ook ten aanzien van twee andere programma's van de NOS, te weten Monitor en Scala, eenzelfde politiek zichtbaar was. Klager stelde alles in het werk ook deze programma's te doen verdwijnen, hetgeen hem lukte. De strekking van betrokkenes artikel kan men aldus samenvatten dat klager, die nauwe banden met de VARA bezit, bij zijn beleid als programma commissaris van de NOS een politiek voerde die partijdig gericht was op de bescherming van de belangen van de afzonderlijke omroepen ten koste van het gezamenlijkheidsprogramma.
In zijn artikel in Accent d.d. 28-2-1970 schetst betrokkene een beeld van druk en censuur die journaalrubrieken in verschillende landen zouden ondervinden van de zijde van de overheid. Klager was ten tijde van de publikatie van het artikel juist benoemd als voorzitter van de European Broadcasting Union. Betrokkene vraagt zich af of klager wel de aangewezen persoon is om in deze organisatie de problemen van de televisienieuwsdiensten in de verschillende landen te behandelen. Betrokkene vermeldt hierbij dat klager "een ambtgenoot dwong", een aflevering van een periodiek van het NOS-personeel in beslag te nemen waarin kritiek werd geleverd op het beleid "van de Raad van Beheer - in casu de heer Rengelink", inzake het NOS-journaal. Klager betwist de juistheid van een achttal passages in de beide artikelen van de betrokkene.
Hij erkent het recht van de journalist op een kritische bespreking van personen, feiten en omstandigheden en vindt daarbij een subjectieve beoordeling niet verwerpelijk. Anderzijds is echter, zo betoogt hij, de journalist gehouden geen onjuiste mededelingen te doen, althans al het mogelijke te ondernemen om feitelijk onjuiste informatie te vermijden, en daartoe te trachten de juistheid door verificatie van zijn informaties bij de betrokkenen te toetsen. Naar de mening van klager heeft betrokkene ten aanzien van de door hem gepubliceerde artikelen geen poging gedaan de in de artikelen gegeven informatie te verifiëren bij de meest betrokken persoon, in casu klager. Klager meent dat betrokkene daarmede ook de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten geschaad heeft; klager oordeelt de grens van geoorloofd journalistiek handelen verre overschreden.

VERWEER

In zijn verweerschrift merkt betrokkene onder meer het volgende op: "Rengelink beklaagt zich er over, dat door Hofstede een aantal, op hem betrekking hebbende, feit lijk onjuiste mededelingen zouden zijn gedaan, waardoor hij zich in zijn functie en persoon geschaad acht; erkennend dat een journalist het recht heeft bij zijn kritische beoordeling van personen een zoals hij dat uitdrukt "subjectieve beoordeling" te hebben en dat hij als hoge boom in de omroepwereld bestand moet zijn tegen een behoorlijke windkracht van journalistieke zijde, meent hij, Rengelink, toch Hofstede te kunnen verwijten met betrekking tot de gewraakte artikelen niet vooraf verificatie (feed-back) bij hem te hebben ingewonnen. Deze stelling is in zijn algemeenheid niet aanvaardbaar; het staat een t.v.-criticus als Hofstede - en trouwens ook diens collegae - vrij een dermate in de omroep geëxponeerde figuur als Rengelink, zoals dat in Propria Cures heet, te onthoofden zonder acht te slaan op hetgeen Rengelink wellicht tegen zijn onthoofding te berde had willen brengen. Hiermee wordt geenszins de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten geschaad, waar men bovendien van een Rengelink mag verwachten, dat deze zich met gelijke wapenen in de pers verdedigen kan, wanneer hij meent zich te moeten en kunnen verweren. Ten aanzien van de onthoofdende journalist geldt, dat deze zijn gegevens niet totaal gefundeerd behoeft te hebben, doch anderzijds ook niet uit mag gaan van totaal ongefundeerde gegevens. Men moet terdege rekening houden met het feit, dat beleidsbeslissingen binnen de NTS of NOS in principe in volstrekte geheimhouding worden genomen, dat men naar de onderliggende motieven slechts kan gissen, hetgeen bij de huidige opvatting omtrent de omroep als een zaak van het publiek, algemeen geleid heeft tot een gevoel van wrok "over ons maar zonder ons", zowel bij de creatieve medewerkers als bij het ontvangende publiek om wie het in eerste en laatste instantie toch uitsluitend gaat, althans gaan moet. Het is dan ook niet billijk de criticus te verwijten, dat hij over soms speculatieve wegen gaan moet om te betogen wat hij en anderen onmiskenbaar aanvoelen. Wanneer dan ook Hofstede zoals in casu - hierin overigens door talloze zijner collegae voorgegaan - ten aanzien van Rengelink betoogt, dat deze bij de opeenhoping van zijn functies en diverse kwaliteiten de belangen van de met en aan hem verknochte zuil, de VARA, herhaalde malen zwaarder heeft laten wegen dan die van de NTS of NOS, is het mogelijk, doch niet laakbaar, dat zijn bewijsmateriaal strikt genomen feitelijke lacunes heeft, hij op interpretaties, noem het gissingen, soms bouwen moet. Wel is het onmiskenbaar, dat de omroepzuilen de zendtijd van de NTS of NOS zoveel als maar binnen het wettelijk raam mogelijk, trachten in te perken en dat Rengelink zich herhaalde malen als NTS- of NOS- bestuurder in deze een exponent van de verzuilde omroepen heeft getoond, althans van een ambivalente houding blijk heeft gegeven".

Betrokkene blijft in zijn verweerschrift bij de juistheid van de door klager aangevochten acht passages.

ZITTING

Het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de volgende zeven passages van betrokkeneS artikel in Het Parool van 13-2-1970:

1. "Journaalmedewerkers uit die dagen" ( i.e. 1963) "herinneren zich nog als de dag van gisteren de historische vergadering, voorgezeten door de toenmalige adjunct-hoofdredacteur R.R.Over de opvolging van C.E. hadden de wildste geruchten de ronde gedaan. Half journalistiek Nederland had gesolliciteerd. Hogerhand had de beslissing genomen, maar in strijd met de beste omroeptradities was daar niets over uitgelekt. De spanning onder de medewerkers steeg tot het uiterste, toen programmacommissaris J,W. Rengelink het vertrek betrad. " Heren. U wilt weten wie de nieuwe baas wordt? Ik weet ook wel dat er betere zijn, maar het wordt de heer D.S.. Goedemorgen." Na deze gevleugelde woorden verliet Rengelink de zaal". Klager stelt dat het hier weergegeven verslag van zijn woorden volstrekt onjuist is. Klager legt ten bewijze daarvan de verklaringen over van drie personen die bij de bewuste vergadering aanwezig geweest zijn. Klager heeft te meer bezwaren tegen deze passage in betrokkenes artikel omdat door de hem in de mond gelegde woorden ook de positie van de hoofdredacteur van het NOS-journaal wordt aangetast. Klager stelt dat betrokkene heeft nagelaten zijn informatie behoorlijk na te trekken. Betrokkene houdt staande dat zijn informatie juist was. Ten bewijze daarvan legt hij de verklaring over van een journaalmedewerker die bij de vergadering aanwezig geweest is. Betrokkene stelt zijn informatie bij meerdere personen te hebben nagetrokken en dus niet in gebreke te zijn gebleven.

2. " De negatieve zelfzuchtige krachten in de omroep slaagden er in het journaal, lange tijd het populairste tv-programma,(...) voor onbepaalde tijd min of meer onschadelijk te maken door de benoeming van een man, aan wiens kwaliteiten als tv-programmaleider reeds lang twijfels waren gerezen en aan wiens ongeschiktheid voor het journaal-hoofdredacteurschap bij degenen, die hem benoemden, niet de geringste twijfel bestond." Flager stelt dat het hier om een volstrekt onjuiste en gefantaseerde bewering gaat. Van de sollicitanten die naar de functie van hoofdredacteur van het journaal solliciteerden, leek de heer D.S., en dit niet alleen naar de mening van klager, de meest geschikte. Betrokkene meent dat de heer D.S. objectief gezien misschien niet incapabel was, maar dat hij van alle sollicitanten niet de meest aangewezen vakman was om het journaal te leiden. Betrokkene meent dat de keuze van de heer D.S. in zoverre de " beste " was, als men van hem niet behoefde te vrezen dat hij aan het journaal een dergelijke hoge vlucht zou geven dat daardoor de actualiteitenrubrieken van de verschillende omroepen ongewenste concurrentie zouden ondervinden.

3. "In 1966, veelbewogen jaar in onze culturele en politieke historie, kreeg de NTS eindelijk een eigen programma en aan het hoofd daarvan kwam te staan, men weet het, C.E.. C.E. stelde niet teleur. Met het zondagmiddagprogramma Monitor, in de herfst van 1966 gestart, schoot hij midden in de roos; een gecombineerde succesformule van ontspanning en informatie was gelanceerd en op een tijdstip, dat hij er geen enkele omroeporganisatie mee dwars zat." Klager meent dat betrokkene hier welbewust een aantal feiten niet heeft vermeld, waarvan hij toch op de hoogte was. Het belangrijkste daarvan is wel dat het juist klager is geweest die de heer C.E., over wiens kwaliteiten betrokkene in zijn artikel hoog opgeeft, voorgedragen heeft als hoofd van de gezamenlijkheidsprogramma's. Nu echter het artikel van betrokkene de teneur had dat klagers politiek als programmacommissaris er op gericht was gezamenlijkheidsprogramma's van de NTS en de NOS te ondermijnen, heeft betrokkene welbewust nagelaten dit_feit te vermelden aangezien het niet in de strekking van zijn betoog paste. Betrokkene stelt dat de heer C.E. de enige sollicitant voor de functie van hoofd van de gezamenlijkheidsprogramma's was en dat diens benoeming dus de enig mogelijke was, zodat een vermelden van het feit dat de heer C.E. op voordracht van klager benoemd werd, niets aan de strekking van betrokkenes betoog zou afdoen. Klager ontkent dat de heer C.E. de enige sollicitant was en dat zijn benoeming de enig mogelijke zou zijn geweest.

4. "Het programma Monitor werd in eendrachtige samenwerking door de omroepen vermoord en afgevoerd. Programmacommissaris J.W. Rengelink wies de sporen van zijn eeltige Achterhoekse boerenknuisten." Klager stelt dat ten tijde dat Monitor door een andere programma-opzet werd vervangen hij geen programmacommissaris van de NTS meer was. Betrokkene stelt dat al voor het moment dat klager als programmacommissaris bij de NTS vertrok, het lot van het programma Monitor bezegeld was. Klager stelt daarop dat hij in de tijd dat hij programmacommissaris was, zich tegen aanvallen op dit programma sterk heeft verweerd en legt ten bewijze daarvan een nota van zijn hand aan de programmaraad van de NTS gericht over. Klager stelt dat betrokkene nagelaten heeft zijn informatie bij klager of andere nauw bij de zaak betrokken personen na te trekken. Betrokkene antwoordt hierop dat het hier om een subjectief oordeel gaat waarin hij echter niet alleen staat. Men mag niet vergeten dat het voor een journalist uiterst moeilijk is achter de toedracht te komen van wat zich binnen de NTS of NOS afspeelt, aangezien de vergaderingen van de beleidsorganen van de NTS of NOS geheim zijn.
5. Over het programma Scala schrijft betrokkene onder meer het volgende: "Eerste maatregel van de nieuwe programmacommissaris"(i.e. klager)": het castreren van Scala. Scala mocht geen actualiteiten meer behandelen van enig belang. Die werden zonder uitzondering gereserveerd voor de grote omroepverenigingen. De tijdsduur van Scala werd gehalveerd." Klager ontkent dat de zendtijd van Scala gehalveerd werd. De tijd van het programma werd gebracht van 4 x 1 uur per week op 5 x een half uur 1 uur. Overigens was klager toen geen programmacommissaris. Betrokkene merkt op met halvering te hebben bedoeld de halvering van de aparte uitzendingen van het programma. Door deze halvering werden de medewerkers aan het programma aanzienlijk beperkt in hun mogelijkheden.

6. Over de moeilijkheden in de loop van 1969 bij het journaal van de NOS schrijft betrokkene dat klager, met opzijschuiven van het hoofd van de gezamenlijkheidsprogrramma's, het journaal onder zijn rechtstreekse supervisie nam. Volgens betrokkene moet klager vervolgens echter bakzeil halen wanneer de Raad van Bestuur van de NOS "na rijp beraad meent dat de eindverantwoordelijkheid van het journaal bij het hoofd van de gezamenlijkheidsprogramma's moet blijven". Klager stelt dat het hier om een onjuiste mededeling gaat. Klager heeft krachtens het huishoudelijk reglement van de NOS als programmacommissaris de eindverantwoordelijkheid voor alle programma's van de NOS.
Betrokkene stelt, zich hier gebaseerd te hebben op hetgeen door collegae over dit punt is gepubliceerd. Overigens meent hij dat het voor een journalist uiterst moeilijk is te ontdekken hoe bevoegheidsverdelingen binnen de NOS liggen.

7. "Nadat indertijd de NTS-programmaraad in het leven was geroepen had het Ministerie van Cultuur H.S. op de door het NTS-bestuur goed te keuren voordracht voor het lidmaatschap doen plaatsen (als vertegenwoordiger van één van de "culturele organisaties", zoals dat toen heette). Het is mij uit betrouwbare bron bekend, dat één lid van het NTS-bestuur, tevens lid van de Raad van beheer, vervolgens bij al zijn collega's langs is gegaan en hemel en aarde heeft bewogen om de levensgevaarlijke autonome denker, die S. werd geacht te zijn, buiten de deur te houden. Die actieve heksenjager tegen het intellect heette ... J.W. Rengelink".
Klager ontkent ten stelligste de waarheid van wat in deze passage over hem beweerd wordt. Hij heeft zich onthouden van elke activiteit in de door betrokkene gesuggereerde richting. Ten bewijze daarvan legt hij de namen over van vier toenmalige andere leden van de Raad van beheer van de NTS, die van hem onafhankelijk zijn en zich bereid hebben verklaard de waarheid van betrokkenes bewering te ontkennen.
Betrokkene blijft de waarheid volhouden van wat hij in het artikel schreef. Wel geeft hij toe enigszins te hebben overdreven toen hij sprak van "alle bestuursleden" maar van één van hen, wiens naam hij
niet noemen kan, heeft hij woordelijk vernomen dat deze door klager benaderd is in de genoemde richting.

Klager heeft vervolgens nog bezwaren tegen de volgende passage van het artikel van betrokkene in het weekblad Accent van 28-2 1970: "Tot voorzitter van de E.B.U. is onlangs benoemd een Nederlander, de NOS-programmacommissaris J.W. Rengelink. Dezelfde die vorige week een ambtgenoot dwong het NOS-personeelsorgaan Spreekbuis in beslag te nemen waarin een brief van de Groepsraad stond afgedrukt die in beleefde termen bezwaar maakte tegen de autoritaire handelwijze van de Raad van Beheer - in casu van de heer Rengelink - inzake het door velen als onmondig beschouwde NOS-journaal." Klager ontkent dat zijn ambtgenoot onder dwang van klager gehandeld heeft. Ten bewijze daarvan legt hij een verklaring van zijn ambtgenoot over waaruit moge blijken dat deze niet onder klagers dwang heeft gehandeld. Betrokkene blijft bij het door hem opgemerkte dat klagers ambtgenoot niet uit eigen vrije wil gehandeld heeft en dat het hier ging om een zaak die onder klagers bevoegdheid ressorteerde.

Klager bestrijdt de algemene strekking van het artikel van betrokkene in Het Parool. Betrokkene gaat daarin naar de mening van klager uit van een verkeerd uitgangspunt. De NOS en de omroepen zijn geen concurrerende organisaties. De NOS is daarentegen juist een samenwerkingsorgaan van de verschillende omroepen. De NOS en de omroepen hebben verschillende, in de wet vastgelegde taken die complementair zijn, Dat in bepaalde gevallen grensgeschillen en conflicten kunnen optreden, doet niets af aan de plicht van het bestuur van de NOS en de leden daarvan, zulke geschillen objectief te beoordelen en op te lossen Natuurlijk heeft in het bijzonder een programmacommissaris dagelijks te maken met spanningen die er op programmagebied tussen de zendgemachtigden kunnen optreden. Dit eist soms een inperkend optreden van de programmacommissaris ten aanzien van de programma's van de NOS, maar anderzijds soms ook ten aanzien van de omroepen. De programmacommissaris beweegt zich bij de interpretatie en de toepassing van de omroepwet noodzakelijkerwijs op het scherp van de snede en mag zich er niet over verwonderen dat hij van twee kanten bestookt kan worden. Dit alles is echter niet de reden dat klager bij de Raad een klacht heeft ingediend.

De reden daarvan ligt in het feit dat betrokkene in zijn artikel een aanval doet op de persoonlijke integriteit van klager en zich daarbij beroept op feiten die onwaar zijn en die door betrokkene niet waar gemaakt kunnen worden, Klager meent dat betrokkene in dit opzicht de grens van geoorloofde journalistiek heeft overtreden. Klager beschikt niet, gelijk betrokkene in zijn verweerschrift zegt , over " gelijke wapenen". Men kan, zo meent hij, indien men op de wijze waarop betrokkene dat deed wordt aangevallen, zichzelf niet in een antwoordartikel verdedigen zonder in een ongunstige, zich verontschuldigende positie te geraken, zelfs wanneer zo'n artikel een gelijke plaats en opmaak gekregen had als betrokkenes column. Betrokkene beaamt dit. Klager zegt ook nog, dat op zo'n reactie zijnerzijds een polemiek zou hebben kunnen volgen waarin onduidelijk zou blijven wie nu eigenlijk gelijk had. Klager wenst een oordeel te verkrijgen van een onpartijdige instantie over het naar zijn mening onbehoorlijk journalistiek gedrag van betrokkene.

Tijdens de hiervoor weergegeven bespreking van klagers grieven deelt betrokkene mede, dat hij er behoefte aan heeft te verklaren, dat zijn artikel in Het Parool, ook al staat hij achter de feitelijke weergave, toch achteraf beschouwd onder menselijk gezichtspunt tekort doet aan de persoon van de klager; betrokkene betreurt dat. Het ging betrokkene ook niet om de persoon van klager; het ging hem meer om de functie. Betrokkene meent dat een programmacommisaris als klager zich in een dualistische positie bevindt, welke door klager overigens voortreffelijk wordt vervuld. Betrokkene heeft zijn aanval echter hoofdzakelijk willen richten op de structurele aspecten en problemen van de omroepwet en de toepassing daarvan in de praktijk. Deze problemen blijven bestaan ongeacht personen en dienen steeds in de pers belicht te worden. Betrokkene blijft bij zijn mening dat bij de toepassing van de omroepwet in de praktijk, sprake is van een fundamenteel conflict tussen de belangen van de NOS en die van de afzonderlijke omroepen. Dit conflict illustreerde hij onder meer aan de geschiedenis van het journaal. Naar de mening van betrokkene is heb dit belangenconflict dat mensen als klager er telkens toe dwingt, met de ene hand af te breken wat zij met de andere hand opbouwen. In mensen als klager vindt men de personifiëring van deze problemen. In dit verband neemt betrokkene ook terug, waar hij in zijn verweerschrift heeft gezegd dat klager de belangen van de met en aan hem verknochte zuil, de VARA, herhaalde malen zwaarder heeft laten wegen dan die van de NTS of NOS. Betrokkene wil hier niet doelen op de VARA, maar op de omroepen. Betrokkene geeft toe dat enkele door hem vermelde en door klager bestreden feiten wellicht niet helemaal juist zijn. Bij het schrijven over en becommentariëren van wat zich in de omroepwereld afspeelt, bevindt de journalist zich echter in een bijzonder moeilijke situatie. Het natrekken van informatie wordt in het bijzonder bemoeilijkt door het feit dat vele vergaderingen in de NOS en elders besloten zijn. Betrokkenes column in Het Parool, waarvan het onderhavige artikel een aflevering is, bedoelt een mengeling te zijn tussen informatieverschaffing aan de lezer en opiniërende beschouwingen. Betrokkene baseert zich in dit en andere artikelen bij het geven van informatie en opinie onder meer op datgene dat door anderen in kranten en tijdschriften over de omroepwereld gepubliceerd wordt.

Betrokkene heeft zich dan ook bij het schrijven van dit artikel uitvoerig gedocumenteerd en legt een deel van deze documentatie aan de Raad en aan klager over. Omdat echter betrokkene zijn rubriek in Het Parool niet in de eerste plaats en uitsluitend ziet als een informatieve rubriek,gaat hij niet zo ver dat hij datgene dat door hem uit zijn documentatie geput wordt, nog eens natrekt bij de meest betrokken personen.

OVERWEGINGEN

De Raad kan het met betrokkene eens zijn dat een rubriek als die in Het Parool vaak gebaseerd is op reeds bekende feiten en dat de schrijver bij zijn interpretatie daarvan en commentaar daarop niet zelden moet uitgaan van informatie uit de tweede hand. Maar dit ontslaat de schriJver niet van een bijzondere plicht tot zorgvuldigheid ten aanzien van de uitgangsgegevens, welke zorgvuldigheid vooral in acht moet worden genomen als er reputaties van personen in het geding zijn. Deze zorgvuldigheid is door betrokkene in zijn artikelen uit het oog verloren. Indien betrokkene over informatie beschikte welke bezwarend was voor de persoon van klager, dan had hij deze informatie ofwel deugdelijk moeten natrekken ofwel niet moeten gebruiken. Betrokkene is er niet in geslaagd aan te tonen, dat hij voldoende heeft ondernomen tot verificatie van zijn informatie bij de daarbij direct betrokken personen. De Raad betreurt dan ook dat betrokkene niettemin die informatie heeft gebruikt, te meer omdat zulks voor de strekking van zijn betoog niet noodzakelijk was.

BESLISSING

De betrokkene heeft onzorgvuldig gehandeld. Het is, anderzijds, te waarderen dat betrokkene ter zitting ruiterlijk verklaard heeft, dat in zijn artikelen sprake was van een al te persoonlijke aanval op klager met gebruikmaking van informaties welke niet altijd voldoende door hem werden geverifieerd.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 17 november 1970 door Prof. Mr. Ch.J. Enschede, voorzitter, Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikker, Mr. A. Stempels en Drs. L.F. Tymstra, leden , in tegenwoordigheid van Mr. A.H.J. Swart, plv. secretaris.

RvdJ 1970, 6