1970/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Drs. J.M.M. van der Pluym tegen Mr. G B.J. Hiltermann.

Drs. J.M.M. van der Pluym, hoofdredacteur van de Volkskrant, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 12 januari 1970 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen Mr. G.B.J. Hiltermann, journalist te Amsterdam, hierna te noemen betrokkene. Na een voorlopig onderzoek heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld op de zitting van 16 november 1970. Aldaar zijn verschenen de klager, bijgestaan door Mr. H.M. Voetelink, advocaat te Amsterdam, en betrokkene.

KLACHT

Klager stelt, zakelijk weergegeven, de volgende feiten. Betrokkene heeft op zondag 12 oktober 1969 in zijn wekelijkse radiopraatje "De toestand in de wereld" de Volkskrant " rondweg anti-semitisch, althans anti-Israël" genoemd en gezegd dat zij inzake Israël geheel onjuiste voorlichting heeft gegeven. De hoofdredactie van de Volkskrant voelt zich door deze uitlating althans zeker het eerste deel daarvan gegriefd, terwijl ze het tweede deel onwaar acht. Ze heeft een kort geding aangespannen om betrokkene te bewegen alleen het eerste deel in te trekken. Ook de uitlating in zijn geheel wordt door de hoofdredactie als onaanvaardbaar ervaren, omdat er de suggestie in opgesloten blijft liggen van anti-semitisme. Ze beschouwt de mededeling als een rechtstreekse aanval op haar journalistieke integriteit, waarover zij de raad vraagt een oordeel uit te spreken t a.v. de schadelijkheid voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

TEKST

Van het radiopraatje bestaat geen geschreven tekst, daar betrokkene, zoals hij meedeelt, gewoon is zijn voordrachten aan de hand van aantekeningen te houden, Beide partijen hebben een transcriptie opgesteld van het gesprokene. De twee versies wijken op een aantal ondergeschikte punten van elkaar af doch zijn wat betreft de betwiste bewoordingen vrijwel gelijkluidend, De tekst luidt ongeveer als volgt:

"Over alle grote spannende, gevaarlijke kwesties is het nieuws afgelopen week nogal bemoedigend: Rusland en China gaan hun meningsverschillen over beider grens bespreken, Moskou heeft concreet en realistisch gereageerd op westerse ouvertures om de situatie rond Berlijn gevaarlozer te maken, de Egyptenaren beweren bereid te zijn tot een soort overleg met Israël waar dit land wel genoegen mee kan nemen en er zijn geruchten en indicaties, dat Noord-Vietnam iets meer geneigd is zich bij een compromis neer te leggen. Een mooie nazomer, ook in de politiek dus, behalve voor president Richard Nixon, die - bijna van de ene dag op de andere - in een stevige politieke malaise terecht is gekomen.
...Vandaag wel iets meer over Israeli's en Arabieren, naar aanleiding van suggesties van Egyptische zijde in New York en later ook uit Kairo, om overleg te beproeven met de z.g. Rhodos-formule. Dat doelt op besprekingen op het mooie historische eiland Rhodos, een der heerlijkste eilanden ter wereld, gehouden in 1949 na de eerste ronde in de oorlog tussen Israëli's en Arabieren op last van de Verenigde Naties, ter regeling van een wapenstilstand. Het waren indirecte besprekingen in theorie, dus dat wat Israël niet wil. Beide delegaties logeerden in hetzelfde hotel en confereerden aan één grote tafel, maar spraKen - aanvankelijk - niet rechtstreeks met elkaar maar voerden het woord via Ralph Bunche van de V.N.. Van lieverlee veranderde dat natuurlijk en de belangrijkste beslissingen zijn tenslotte genomen na rechtstreeks en direct formeel en informeel overleg. Vandaar dat toen Mahmoed Riad, de Egyptische minister van buitenlandse zaken, in New york deze Rhodos-formule suggereerde, de Israëli's ogenblikkelijk positief hebben gereageerd. Ik zeg dat met zekere nadruk omdat in ons land o.a. de Volkskrant zozeer de vergoeilijker voor het communisme is geworden dat deze Katholieke krant ook rondweg anti-semitisch althans anti-Israël is geworden, en op dit punt geheel onjuiste voorlichting geeft."

GANG VAN ZAKEN

Twee dagen na het radiopraatje van betrokkene heeft op 14 oktober in de uitzending van AVRO's televisierubriek Televizier een discussie plaatsgevonden tussen klager en betrokkene, die echter niet tot een wijziging van beider standpunten leidde Daarop publiceerde de Volkskrant op 15 oktober een artikel " De misvatting Van Mr. Hiltermann" met een weerlegging van diens uitlating. Op 17 oktober heeft de Volkskrant aan de pers bekend gemaakt dat tegen betrokkene een kort geding aanhangig zou worden gemaakt en dat een klacht tegen hem zou worden ingediend bij de Raad voor de journalistiek. Bij brief van 20 oktober heeft klager's raadsman betrokkene verzocht de woorden "rondweg anti-semitisch" in zijn volgende radiopraatje terug te nemen, daar dit anders in kort geding zou worden afgedwongen. Betrokkene stelt, zijn raadsman te hebben laten antwoorden dat hij in overleg bereid was een formule vast te stellen die voor beide partijen aanvaardbaar zou kunnen zijn. Klager stelt geen antwoord te hebben ontvangen op de brief van zijn raadsman. Het kort geding vond plaats op 3 november, waarbij betrokkene ter ondersteuning van zijn standpunt een elftal knipsels uit de Volkskrant overlegde. In de uitspraak, die op 7 november werd gedaan, weigerde de President van de Amsterdamse rechtbank de gevraagde voorzieningen, o.a. het uitspreken door betrokkene van een rectificatie voor de radio zonder commentaar in dezelfde uitzending, en het publiceren van het vonnis in de Volkskrant tegen het geldende advertentietarief op kosten van betrokkene. Op 8 november verscheen in de Volkskrant een artikel " Elf bewijzen", waarin de bezwaren van betrokkene tegen elk der elf ter terechtzitting overgelegde knipsels verkort werden weergegeven, gevolgd door een weerlegging door de Volkskrant. Het door klager tegen de uitspraak van de President ingestelde hoger beroep werd op 12 december behandeld door het Gerechtshof, dat op 8 januari uitspraak deed, waarbij betrokkene o.a. veroordeeld werd tot het uitspreken in zijn eerstvolgende radiopraatje van de mededeling dat het Hof beoordeeld had dat zijn uitlating dat de Volkskrant anti-semitisch is geworden, achterwege had moeten blijven daar zij - aldus de samenvatting in de verplichte mededeling - geen rechtvaardiging vindt in de berichtgeving van die krant waarop hij zich in het kort geding had beroepen. Op 12 januari 1970, daags na het radiopraatje waarin betrokkene deze mededeling voorlas, heeft klager zich met bovenvermelde klacht tot de Raad gewend.

VERWEER

In het kader van zijn verweer stelt betrokkene dat klager een in de publicistiek ongebruikelijke weg heeft ingeslagen door niet te willen polemiseren maar procederen. Klager is pas ingegaan op betrokkene's concrete bezwaren nadat de President uitspraak had gedaan in kort geding en hij heeft zich eerst tot de Raad voor de Journalistiek gewend, het gespecialiseerde forum bij uitstek voor journalistieke geschillen, nadat de gewone rechter in hoger beroep uitspraak had gedaan. Betrokkene betreurt dat zeer en acht dit in strijd met de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. Hij stelt o.m. de preliminaire vraag of de Raad zich nu gebonden acht aan de rechterlijke uitspraken, m.a.w. welke competentie de Raad heeft nu de materie van klacht identiek is aan die de dagvaarding in kort geding. Verder volstaat betrokkene met te verwijzen naar hetgeen namens hem is te berde gebracht tijdens de behandeling in de twee instanties van het kort geding. Hij legt daartoe de conclusie van antwoord in eerste aanleg, en de memorie van grieven en de pleitnota in hoger beroep over aan de Raad.

ZITTING

De behandeling van de zaak wordt ingeleid met de mededeling van de voorzitter dat de Raad zich competent acht de klacht te behandelen, tenzij ter zitting andere gezichtspunten naar voren mochten komen. Partijen betwisten desgevraagd de competentie van de Raad niet.

Klager zegt ter verduidelijking van zijn standpunt, dat hij niets voelde voor een polemiek zolang de z.i. beledigende uitlating "rondweg anti-semitisch" niet was teruggenomen. Nu betrokkene daartoe niet bereid bleek - klager heeft tenminste geen teken van bereidheid van de betrokkene noch van diens raadsman vernomen - zag klager geen andere mogelijkheid dan het kort geding om hem daartoe te brengen en een herhaling van deze beschuldiging te voorkomen. Hij heeft gewacht met het indienen van een klacht voor de Raad uitsluitend omdat de Raad geen bevoegdheid heeft tot de door hem gezochte voorziening en bovendien omdat het kort geding naar verwachting een snel verloop zou hebben. Voorts is de Volkskrant wel degelijk ingegaan op de zakelijke merites van het meningsverschil, n.l. in zijn artikel " De misvatting van Mr. Hiltermann" van 15 oktober. De sympathie en bewondering die ook de Volkskrant voor Israël koestert, betekent echter niet dat ze daarom kritiekloos tegenover dit land zou staan. In geval van conflict streeft zij ernaar, altijd zoveel mogelijk het standpunt van beide partijen weer te geven. Klager stelt dat het dan zeer wel mogelijk is, uit een krant over een lange periode knipsels te verzamelen die één bepaald aspect van een zaak naar voren brengen , doch dat dit geen beeld geeft van de berichtgeving in zijn geheel. Klager ontkent dat deze anti-Israël gekleurd was en dat de elf knipsels betrokkene's beschuldiging van " geheel onjuiste berichtgeving" rechtvaardigen. Indien betrokkene beoogd heeft met de toevoeging "althans antiIsraël" een beperking aan te brengen op de kwalificatie " anti-semitisch", dan wordt dit geheel teniet gedaan door de vooropstelling van " rondweg". Zelfs al zou de stelling van betrokkene, dat het tegenwoordig mogelijk is het woord anti-semitisch minder beladen en meer genuanceerd te verstaan dan een aantal jaren geleden, juist zijn, dan is toch de gehele uitlating "rondweg anti-semitisch althans antiIsraël" bij de radioluisteraar niet aldus genuanceerd overgekomen, getuige de reacties van de pers op 13 oktober.

Betrokkene blijft bij zijn standpunt dat er geen reden was voor het vragen van spoedeisende voorzieningen voor de gewone rechter. Hij was bereid tot overleg over een formule ter verduidelijking van zijn uitlating in die zin dat de Volkskrant door zijn gekleurde berichtgeving de schijn heeft gewekt anti-semitisch te zijn. Deze bereidheid heeft hij ook door zijn raadsman laten overbrengen, maar het bleek dat klager's raadsman slechts genoegen wilde nemen met een intrekking van de uitlating "rondweg anti-semitisch" door betrokkene. Daartoe was en is hij niet bereid omdat hij meent dat hetgeen hij zei juist was. Er is hier een meningsverschil over punten van zakelijke politiek waarvoor een polemiek de aangewezen weg is.
Als het tot een polemiek was gekomen, zou betrokkene hebben aangevoerd dat men iemand anti-semitisch kan noemen zonder beledigend te zijn, omdat dit woord niet meer zo beladen is als vroeger en omdat er vele gradaties van anti-semitisme zijn (aldus b.v. Mr. Abel Herzberg). De Volkskrant heeft twee uitgangspunten; Israël is een staat als een andere en dus ook onderhevig, aan kritiek, en: wij willen ook aandacht besteden aan het standpunt van de Arabieren. Betrokkene betoogt dat beide onjuist zijn. Israël is een staat waaraan men op grond van zijn wordingsgeschiedenis en zijn zozeer met de onze verweven geloof en cultuur niet dezelfde maatstaven mag aanleggen als een andere. Wat het Arabische standpunt betreft, dat omvat slechts een negatie van Israël, die uiteindelijk moet leiden tot haar vernietiging als staat. Het is misleidend het voor te stellen alsof er zo twee visies tegenover elkaar kunnen worden gesteld. Wel zijn er een Israëlische en een Arabische werkelijkheid die tegenover elkaar staan; een bepleiten van het Arabische standpunt kan dan alleen gebeuren door van de Arabische situatie zelf uit te gaan en niet door te opponeren tegen Israël. Het was niet de bedoeling van betrokkene om elke kritiek op Israël te veroordelen, maar wel om te wijzen op een gekleurde berichtgeving over een langere periode. Illustratie daarvoor zijn niet alleen de knipsels die betrokkene aan de Raad overlegt, maar er waren talloze indicaties waaruit zijn opvatting is ontstaan dat de Volkskrant een stemming kweekte tegen Israël. De vraag of dit nu antisemitisch mag heten, beantwoordt betrokkene bevestigend. Hij acht het onwezenlijk het verband te ontkennen dat b.v. in Rusland en Polen maar ook elders blijkt te bestaan tussen een anti-Israëlische houding en het anti-zionisme en anti-semitisme. Wel is het denkbaar anti-Israël zonder anti-semitisch te zijn, zo b.v. Prof. Toynbee en Generaal de Gaulle, Maar de berichtgeving van de Volkskrant kan zo niet worden gezien, zeker niet wanneer men deze beschouwt in verband met de vergoelijkend houding van deze krant tegenover het communisme. Betrokkene heeft de toevoeging "althans anti-Israël" inderdaad, overeenkomstig het spraakgebruik, bedoeld als een afzwakking van het voorgaande.

OVERWEGINGEN

1. competentie

De competentie van de Raad is door partijen ter zitting niet aangevochten. Wel heeft betrokkene er bij herhaling op aangedrongen dat de Raad zich vooraf afzonderlijk over zijn competentie zou uitspreken. De Raad heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn competentie bij de behandeling van de klacht zelve aan de orde behoorde te komen, niet alleen op de formele grond dat het reglement in een afzonderlijke behandeling van de competentie niet voorziet, maar vooral omdat bij de behandeling van de hoofdzaak dingen naar voren kunnen komen, die voor de beoordeling van de competentie van belang kunnen zijn. De aarzeling van betrokkene op dit punt vloeit voort uit zijn opvatting dat de behandeling van de klacht door de Raad na het kort geding voor de President van de Rechtbank en in beroep voor het Hof slechts een herhaling in derde instantie zou zijn. De Raad deelt deze opvatting niet. Krachtens het reglement heeft de Raad te beoordelen of het optreden van betrokkene schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. Uiteraard zal de Raad wanneer de zaak in behandeling komt nadat daaraan twee civielrechtelijke vonnissen, nog wel met tegengestelde strekking, zijn voorafgegaan, daarvan kennis nemen, maar de Raad heeft andere , eigensoortige normen te hanteren. In abstracto gesproken zou het kunnen voorkomen dat, wanneer de civiele rechter een gedraging onzorgvuldig, en dus onrechtmatig acht, de Raad deze niet laakbaar en zelfs prijzenswaardig vindt. De Raad, de zorgvuldigheidsnorm hanterende, doet dit in de journalistieke context, waarbij andere verantwoordelijkheden en andere verhoudingen meespelen dan in een geding voor de civiele rechter noodzakelijkerwijs het geval zal zijn. De rechter oordeelt over het belang, van de gewone burger, terwijl de Raad mede het hogere belang dat de journalist heeft te dienen in zijn oordeel moet betrekken. Nadat de voorzitter het voorlopig onderzoek had gesloten en de zaak naar de Raad had verwezen, is deze in raadkamer tot de voorlopige conclusie gekomen dat aan zijn competentie niet behoeft te worden getwijfeld. Deze conclusie was een voorlopige omdat het denkbaar is dat bij de openbare behandeling van feiten en omstandigheden zou blijken die tot een andere conclusie zouden moeten leiden. Dit is bij de behandeling van deze zaak niet het geval geweest.

2. Kort geding

Het staat voor de Raad vast dat klager van het begin af aan het voornemen heeft gehad de zaak ook bij de Raad aanhangig te maken. Het ware intussen naar het oordeel van de Raad juister geweest wanneer de klager dit tegelijk met het aanspannen van het kort geding had gedaan. Door eerst de uitspraken van de burgerlijke rechter af te wachten heeft hij de vrijheid van de Raad om zelf het tijdstip van behandeling van de klacht te bepalen beperkt. Klager heeft het aanspannen van een kort geding o.a. gemotiveerd door aan te voeren dat hij voor het geval betrokkene voort zou gaan zich op de geincrimineerde wijze te uiten, beoogde te voorkomen dat De Volkskrant nog meer schade zou lijden en dat hij daarom vastgesteld wilde zien dat betrokkene onrechtmatig had gehandeld en hem een verbod opgelegd wilde hebben om zich verder in deze geest te uiten. De Raad acht deze motivering weinig overtuigend, omdat niet is aangetoond dat er werkelijk ernstige materiële schade voor De Volkskrant dreigde en het uitermate onwaarschijnlijk lijkt dat betrokkene de bedoeling heeft gehad De Volkskrant op deze wijze te blijven attaqueren, terwijl de aard en de duur van zijn radiotoespraken zich daartoe minder leent, indien hij althans de aandacht van de luisteraars niet op het spel wil zetten. Bovendien heeft betrokkene duidelijk laten blijken van zijn bereidheid met de klager te praten om in gezamenlijk overleg te zoeken naar een formule die de bezwaren van klager zou kunnen ondervangen. De Raad heeft de indruk gekregen dat klager op dat moment niet meer terug kon of wilde. Naar de mening van de Raad valt dat te betreuren omdat een regeling in onderling overleg waarschijnlijk meer in overeenstemming met de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten zou zijn geweest, De Raad heeft er overigens begrip voor dat klager zijn strategie niet door betrokkene wilde laten bepalen, maar klager is er niet in geslaagd overtuigend aan te tonen waarom hij aan deze strategie hardnekkig vast wilde houden.

3. De hoofdzaak

Overgaande tot de hoofdzaak wenst de Raad met nadruk voorop te stellen dat naar zijn mening de uitlatingen van betrokkene beoordeeld moeten worden in de totale samenhang van zijn radiotoespraak. De Raad heeft er dan ook bezwaar tegen enig onderdeel daaruit te lichten en afzonderlijk te beoordelen en eveneens een verband dat opzettelijk is gelegd te veronachtzamen. Anders is het wanneer men het enkele gebruik van het woord "antisemitisch" los van het verband waarin het werd gebruikt, en van de bedoeling waarmee het werd gebezigd , op zichzelf al volstrekt ontoelaatbaar acht. Dat is niet het standpunt van de Raad en daarom kan hij zich ook niet verenigen met de ontkoppeling van de door betrokkene gebezigde toevoeging "Althans anti-Israël`', een toevoeging waarin de Raad wel degelijk een relativering van de voorafgaande kwalificatie "anti-semitisch" ziet. De Raad is zich ervan bewust dat het woord " anti-semitisch" toch nog wel zodanig belast is dat men, als men het toch gebruikt, daarvoor gegronde redenen moet kunnen aanvoeren.

Betrokkene heeft ter zitting in een uitvoerig betoog uiteengezet dat die redenen naar zijn mening voor hem inderdaad aanwezig waren. Sprekend over de toestand in het Midden-Oosten heeft betrokkene laten blijken dat hij de omstandigheid dat beide partijen bij het conflict in het Midden-Oosten bereid waren het overleg te heropenen op de basis van de z.g. Rhodos-formule een stap vooruit zou vinden. Hij deed dat kennelijk in polemische zin, zich richtend tegen degenen die hierover anders denken. Hij noemde in dit verband bij name de Volkskrant. Deze katholieke krant was, zo zei hij met een zekere nadruk, zozeer de "vergoelijker van het communisme" geworden dat zij niet alleen onjuiste voorlichting gaf maar bovendien daardoor rondweg anti-semitisch, althans anti-Israël was geworden. Het kost de Raad weinig moeite een kritisch oordeel over deze uitlatingen te geven. De Raad vindt het minder fraai dat betrokkene door te zeggen " o.a. de Volkskrant" suggereert dat andere kranten hetzelfde doen, maar deze door hen niet bij name te noemen de mogelijkheid ontneemt zich tegen zijn beschuldiging te verweren.

De kwalificatie "vergoelijker van het communisme", waartegen klager overigens geen bezwaar heeft gemaakt, had om werkelijk duidelijk te zijn breder omschreven moeten worden. Dat zelfde geldt voor de uitlating "rondweg anti-semitisch, althans anti-Israël". Kortom, betrokkene heeft, kennelijk geïrriteerd door een artikel in de Volkskrant van de vorige dag, in een kort bestek te veel willen zeggen. Naar de mening van de Raad zou hij, in tijdnood geraakt, er verstandiger aan hebben gedaan deze uitlatingen, die wel misverstanden moesten oproepen, in deze radiotoespraak achterwege te laten om er bij een volgende gelegenheid breder gemotiveerd en toegelicht op terug te komen. De Raad is evenwel niet van mening dat betrokkene net deze uitlatingen de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten heeft geschaad. Het is wanneer hij naar zijn mening gevaarlijke ontwikkelingen in de voorlichting over het conflict in het Midden-Oosten ziet, zijn goed recht deze als journalist te signaleren en te bestrijden. Betrokkene heeft zich in zijn pleidooi voor de Raad, voor zover nog nodig, leren kennen als een uitnemend kenner van de verhoudingen in het Midden-Oosten. Hij weet waarover hij het heeft en daarom is het jammer dat hij het slot van zijn radiotoespraak niet uitvoeriger heeft gemotiveerd.

4. Heeft het zin alsnog naar een andere formule te zoeken?

De waarnemend-voorzitter van de Raad, die de zitting presideerde, heeft aan het einde van de openbare behandeling partijen nog geconsulteerd over de vraag of zij er voor zouden voelen alsnog in samenwerking met de Raad te zoeken naar een formule waarover zij beiden tot overeenstemming zouden kunnen komen, teneinde het geschil daarmee af te sluiten. Hij opperde deze mogelijkheid omdat hij de indruk had gekregen dat het niet moeilijk zou zijn het hierover eens te worden, en bracht in dat verband voor de passage uit de radiotoespraak van betrokkene, die het meest aanstoot had gegeven, de volgende redactie ter tafel: "Ik zeg dit met zekere nadruk, omdat in ons land de neiging om de tegenstellingen met het communisme te overbruggen zó sterk leeft, dat b.v. de Volkskrant geen oog heeft voor het gevaar daarmee te vervallen in anti-semitisme of in een anti-Israël houding" De reactie van klager op de mogelijkheid van nader overleg was positief, die van betrokkene aarzelend, ofschoon hij verklaarde dat de gewijzigde redactie van zijn uitspraak inderdaad wel zijn bedoeling weergaf.

BESLISSING

De Raad heeft los van de reactie van partijen bij nadere overweging eenstemmig besloten deze weg niet in te slaan, enerzijds omdat de behandeling van de zaak daarvoor reeds in een te ver gevorderd stadium was gekomen, en anderzijds omdat de journalistiek als zodanig wellicht met een uitspraak ten principale gediend zou zijn.
De Raad verklaart derhalve de klacht ongegrond. Deze uitspraak moet intussen gelezen worden in het verband van en in samenhang met alle overwegingen hiervoor vermeld.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging v&n Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 16 november 1970 door Mr. G.E. van Walsum waarnemend voorzitter, Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers, Mr. A. Stempels en Drs. L.F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K. Helder als secretaris.

RvdJ 1970, 5.