1970/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake R.S. Killian tegen B. Lulofs en de Hoofdredactie van de Courant Nieuws van de Dag en De Telegraaf.

De keer R.S, Killian, wethouder te Gorinchem, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 13 januari 1970 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen B. Lulofs, journalist bij De Telegraaf en bij De Courant Nieuws van de Dag, alsmede tegen de hoofdredacties van beide dagbladen, hierna te noemen betrokkenen.

Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkenen een verweerschrift indienden, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 12 november 1970 waar is verschenen klager, bijgestaan door Mr. M.G. Mulder-Vonkenberg, advocaat te Gorinchem. Tegen betrokkenen, voor wie H. Goeman Borgesius als plv. hoofdredacteur op de oproep voor de zitting heeft bericht dat geen der betrokkenen ter zitting aanwezig zou zijn, en die niet zijn verschenen, heeft de Raad verstek verleend.

KLACHT

De klacht heeft betrekking op een tweetal artikelen van de hand van betrokken Lulofs. Het eerste artikel verscheen in het dagblad De Telegraaf van zaterdag 25 oktober 1969; het tweede in het dagblad De Courant Nieuws van de Dag van vrijdag 7 november 1969, Het begin van het artikel in De Telegraaf d.d. 25.11.1969 luidt als volgt:

" Een stadje in Nederland. De wethouder van Sociale Zaken en Volkshuisvesting is ook grossier in tabaksartikelen. Hij is eveneens "huisbaas" van een sigarenwinkelier(tje), die zijn rookwaren -uiteraard bij de grossierderij van de huisbaas moet betrekken.Het winkeliertje ziet op een gegeven ogenblik niet langer brood in zijn winkeltje. De huisbaas/wethouder weet een ander sigarenwinkeliertje voor het vrijkomende pandje te interesseren. Er is een maar. De nieuwe man moet namelijk de vordering die de grossier wethouder op het vertrekkende winkeliertje heeft overnemen. Het is een bedrag van ongeveer f 6.000,-, het nieuwe winkeliertje heeft het geld niet. Hij valt als halfinvalide zelfs onder de bijstandsregeling van de gemeente. De grossier/wethouder verplicht hem bovendien ook nog voor f 50.000,- per jaar rookartikelen af te nemen, dat is c.a. f 1.000,-per week. De grossier weet wel een oplossing. Zijn nieuwe huurder-afnemer moet maar een renteloos voorschot aanvragen bij de Gemeentelijke Dienst voor Sociale Zaken. De grossier is toch ook wethouder van Sociale Zaken, nietwaar? Ook zal hij er voor zorgen dat de bijstand voorlopig wordt doorbetaald, alhoewel de nieuwe winkelier er door zijn inkomen uit het sigarenwinkeltje niet meer voor in aanmerking komt."

VOORSPEL

De overeenkomst wordt gesloten. De zaak lijkt in kannen en kruiken. Lijkt. Want één man in Gorkum steekt er een stokje voor. De directeur van Sociale Zaken. Hij wil deze zaak -net als alle andere- eerst wel eens op haar merites bekijken. Hij neemt niets voetstoots aan. Zelfs niet van "zijn" (aan)dringende wethouder.De bom barst. Op een voor de wethouder ongelukkig moment loopt deze de kamer van "zijn" directeur binnen. Hij schreeuwt: "Hoe staat het nu met die aanvragen. Ik wil mijn zesduizend gulden wel eens terugzien". Toen waren de poppen aan het dansen. Ze dansen nog. Het stadje heet Gorkum. De wethouder R.S. Killian (KVP). Het is het voorspel in de zaak Van Rappard". Iets verder vervolgt het artikel: " Het ambtsmisbruik van wethouder Killian staat gedetailleerd in een rapport,dat door de directeur Sociale Zaken aan burgemeester en Wethouders is uitgebracht. Dit is de kern: " Wethouder Killian gaf geheel buiten mij om de administrateur de opdracht om de uitbetaling van de bijstand nog voor half zes uit te voeren. Ik verbood de ad administrateur daaraan gevolg te geven".
Wethouder Killian stelt dan "zijn" directeur in staat van beschuldiging "insubordinatie"." Betrokkene schrijft dan dat door de burgemeester van Gorkum Mr. L.R.J. ridder Van Rappard is getracht de kwestie geruisloos op te lossen. De burgemeester heeft klager geadviseerd als wethouder terug te treden. Klager is hierop niet ingegaan maar heeft het aan laten komen op een behandeling van het conflict in de openbare raadsvergadering van de gemeenteraad van 13 oktober 1969. In deze raadsvergadering werd door de burgemeester een veroordeling uitgesproken over het handelen van klager. Dankzij het feit echter dat klager, naar betrokkene stelt, de stemming in de raad net zo goed had voorbereid als Indonesië het referendum onder de Papoea's in westelijk Nieuw Guinea, werd een motie aangenomen met de inhoud dat "niet is aangetoond dat de integriteit van wethouder Killian is aangetast". Betrokkene stelt vervolgens dat klager in dezelfde raadsvergadering het conflict heeft aangegrepen tot een aanval op de persoon van de burgemeester. Elf van de raadsleden zegden in de vergadering hun vertrouwen in de burgemeester op. De rollen werden aldus omgedraaid: de aanklager werd aangeklaagde, de aangeklaagde aanklager. Klager bereikte door zijn optreden dat de minister van Binnenlandse Zaken een onderzoek instelde naar het optreden van de burgemeester in dit conflict en bij andere gelegenheden. In het artikel van betrokkene in De Courant Nieuws van de Dag d.d. 7.11.1969 gaat betrokkene nader in op twee vergaderingen van het college van B.en W. van Gorkum die voorafgingen aan de raadsvergadering van 13 oktober 1969. Citerend uit de vertrouwelijke notulen van deze vergaderingen betoogt betrokkene dat deze notulen vernietigend zijn voor de persoon van klager en dat eruit duidelijk blijkt dat klager op ontoelaatbare wijze zijn privébelangen heeft vermengd met de gemeentelijke belangen.

Klager zegt in ernstige mate gegriefd te zijn door de beide artikelen. Klager stelt dat in de beide artikelen vele onjuistheden voorkomen. Begin 1969 werd klager benaderd door een sigarenwinkelier met het verzoek aan hem een sigarenwinkel te verhuren die eigendom van klager was en op dat moment door de toenmalige huurder verlaten werd. Deze winkel lag enkele huizen verder in dezelfde straat waar de winkelier zijn eigen zaak had. Er kwam een huurovereenkomst tot stand onder de volgende voorwaarden. De winkelier zou het restant van de voorraad van de vorige huurder overnemen, hetgeen een alleszins gebruikelijke voorwaarde genoemd mag worden bij transacties als deze. Klager heeft niet bedongen dat de winkelier voortaan alle artikelen van klager zou afnemen; de winkelier zou alleen dan van klager artikelen betrekken wanneer hij er in zou slagen de omzet van zijn voorganger te behouden naast de omzet die hij in zijn oude zaak maakte. Ook tussen de winkelier en de oude huurder kwam een overeenkomst tot stand. Hierbij verplichtte de winkelier zich tot overname van de inventaris van de winkel en de goodwill tot een bedrag van f 7.000,--. De winkelier die invalide is, genoot op dat moment een bijstandsuitkering van de gemeente. Aangezien de winkelier niet over het bedrag van f 7.000, beschikte, zou dit geleend moeten worden. Klager bood hem een krediet aan, maar de winkelier gaf er de voorkeur aan een renteloos voorschot aan te vragen bij de gemeente. Dit renteloos voorschot betrof dus niet een vordering van klager op de winkelier. Omdat de winkelier invalide was, heeft klager voor hem in april 1969 het verzoek overgebracht aan de directeur van Sociale Zaken, hieraan toevoegende dat hij zich persoonlijk buiten de zaak wenste te houden. De directeur van Sociale Zaken verklaarde bij die gelegenheid dat over het verzoek een advies moest worden aangevraagd aan het gemeentelijk borgstellingsfonds, nu klager te nauw bij de zaak betrokken was. Dit fonds heeft gunstig op het verzoek geadviseerd.

De beslissing op het verzoek van de winkelier bleef echter maandenlang uit. Intussen had de winkelier op andere wijze middelen vrij gemaakt om de overname van inventaris en goodwiLl te betalen. Hiermee ontstond een situatie die bij de indiening van het verzoek niet voorzien was. Begin augustus 1969 vernam klager dat nog steeds niet beslist was op het verzoek en dat intussen ook de bijstandsuitkering door de gemeente was stopgezet. Aangezien de winkelier hierover zeer verontrust was maar zelf niet durfde optreden uit vrees voor Zijn positie, heeft klager besloten om in het belang van de winkelier op te treden. Naar de mening van klager was de directeur van Sociale Zaken niet bevoegd eigenmachtig de uitbetaling van de bijstandsuitkering stop te zetten zonder dat daartoe een officiële beslissing vanwege de gemeente werd genomen. Klager achtte het zijn plicht de directeur van Sociale Zaken op diens onbevoegd handelen te wijzen. Klager geeft toe dat hij in het gesprek met de directeur gezegd heeft dat hij zijn f 6.000,- wel eens terug wilde zien, maar de bedoeling van deze uitlating was enkel te voorkomen dat de woede van de directeur zich eventueel zou ontladen op de winkelier, zoals deze laatste vreesde.

In het artikel van betrokkene Lulofs in de Courant Nieuws van de Dag wordt onder meer ten onrechte gesteld dat klager de directeur van Sociale Zaken gesmeekt zou hebben de zaak in de doofpot te stoppen, het betreft hier niet alleen een onjuiste weergave van de feiten, naar bovendien is dit uit de notulen van de bewuste vergaderingen van het college van B. en W niet te lezen. Klager meent dat de betrokkene zich hier baseert op wat de burgemeester hem in een interview toever- trouwde. Klager stelt dat de betrokkene zich bewust beperkt heeft tot het weergeven van de voor klager ongunstige visie van de burgemeester op de gerezen moeilijkheden. Met opzet heeft de betrokkene alles wat door klager of anderen ten gunste van klager naar voren is gebracht, in zijn artikel genegeerd.

Klager meent dat in de beide artikelen een aantal onwaarheden voorkomen en dat bewust een eenzijdig en vertrokken beeld van de situatie is gegeven met de bedoeling de reputatie van klager voor de buitenwereld te breken. Betrokkene heeft in een conflict waarin twee partijen tegenover elkaar stonden, zich uitsluitend beperkt tot de weergave van de visie van de ene partij. Betrokkene heeft ook nagelaten zijn informa- tie bij de andere partij of bij derden na te trekken.

Klager merkt tenslotte op dat hij op 6 november 1969 een brief heeft gestuurd aan de hoofdredactie van De Telegraaf, waarin hij een aantal door de betrokken gememoreerde feiten weerlegt. Ondanks klagers verzoek, is de hoofdredactie niet tot plaatsing van deze brief in de Telegraaf overgegaan.

VERWEER

In hun verweerschrift geven betrokkenen een overzicht van de stukken die door betrokkene Lulofs geraadpleegd zijn bij het schrijven van zijn artikelen. Zij menen dat daaruit blijkt dat betrokkene Lulofs voldoende bronnen heeft geraadpleegd.

ZITTING

Ter zitting voert klager onder meer nog het volgende aan. Klager heeft zich alleen op verzoek van de winkelier in augustus 1969 willen mengen in het beleid van de directeur van sociale Zaken inzake het stopzetten van de bijstandsuitkering. Klager was er zich daarbij wel van bewust dat hij daarmee de schijn op zich zou kunnen laden zijn privébelangen met de gemeentelijke belangen te vermengen. Klager meende echter in het belang van de winkelier tot optreden verplicht te zijn nu de directeur van Sociale Zaken onbevoegd en onrechtmatig handelde. Klager heeft hem alleen een gebrek in de uitoefening van zijn functie willen verwijten.

OVERWEGINGEN

Naar het gevoelen van de Raad is een instelling als de Raad voor de Journalistiek van belang voor het peil en de kwaliteit van de journalistiek in het algemeen, maar niet minder voor degenen, die menen reden te hebben zich over het optreden van persorganen of individuele journalisten te beklagen. Dit laatste draagt bij tot versterking van de persoonlijke vrijheidssfeer van de mens. Daarom is het van belang dat alle publiciteitsorganen zich onderwerpen aan instanties die tot taak hebben journalistieke gedragingen te beoordelen, ook al functioneren deze op basis van vrijwilligheid. Het is om die reden dat de Raad het waardeert dat ook betrokkene de autoriteit van de Raad aanvaardt. Dit impliceert echter dat men dan ook de gehele voor de Raad vastgestelde procesgang volgt. Wanneer men, zoals betrokkene, zich echter slechts bepaalt tot een schriftelijk verweer en niet ter zitting verschijnt, is dit nadelig voor een goede oordeelvorming, omdat het tot het wezen van een goede procesgang behoort dat de Raad partijen in elkanders tegenwoordigheid hoort en de gelegenheid heeft partijen zich te laten uitspreken over elkanders beweringen. Alleen op deze wijze kan de Raad een volledig inzicht krijgen in de stellingen van partijen. Het aan de rechtspraak ten grondslag liggende beginsel van de contradictoire behandeling, dat van ouds als een rechtwaarborg is gezien, behoort ook te gelden voor een instelling als de Raad voor de Journalistiek. In dit licht moet ook bezien worden de weigering van de hoofdredactie van De Telegraaf om een brief van klager, bevattende een verweer tegen de beide hiervoor genoemde artikelen, op te nemen. Van een -morele- verplichting dat te doen zou eerst gesproken kunnen worden wanneer dit een algemeen aanvaarde en in journalistieke praktijk verankerde regel was, maar wel is een feit, dat bladen die zichzelf hoge journalistieke normen stellen, dien overeenkomstig handelen.
Uit het verweerschrift blijkt niet dat betrokkene Lulofs de inlichtingen waarover hij de beschikking kreeg, heeft getoetst door contact op te nemen met klager en de winkelier. Ook hier kan weer niet van een verplichting worden gesproken, omdat in dit geval misschien nog minder van een algemeen aanvaarde regel sprake is. Niettemin is de Raad van oordeel dat het horen van allen, die hij de zaak betrokken zijn, aanbevelenswaardig is, niet alleen omdat dit de positie van de betrokken journalist versterkt en de waarde van zijn oordeel vergroot, maar ook omdat het een aanwijzing geeft dat hij zonder vooringenomenheid en met gevoel voor rechtvaardigheid te werk is gegaan. Wat klager betreft is de Raad van mening dat het van wijsheid en voorzichtigheid zou hebben getuigd als hij zich buiten de behandeling van de zaak van de winkelier zou hebben gehouden en aanstonds zelf aan het college van burgemeester en wethouders had verzocht daarvoor een ander lid van dat college aan te wijzen. Hij zou dan gehandeld hebben in overeenstemming met een in de gemeentewet neergelegd beginsel, maar bovendien elke schijn van vermenging van persoonlijke belangen en gemeentelijke belangen hebben vermeden.

BESLISSING

Het optreden van betrokkenen valt, voorzover het de in de overwegingen genoemde twee punten betreft, te laken. Zolang echter deze normen niet algemeen worden aanvaard en nageleefd kan de Raad aan deze afwijking niet een zodanig gewicht toekennen dat gezegd kan worden dat door dit handelen de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten is geschaad.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten " De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 12 november 1970, door Mr. G.E. van Walsum, plaatsvervangend voorzitter, J.H. Boom, Dr. E. Dieme Prof. Dr. G.C. van Niftrik en Mr. A. Stempels, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. Swart, plv. secretaris.

RvdJ 1970, 4.