1970/3 ongegrond

TROS contra Volkskrant

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Televisie en Radio Omroep Stichting TROS tegen J. M. Steenhoff en J. A. C. Damen.

De Televisie en Radio Omroep Stichting TROS, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 14 april 1970 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen J. M. Steenhoff en J. A. C. Damen. respectievelijk omroepcorrespondent en adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, hierna te noemen betrokkenen.
Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan de betrokkenen een verweerschrift indienden, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 3 november 1970, waar als gemachtigde voor klager is verschenen mr H. J. Minderop, advocaat te 's-Gravenhage, en voorts de betrokkenen.

KLACHT

Klager stelt, zakelijk weergegeven, de volgende feiten:

Op woensdag 3 maart 1970 verscheen in de Volkskrant van de hand van betrokkene Steenhoff een bericht waarin melding werd gemaakt van de plannen van de NOS voor de verhuizing van diverse diensten. De raad van beheer van de NOS, aldus het bericht, overweegt de Journaalredactie te vestigen in een schoolgebouw dat de TROS laat verbouwen tot kantoor en dat gelegen is vlak bij het omroepkwartier te Hilversum. Daarnaast zou de NOS ook belangstelling hebben voor een ander pand in Hilversum dat eigendom van de TROS was.
Het bericht zegt hierover:
"De besprekingen voor aankoop van de TROS-villa aan de Sophialaan in Hilversum verlopen stroef. De NOS wil het gebouw wel hebben maar voelt er niets voor om zoals een woordvoerder zegt zich in de boot te laten nemen. De TROS heeft de villa voor ongeveer 175 duizend gulden gekocht en vraagt er nu 250 duizend voor.
Dat bedrag wordt gevraagd omdat er in het gebouw voorzieningen zijn aangebracht voor enkele tienduizenden. Die zijn betaald voor de toenmalige NTS en NRU. De NOS voelt er niet veel voor om bij aankoop van de villa opnieuw voor deze voorzieningen te moeten betalen."

Klager zegt in ernstige mate gegriefd te zijn door dit bericht. Onderhandelingen over de aankoop van de TROS-villa aan de Sophialaan hebben nimmer plaats gehad. Wel is tussen de NOS en de TROS onderhandeld over de huisvesting van de Journaaldienst van de NOS in het door de TROS aangekochte schoolgebouw, maar over de aankoop van de villa is in deze onderhandelingen niet gesproken. De NOS heeft aan de TROS ook nooit belangstelling getoond voor dit pand.
Klager stelt dat de betrokkene Steenhoff nagelaten heeft het bericht in de Volkskrant na te trekken bij de NOS of de TROS. Wel wordt in het bericht gesproken over een mededeling die zou zijn gedaan door 'een woordvoerder' van de NOS, maar mede omdat de betrokkene tegenover klager bij herhaling geweigerd heeft zijn bron te noemen, meent klager dat het hier om een verzonnen bericht waarin een niet bestaande woordvoerder ten tonele wordt gevoerd om het bericht een schijn van waarheid te geven en op deze wijze klager in een kwalijk daglicht te stellen, gaat.
Klager stelt dat de betrokkene Steenhoff misbruik heeft gemaakt van zijn journalistieke recht om zijn bron niet te noemen. Een journalist mag zich. aldus klager, nimmer beroepen op zijn zwijgrecht als dekmantel voor het publiceren van verzonnen berichten. Klager stelt dat dit neerkomt op een ongepaste wijze van Journalistiek die de regels van de journalistieke beroepsethiek schendt.

VERWEER

In hun verweerschrift stellen betrokkenen onder meer het volgende:

Betrokkenen betwisten de stelling van klager dat de NOS nimmer belangstelling gehad zou hebben voor de villa van de TROS aan de Sophialaan te Hilversum. Zowel in de vergadering van de Raad van Beheer van de NOS d.d. 8 oktober 1969 als in de vergadering van de diensthoofden van de NOS d.d. 12 oktober 1969 is, blijkens de notulen van deze vergaderingen. de mogelijke aankoop van het pand punt van de agenda geweest. Dat de TROS het pand inderdaad wilde verkopen werd op
21 februari 1970 door de directeur van de TROS erkend in een interview in het weekblad Accent.
Betrokkenen merken op dat in het bericht in de Volkskrant niet over 'onderhandelingen' gesproken wordt. Slechts wordt melding gemaakt van besprekingen, zonder enige aanduiding tussen wie en wie.
Betrokkenen betwisten klagers stelling dat het bericht door betrokkene Steenhoff niet nagetrokken zou zijn. In het bericht wordt immers gesproken over een woordvoerder van de NOS. Zij menen dat de term 'woordvoerder' misschien minder gelukkig gekozen was, maar dat het ging om een zegsman die zijn naam met genoemd wil zien. Betrokkene Steenhoff meent ten volle gerechtigd te zijn aan klager zijn bron niet nader te noemen.
Betrokkenen merken tenslotte op dat klager nimmer tegenover betrokkenen de juistheid van het bericht heeft ontkend. Hij heeft daarentegen alleen van hen geƫist dat zij hun bron zouden noemen. Pas in zijn klacht voor de Raad van Journalistiek stelt klager dat het om een onjuiste berichtgeving gaat.

ZITTING

Ter zitting voert klager aan dat uit het feit dat hij van betrokkenen verlangde dat zij hun bron zouden noemen, voldoende duideliJk kan zijn dat hij de juistheid van het bericht aanvocht. Klager heeft met gevraagd om rectificatie omdat hij hierop geen recht kan doen gelden, maar bij het opnemen van een rectificatie slechts van een gunst gesproken kan worden. De TROS heeft aan de makelaar die het pand in handen had als vraagprijs f 250.000 opgegeven. Overigens volhardt klager bij zijn ingenomen standpunt. Er zijn geen onderhandelingen of besprekingen tussen TROS en NOS geweest.
Betrokkenen voeren onder meer het volgende aan:
Twee weken voordat het bericht in de Volkskrant verscheen stond in het dagblad Het Binnenhof een bericht waarin melding werd gemaakt van het feit dat de TROS het pand aan de Sophialaan ten verkoop aanbood. Ook werd daarin gezegd, dat de NOS belangstelling had voor het pand. Betrokkene Steenhoff heeft naar aanleiding van dit bericht de directeur van de TROS opgebeld die hem zei dat het hier om een normale zaak ging. Betrokkene heeft het toen niet meer nodig gevonden zijn bericht nader bij de TROS na te trekken. Betrokkenen stellen, dat in het bericht niet gerePt wordt van besprekingen tussen TROS en NOS en dat uit het bericht voldoende duidelijk bliJkt, dat het slechts ging om besprekingen binnen de NOS.

OVERWEGINGEN

Aan betrokkenen dient te worden toegegeven, dat het bericht niet met zoveel woorden zegt, dat de stroef lopende besprekingen tussen de NOS en de TROS plaatsvonden. Aan de andere kant wordt ook niet duidelijk gezegd, dat het om interne besprekingen binnen de NOS ging. Integendeel: als men, na te hebben gelezen dat de besprekingen voor aankoop van de TROS-villa stroef verlopen, verder gaat, verneemt men dat er binnen de NOS geen aarzeling is. Een woordvoerder zegt immers dat de NOS het gebouw graag wil hebben maar er niet voor voelt zich in de boot te laten nemen.
Redenen voor de stroef verlopende besprekingen binnen de NOS zijn er blijkbaar niet. De suggestie dat het ging om besprekingen met de TROS (voor de gewone lezer reeds gewekt door de, op de keper beschouwd, ietwat cryptische uitdrukking 'besprekingen voor aankoop van de TROS-villa') blijft bestaan en wordt door wat volgt versterkt, in het bijzonder ook door het gebruik van een woord als 'een woordvoerder' in plaats van een meer neutrale uitdrukking.
Het bericht is dan ook niet erg gelukkig geredigeerd, betrokkenen hadden beter rekening moeten houden met de wijze waarop vele lezers het bericht zouden kunnen begrijpen.

BESLISSING

Het gedrag van betrokkenen is onzorgvuldig geweest. De Raad wil echter niet zo ver gaan, dat hij de gedraging van betrokkenen schadelijk acht voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat klager nimmer aan betrokkenen rectificatie van het bericht heeft verzocht.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 3 november 1970 door prof. mr Ch. J. Enschede, voorzitter dr E. Diemer mr H. Dikkers. prof. dr G. C. van Niftrik en mr A. Stempels leden, m tegenwoordigheid van mr A. H. J. Swart als plv. secretaris.

RvdJ 1970, 3.