1970/1 ongegrond

Mr. A. G. A. van Rappard contra S. van Collem

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake mr A. G. A. van Rappard tegen S. van Collem.

Mr A. G. A. van Rappard burgemeester van Heemstede, hierna te noemen klager, heeft zich Bij brief van 13 mei 1969 tot de Raad Voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen Simon van Collem. journalist te Zandvoort, hierna te noemen betrokkene.
Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkene een verweerschrift indiende, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 8 januari 1970, waar zowel klager als betrokkene verschenen zijn.

KLACHT

Klager stelt, zakelijk weergegeven, de volgende feiten. In de avond van 9 mei 1969, de dag waarop in het gehele land de z.g. \'emmeractie\' werd gehouden, waarbij werd gecollecteerd ten behoeve van de Bisschop Bekkers Stichting, is klager tijdens de afscheidsreceptie ter ere van burgemeester Cremers in het Frans Halsmuseum te Haarlem benaderd door een hem onbekende met een emmer. Omdat in de zaal waar hij zich bevond, verder in het geheel niet werd gecollecteerd. meende klager te moeten aannemen dat deze daad was geënsceneerd, omdat hij als burgemeester, hoezeer ook sympathiserend met het doel van de actie, toch gemeend had bezwaren kenbaar te moeten maken tegen bepaalde onderdelen daarvan, zoals bijv. het collecteren met open emmers, het ontbreken van legitimatiebewijzen en - daardoor te weinig garantie dat alle geld ook werkelijk zou worden afgedragen. Tijdens de nachtelijke televisie-uitzending vanuit Carré van de inlevering der emmers door de collectanten heeft betrokkene bij het over-reiken van zijn emmer aan mevrouw Mies Bouwman ongeveer het volgende verklaard: \'Ik heb gecollecteerd in Zandvoort. Daarna, op weg naar Carré, heb ik nog even Haarlem aangedaan, omdat ik wist dat in de Stadsschouwburg een afscheidsfeest van burgemeester Cremers werd gehouden. Ik heb daar gecollecteerd en dat heeft nog f 800,- opgebracht. Allen hebben gegeven, behalve één: de burgemeester van Heemstede, die daarvoor zijn neus ophaalde\'. Klager acht dit een grove onwaarheid, waardoor zijn eer en goede naam ten zeerste is geschaad, en waardoor tevens een volkomen foute indruk is gevestigd ten aanzien van zijn ambtsvervulling en karakter.

VERWEER

In zijn verweerschrift stelt betrokkene o.m. het volgende.
Dinsdagavond 6 mei j.l. heb ik de heer van R. thuis opgebeld met het verzoek Vrijdagochtend 9 mei ten bate van de Bekkersactie in Heemstede en met name op het stadhuis aldaar te mogen collecteren aangezien Heemstede een groot centrum heeft in tegenstelling tot Bloemendaal en Aerdenhout. De heer van R. reageerde op mijn verzoek onbeschoft en agressief. Hij weigerde iedere medewerking, vertelde mij woordelijk dat de actie zijn instemming niet had omdat de autoriteiten er niet voldoende in gekend waren. Op de toon van een regent die gehinderd wordt door een bedelaar.
Aangezien ik wél toestemming kreeg om tijdens de pauze in het Concertgebouw te Haarlem te collecteren, werd mij geadviseerd op de bewuste avond tegen elven naar het Frans Hals museum ter plaatse te gaan, waar een afscheidsreceptie plaats zou vinden van burgemeester Cremers. Daarvoor heb ik toestemming gevraagd en gekregen van een ambtenaar van algemene zaken van het stadhuis te Haarlem.
Tijdens het wachten op de gasten van burgemeester Cremers (die vooraf gast waren bij een concert in de schouwburg) kwam er een telefonisch verzoek van het bisdom Haarlem of ik op de receptie wilde collecteren, aangezien Monseigneur Zwartkruis (een andere collectant uit ons rayon) met zijn emmer plus inhoud reeds naar Carré in Amsterdam was gegaan. De chef van de afdeling voorlichting van de gemeente Haarlem gaf mij een speciale plaats in dié zaal, die de gasten passeren moesten, wilden zij de receptie verlaten. Op mijn vraag waar burgemeester Cremers was, wees een der aanwezigen Mv, per vergissing, wethouder Geluk uit Haarlem aan. De heer Geluk verzocht mij mijn geluk te beproeven bij (een mij onbekend heer) \'die mijnheer daar, dat is burgemeester Van Rappard\'. Ik heb toen gevraagd of burgemeester Van Rappard iets voor de Bekkers actie wilde geven. Hij trok zijn neus op en zei, \'Nee, dank u\', waarop hij mij onmiddellijk zijn rug toekeerde.
Bij mijn terugkomst in Carré toen Mies Bouwman mij vroeg (tijdens de uitzending) hoe de collecte was verlopen, vertelde ik, dat ik o.a. had gecollecteerd tijdens de receptie van burgemeester Cremers, waar, met name burgemeester Ridder van Rappard zijn neus optrok \'alsof ik hem een vuilnisemmer voorhield\', weigerde te geven en mij zijn rug toekeerde.
Zondagavond 11 mei heeft mevrouw Van Rappard mij gebeld en de vraag gesteld of het mijn bedoeling was de familie Van Rappard te \'kwetsen\'. Ik heb haar uitvoerig meegedeeld, dat dit allerminst mijn bedoeling was, dat ik betreurde, dat de familie Van Rappard in Heemstede alsmede de familie Van Rappard in Gorinchem zijn lastiggevallen met anonieme telefoontjes en brieven, maar dat ik me niet onbeschoft en onheus laat behandelen. Zelfs niet door een burgemeester, die ridder voor zijn naam zet.
Mevrouw Van Rappard deelde me overigens mede, dat zij noch haar man, de bewuste televisie uitzending, waar ik mijn mededelingen heb gedaan, persoonlijk hebben gezien of gehoord, maar zijn afgegaan op informatie van derden.\'

ZlTTING

Ter zitting komen tussen partijen de volgende feiten vast te staan.
In de vooravond van 6 mei heeft betrokkene klager thuis opgebeld met de vraag of hij op 9 mei ook binnen het raadhuis van Heemstede zou mogen collecteren; klager heeft hem daarvoor toen geen toestemming verleend. Voorts is klager op 9 mei tijdens de afscheidsreceptie van burgemeester Cremers in het Frans Halsmuseum te Haarlem door betrokkene benaderd met zijn emmer voor een bijdrage aan de collecte, klager heeft daarop \'nee, dank u\' gezegd en zich weer gewend naar degenen met wie hij in gesprek was.
Over de interpretatie van deze beide contacten zijn partijen het oneens: betrokkene heeft zich beide malen onheus bejegend gevoeld door klager, die op zijn beurt meent niet onheus opgetreden te zijn. Klager heeft het gebeurde gezien in het licht van de publiciteit, gegeven aan de aanvankelijke weigering van burgemeester en wethouders van Heemstede om toestemming te verlenen voor de emmeractie in hun gemeente, een toestemming die zij later toch hebben verleend.
Klager was geïrriteerd door het gebrek aan begrip voor zijn mening, dat bleek uit de commentaren in pers en radio; hij begreep niet waarom hij daarover, nu de toestemming verleend was, nog thuis werd opgebeld. Het optreden van betrokkene in het museum meende hij te moeten zien als geënsceneerd, terwijl betrokkene het puur toeval noemt dat men hem tijdens de receptie naar klager verwees.
Over hetgeen betrokkene voor de televisiecamera heeft gezegd bij het inleveren van zijn emmer zijn partijen het zakelijk eens. Betrokkene geeft toe de hem door klager verweten dingen te hebben gezegd en verklaart nog daaraan toegevoegd te hebben dat klager zijn neus optrok \'alsof ik hem een vuilnisemmer voorhield\'.
Ook de reden, waarom betrokkene zich aldus uitliet, staat vast: hij heeft desgevraagd aan klager\'s echtgenote verklaard \'dat hij zich niet onbeschoft en onheus laat behandelen. Zelfs niet door een burgemeester die ridder voor zijn naam zet.\'
Ter zitting heeft betrokkene bij zijn verweerschrift volhard en desgevraagd toegegeven, dat zijn uitlating over klager iets te scherp is geweest.

De Raad overweegt omtrent de klacht het volgende.

OVERWEGINGEN

De klacht heeft betrekking op mededelingen, door verweerder tijdens een televisieuitzending gedaan. De Raad dient allereerst na te gaan, of die mededelingen te zijner beoordeling staan: De Raad mag zich immers blijkens art. 1 lid 2 van zijn Reglement alleen bezighouden met handelingen of gedragingen van een journalist, die schadelijk kunnen zijn voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.
Tussen partijen staat vast, dat verweerder journalist is. Maar een journalist stelt tal van handelingen en gedragingen, die zozeer in de privésfeer liggen en zover van de sfeer van zijn beroepsuitoefening verwijderd zijn dat ze, ook al zouden ze laakbaar zijn, toch niet schadelijk zouden kunnen zijn voor de waardigheid van de stand van de Nederlandse journalisten. Daarom dient, voordat op de merites van betrokkene\'s gedrag wordt ingegaan, eerst te worden onderzocht, of dat gedrag voldoende verband houdt met betrokkene\'s beroepsuitoefening om gekenschetst te mogen worden als een handeling of gedraging in de zin van art. I lid 2 van het Reglement.
De omstreden uitlating werd gedaan door iemand, die gerekend werd tot de 200 bekende Nederlanders die gevraagd waren te collecteren zulks in elk geval mede op grond van zijn bekendheid als journalist, o.a opgebouwd voor de televisie. De uitlating vond plaats in een publiciteitsmedium en met name in een aan betrokkene in zijn beroep vertrouwd medium, de uitlating, tenslotte, bevatte een feitelijke mededeling omtrent het optreden van een andere bekende publieke persoonlijkheid.
Op deze gronden oordeelt de Raad dat hier sprake is van een handeling of gedraging van een journalist, die schadelijk kan zijn voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

Wat nu de merites van de klacht betreft overweegt de Raad het volgende.
Klager heeft op 9 mei \'s avonds geweigerd aan de collecte te geven. Dat mag hem niet verweten worden; niemand, ook klager niet, is verplicht aan een collecte te geven. Klager\'s motieven doen daarbij niet ter zake, evenmin of de weigering voor klager in zijn positie tactisch was.
Betrokkene\'s nadrukkelijke mededeling tijdens de televisieuitzending. dat alleen de - door hem daarbij met zijn ambt genoemde - klager geweigerd had te geven, en zijn daarbij gebezigde woordkeus strijden met de zorgvuldigheid die een journalist, zo goed als ieder ander, tijdens zo\'n uitzending in acht behoort te nemen ten opzichte van zijn medeburgers.
Door zijn mededeling wilde betrokkene - dit leidt de Raad af uit hetgeen hij zelf in zijn verweerschrift heeft toegegeven - klager\'s weigering als iets onbehoorlijks aan de kaak stellen omdat hij zich door klager onbeschoft en onheus behandeld voelde. Klager betwist, dat hij tot dat gevoel aanleiding gegeven heeft. De Raad laat dit geschilpunt terzijde als niet terzake doende voor de vraag, of betrokkene met zijn uitlating de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden. Ook immers als betrokkene zich terecht gegriefd heeft gevoeld, zou het hem niet hebben vrijgestaan, klager aldus voor de beeldbuis in de emotionele sfeer van zulk een uitzending aan de kaak te stellen.
Verweerder zelf heeft er in zijn verweerschrift nog op gewezen, dat klager zelf de uitzending niet zou hebben gezien. Ook dit punt laat de Raad buiten beschouwing. Voor de betekenis van de uitlating doet het niet ter zake of klager die nu zelf heeft gehoord of niet; zij is wereldkundig gemaakt.

BESLISSING

Betrokkene\'s gedrag is. zo luidt de slotsom, uit journalistiek oogpunt te betreuren. De Raad wil echter niet zover gaan, dat hij betrokkene\'s gedraging schadelijk oordeelt voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. Hij neemt daarbij vooral ook in aanmerking dat dit de eerste keer is, dat een uitlating in het kader van zulk een televisieactie aan het oordeel van de Raad wordt onderworpen, zodat rekening gehouden moet worden met een mogelijke aarzeling in journalistieke kring of ook in die situatie de journalistieke code geldt.
Bovendien heeft de Raad ten gunste van de betrokkene rekening gehouden met de emotionele sfeer van deze \'live\' uitzending.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist alsmede, gelet op de betekenis van deze beslissing voor radio en televisie, aan het Algemeen Nederlands Persbureau.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 8 januari 1970 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, J. H. Boom, prof. dr G. C. van Niftrik, drs J. M. M. van der Pluym en N. G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder als secretaris.

RvdJ 1970, 1.