1969/9 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake drs. J. P. S. van Neerven tegen G. A. Knepflé.

Drs. J P. S. van Neerven, directeur-hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad, hierna te noemen klager, heeft zich op 18 juni 1969 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen G. A. Knepflé, hoofdredacteur van het Dagblad De Nieuwe Limburger, hierna te noemen betrokkene.
Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkene een verweerschrift heeft ingediend, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen De Raad heeft deze zaak behandeld ter zitting van 18 november 1969, waar als gemachtigde voor klager is verschenen mr. J. H. F. Wijnen, advocaat te Maastricht, en voorts betrokkene, bijgestaan door mr. W. K. A. Arntz, advocaat te Utrecht.

DE FEITEN

De klacht heeft betrekking op de volgende feiten.
In het Limburgs Dagblad van 26 april 1969 verscheen aan de hand van klager een artikel in de rubriek 'Visie op Limburg' onder de kop 'De maat is vol', getiteld 'Pers en democratie', waarin hij stelt dat een aantal leden van de Limburgse establishment zich inspannen om hem de mond te snoeren, en wel o.a. door telefonisch de president-commissaris van de NV Maatschappij tot Exploitatie van het Limburgs Dagblad en diens mede-commissarissen te benaderen teneinde dezen bepaalde publikaties in het blad te doen verhinderen.
In dit artikel komt de volgende alinea voor:

'Ik deel deze hoogmogende heren bij deze mede dat ik hun achterbakse stiekeme laffe onoirbare ondemocratische en misselijke manier van stoken persoonlijk beu ben en ik geef hun bovendien bij deze de uitdrukkelijke garantie dat zij op deze wijze geen enkel maar dan ook geen enkel succes zullen bereiken. Iedere Limburgse autoriteit die te laf is om met mij persoonlijk meningsverschillen uit te vechten en die meent dit op de bekende achterbakse paternalistische regentenmanier te moeten doen via andere relaties dan de rechtstreekse relatie met ondergetekende, zal bot vangen.'
Naar aanleiding van dit artikel werd in het nummer van Vrij Nederland, gedateerd 10 mei 1969, een stuk gepubliceerd met de titel 'De 'achterbakse, laffe, onoirbare, ondemocratische en misselijke manier van stoken' tegen Jules van Neerven'.
Hierin komt de volgende alinea voor:

'Frans Dohmen, daarentegen, wilde wel graag iets zeggen. 'Van Neer ven ziet spoken' aldus de voorzitter van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkers Bond. 'Ik geloof dat hij ziek is. Ik hou van de persvrij- heid, maar wat die man doet gaat veel te ver. Niet dat hij in staat is mij aan te vallen - hij is me veel te min en als ik hem zo nodig weg zou willen hebben dan weet ik nog wel andere methoden om dat te bereiken dan een of andere geheimzinnige vergadering. Ik zal u wat zeggen, meneer: De hele stemming die Van Neerven kweekt doet de Limburgse zaak geen goed. Ik kan me best voorstellen dat bijvoorbeeld een man als burgemeester Gijsen niets van hem wil weten. Stel
u zich maar eens de situatie voor van iemand die zich dag in dag uit kapot werkt en die dan plotseling een stroom van kritiek over zich heen krijgt van een man die zelf niks voor de Limburgse zaak uitvoert. Dan zeg je op een gegeven moment: 'Ach kerel verrek'.'

In De Nieuwe Limburger van 9 mei 1969 werd in de rubriek 'Mening van anderen' onder het kopje 'Directeur' en ingeleid met de zin: 'In Vrij Nederland reageert Frans Dohmen op de opwinding rond directeur-hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad, die de oorlog heeft verklaard aan ane Limburgse autoriteiten', een citaat uit laatst-genoemde alinea opgenomen, n.l. het gedeelte vanaf 'De hele stemming' tot het einde.

DE KLACHT

Klager heeft twee bezwaren tegen de wijze waarop De Nieuwe Limburger dit citaat uit Vrij Nederland heeft gepubliceerd. Vooreerst is slechts het laatste gedeelte overgenomen van wat de heer Dohmen gezegd heeft, terwijl het eerste deel er een zo essentieel en belangwekkend onderdeel van uitmaakt dat het weglaten ervan onbehoorlijk is immers het volledige citaat werpt een geheel ander en minder vleiend licht op de mentaliteit van waaruit werd gesproken dan zou kunnen blijken uit alleen het overgenomen slotdeel, waaruit een oprechte bezorgdheid voor de Limburgse zaak zou kunnen worden afgeleid.
Ten tweede heeft klager bezwaar tegen de inleidende zin bij het citaat die stelt dat hij 'de oorlog heeft verklaard aan ane Limburgse autoriteiten'. Hij heeft zich evenwel in zijn blad op 26 april slechts gericht tegen bepaalde autoriteiten die zich aan bepaalde, in klagers ogen verwerpelijke handelingen schuldig maken en, zo schreef hij, wat dat betreft kunnen barsten.
Klager acht de berichtgeving in De Nieuwe Limburger wat dit betreft onwaar en tendentieus. Hij voelt zich ernstig gegriefd door deze wijze van handelen van betrokkene.

VERWEER

In zijn verweerschrift en ter zitting stelt betrokkene dat het stukje in de rubriek 'Mening van anderen' is verzorgd door een zijner redacteuren met wie hij zich, wat dit betreft, intussen geheel vereenzelvigt. Ten aanzien van het eerste bezwaar stelt hij dat hij de passage uit de opmerkingen van de heer Dohmen, die klager mede wenst te zien geciteerd, beschouwd heeft als een aanval op de persoon van klager, die hij daarom uit collegiale overwegingen niet heeft geciteerd. Hij heeft het citaat uitdrukkelijk willen beperken tot de opmerking die sloeg op het vermeende effect van klagers journalistieke prestatie.
Wat klagers tweede bezwaar betreft, meent hij dat het hem vrij staat de journalistieke presentatie van klager te interpreteren als een oorlogsverklaring aan ane Limburgse autoriteiten. De inleidende zin was een weergave van de mening die bij hem is gevestigd door de wijze van commentariëren die bij voortduring door klager wordt toegepast was dus geen interpretatie van het stukje 'De maat is vol' alleen waarin klager zegt dat bepaalde heren 'kunnen barsten'.
Ter zitting zegt betrokkene nog dat de Vrij Nederland-alinea duidelijk uit twee delen bestaat. Het citeren van het eerste was niet alleen ongewenst doch ook overbodig: het Limburgse lezerspubliek kent de heer Dohmen en weet, hoe de heren Dohmen en Van Neerven tegenover elkaar staan. Alleen het tweede deel bevatte een nieuwselement en sloot bovendien aan bij een opvatting die kort tevoren in betrokkene's blad was geponeerd. Het zou wel een vergaande beperking van de journalistieke vrijheid zijn als men niet meer zou mogen citeren doch slechts in zijn geheel overnemen wat anderen schrijven.

OVERWEGINGEN

De Raad is van oordeel dat klager's tweede klacht nauwelijks steun vindt in de feiten. De geïncrimineerde zin werd geschreven in het kader van een dagelijkse citatenrubriek, die beknopte kernachtige formuleringen vereist. Het kon voor een ieder, ook voor wie geen kennis draagt van klager's journalistieke beleid in Limburgse zaken, duidelijk zijn dat deze zin niet letterlijk genomen mocht worden. De Raad wijst deze klacht derhalve af.
Wat betreft de eerste klacht is de Raad van mening dat door het citeren van alleen het tweede deel van de Vrij Nederland-alinea dit deel ten ongunste van klager een andere waarde heeft gekregen dan het in de oorspronkelijke samenhang met het eerste deel had. Betrokkene had zich daarvan rekenschap behoren te geven.
Dat zou niet onvermijdelijk tot een volledig overnemen van de alinea uit Vrij Nederland hebben moeten leiden. Betrokkene had het citaat als het te lang voor zijn rubriek was, geheel hebben kunnen weglaten, hij had ook in de ter redactie van zijn blad ontworpen inleidende zin in enkele woorden een accent als in de uitlating van de heer Dohmen voorkwam kunnen leggen, waarmee diens verdere uitlatingen hun oorspronkelijke waarde hadden behouden. De Raad heeft oog voor de problemen die het redigeren van een citatenrubriek als de onderhavige stelt; toch is hier naar zijn oordeel sprake van enige onzorgvuldigheid bij de behandeling van het omstreden citaat. Van een handelwijze schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, kan echter niet worden gesproken.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 18 november 1969 door prof. mr. Ch. J. Enschedé, voorzitter, J. H. Boom, mr. H. Dikkers, drs J. M. M. van der Pluijm en N. G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van mr. K Helder, secretaris.

RvdJ 1969, 9