1969/8 gegrond

Werkgroep Biafra contra Rotterdamsch Nieuwsblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Werkgroep Biafra tegen het Rotterdamsch Nieuwsblad.

Mevrouw N. W. Soetens, optredend namens de Werkgroep Biafra te Rotterdam, hierna te noemen klaagster, heeft zich bij brief van 8 mei 1969 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen het Rotterdamsch Nieuwblad, waarvoor is opgetreden H. W. Eldermans, hoofdredacteur, hierna te noemen betrokkene.
Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkene een verweerschrift heeft ingediend, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 november 1969. waar zowel klaagster als betrokkene zijn verschenen.

DE FEITEN

De klacht heeft betrekking op de volgende, tussen partijen vaststaande feiten.
De Werkgroep Biafra, hoofdzakelijk bestaande uit Rotterdamse scholieren die beogen actie te voeren ten behoeve van Biafra en die o.a. op 7 maart 1969 een demonstratieve mars hadden georganiseerd waaraan ruim 800 scholieren hebben deelgenomen, had d.m.v. op de scholen verspreide pamfletten een zit-demonstratie aangekondigd, te houden op 30 april van 10 lot 22 uur op de Lijnbaan.
De Werkgroep had van deze demonstratie vooraf kennis gegeven aan het gemeentebestuur en ontving op 28 april een brief, ondertekend door de loco-burgemeester, die al~ volgt luidde: Naar aanleiding van uw mededeling d.d. 9 dezer inzake de door u te organiseren sit-down demonstratie, wil ik niet nalaten onder uw aandacht te brengen dat ik, hoezeer ook overtuigd van uw goede bedoelingen, uit het oogpunt van handhaving der openbare orde, ernstig bezwaar heb zowel tegen het tijdstip als de plaats van deze demonstratie.' In Rotterdam was omstreeks genoemde datum geen verordening t.a.v. een zitdemonstratie als de onderhavige van kracht.
In de editie van 28 april 1969 van het Rotterdamsch Nieuwsblad werd onder de titel 'Zitdemonstratie op Lijnbaan mag niet van B. en W.' een bericht gepubliceerd waarvan de eerste volzin luidt: 'Burgemeester en Wethouders hebben hun goedkeuring onthouden aan de plannen die de Jongerengroep Biafra heeft, op Koninginnedag op de Lijnbaan een zitdemonstratie te houden ten gunste van Biafra.'

DE KLACHT

Klaagster stelt dat door dit onjuiste bericht - immers de burgemeester had niet de bevoegdheid deze demonstratie te verbieden en had derhalve slechts kennis gegeven van zijn bezwaren - tal van jongeren zijn weerhouden of afgeschrikt van deelneming aan deze demonstratie. Daardoor is de actie in ernstige mate geschaad want het totale aantal deelnemers was nu niet groter dan 50. Voorts stelt klaagster dat leden van de Werkgroep op 29 april het Rotterdamsch Nieuwsblad hebben benaderd om een rectificatie te doen plaatsen, hetgeen werd toegezegd doch noch voor noch na 30 april werd uitgevoerd. Bovendien had klaagster eraan meegewerkt, dat vanwege de plaatselijke afdeling van de PPR een brief over deze zaak aan het Rotterdamsch Nieuwsblad ter plaatsing werd aangeboden; het stuk is echter niet geplaatst.

VERWEER

In zijn verweerschrift geeft betrokkene te kennen dat de redactie van het blad op 29 april benaderd door de Werkgroep Biafra, de fouten in het omstreden bericht heeft erkend en een rectificatie toegezegd. Dool niet te achterhalen oorzaken is deze laatste evenwel niet in de krant geplaatst. Betrokkene erkent dat hier voor de tweede maal een fout is gemaakt. Zijn blad is op 30 april niet verschenen en hij stelt dat de Werkgroep met een latere rectificatie niet gediend zou zijn.
Het causaal verband dat de klaagster legt tussen het gewraakte bericht en de slechte opkomst voor de demonstratie acht hij van zeer twijfelachtig allooi; een getal van 50 demonstranten is z.i. voor Rotterdam niet gering. Dit doet echter niet af aan zijn erkenning dat onzorgvuldig is gehandeld.

ZITTING

Ter zitting zegt klaagster, haar klacht ondanks deze erkenning te hebben doorgezet opdat een eventueel voor haar gunstige beslissing van de Raad ook voor andere kranten een aansporing tot zorgvuldigheid zal zijn.
Betrokkene deelt mee dat de hoofdredactie van deze zaak pas iets vernomen heeft uit de brief waarbij haar de klacht door het secretariaat van de Raad werd toegezonden. Hij stelt dat de fout tijdig hersteld had kunnen worden indien men rechtstreeks de hoofdredactie had henaderd.

OVERWEGINGEN

Omtrent de onderhavige klacht overweegt de Raad het volgende:
De Raad betreurt dat de berichtgeving van het Rotterdamsch Nieuwsblad over de zit-demonstratie onzorgvuldig is geweest. De Raad heeft geconstateerd dat betrokkene zowel in zijn verweerschrift als ter zitting ten overstaan van klaagster deze onzorgvuldigheid heeft erkend. De vraag naar een eventueel causaal verband tussen het onjuiste bericht en het aantal deelnemers kan terzijde gelaten worden. Over het niet plaatsen van de brief van de PPR-afdeling kan klaagster zich niet beklagen; de krant is in het algemeen vrij een ingezonden stuk al of niet op te nemen.
De Raad is van oordeel dat het ernstig overweging verdient of niet ter redactie van dagbladen e.d. als vaste regel zou behoren te gelden dat verzoeken om rectificatie immer terstond en rechtstreeks aan de hoofdredactie worden voorgelegd, of bij ontstentenis aan haar gemachtigde. Bij zo'n regeling zou de journalist die hierin nalatig is. laakbaar zijn.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad op 18 november 1969 door prof. mr. C. J. Enschedé, voorzitter, J. H. Boom, mr. H. Dikker drs. J. M. M. van der Pluim en N. G. Schram, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Helder als secretaris.

RvdJ 1969, 8.