1969/7 ongegrond

H.A.A.R. Knap contra H.G.M. Derks

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake H. A. A. R. Knap tegen H. G. M. Derks.

De heer H. A. A. R. Knap, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 8 mei 1969 tot de Raad van de Journalistiek gewend met een klacht gericht tegen H. G. M. Derks, verantwoordelijk redacteur van het maandblad 'Wonen', hierna te noemen betrokkene.

Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkene een verweerschrift indiende, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 23 september 1969. Aldaar zijn verschenen de klager, bijgestaan door Mr. R. J. Polak, advocaat te Amsterdam, en de betrokkene.

KLACHT

De klacht heeft betrekking op de volgende feiten. Op 25 januari 1969 schreef klager onder zijn nom de plume Dagboekanier in zijn vaste rubriek in Het Parool over clandestiene bezetting en bewoning van leegstaande huizen en panden in Amsterdam. Klager hekelt in zijn stuk de praktijk van clandestiene bewoning en uit kritiek op de naar zijn mening al te lijdzame houding die de Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting en de politie innemen tegenover de bezetters van leegstaande woningen. Naar zijn oordeel leidt deze houding ertoe dat de werkelijk gerechtigden tot de woning machteloos staan tegenover de bezetting en enkel nog hun toevlucht kunnen nemen tot een tijdrovende en omslachtige civiele procedure. Klager geeft ieder die woonruimte zoekt het ironische advies een leegstaand pand te bezetten. Hij schrijft onder meer: 'Let es even op of ergens een huis leeg komt! Trek er maar in! Voor de eigenaar u er met de civielrechtelijke (dure ~n tijdrovende!) methode uit heeft gewerkt, bent u wel weer een jaartje verder...'.

In het aprilnummer van het tijdschrift 'Wonen' schreef op zijn beurt de betrokkene een artikel over de clandestiene bezetting van woningen te Amsterdam. Dit stukje besluit met de volgende passage: 'Er zijn merkwaardige 'voorstanders' van deze methode te vinden o.a. de als zeer konservatief bekend staande H. Knap van Het Parool! K. schreef op 25 jan. '69: 'Let es even op of ergens een huis leeg komt! Trek er maar in! Voor de eigenaar u er met de civielrechtelijke (dure en tijdrovende) methode uit heeft gewerkt, bent u wel weer een jaartje verder...'.'

Klager stelt dat de betrokkene door het citeren van enkele zinnen los van hun context ten onrechte en kwaadwillig de suggestie heeft willen wekken als zou klager een voorstander van clandestiene bezetting van leegstaande woningen zijn. Naar de mening van klager wordt deze suggestie bij de lezer nog versterkt door de aan het citaat voorafgaande opmerking dat klager toch bekend staat als een zeer conservatief man van wie het merkwaardig is dat hij een voorstander is van deze methoden. Het feit dat het woord 'voorstander' tussen aanhalingstekens is geplaatst, kan volgens klager deze onjuiste indruk bij de lezer niet wegnemen. Klager heeft ernstige bezwaren tegen de door betrokkene toegepaste wijze van citeren waardoor gesuggereerd wordt dat hij een mening is toegedaan precies tegenovergesteld aan zijn werkelijke mening. Klager stelt dat de handelwijze van betrokkene schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten

VERWEER

In zijn verweerschrift stelt de betrokkene, voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven, het navolgende:
'Door het gebruik van het woord 'merkwaardig'; door de aanhalingstekens bij het woord 'voorstanders' - door het overdreven taalgebruik als 'zeer konservatief...' - door het uitroepteken achter in de zin, blijkt m.i. meer dan duidelijk het ironische satirische karakter van het stukje. Daarenboven is er nog een dusdanige tegenstelling verwerkt tussen enerzijds het 'zeer konservatieve' karakter van de heer Knap en anderzijds de beschreven daden van het woningen bezetten (die nu niet bepaald door konservatieve geesten gepleegd worden) dat een niet al te slim lezer meteen het onwaarschijnlijke van de situatie moet opvallen. Een iets slimmere lezer zal alléén al door deze tegenstelling het satiriese karakter van het stukje kunnen onderkennen.
Voor lezers, die ondanks de 'waarschuwings-tekens' en ondanks de genoemde tegenstelling, hun ogen nog niet konden geloven, is de datum van Knaps publikatie aangegeven om dan maar langs die weg achter de 'waarheid' te komen.
De tekst zelf, die door de heer Knap geproduceerd werd en in het maandblad 'Wonen' geciteerd is van een dusdanige kracht, behelst zo'n ophitsende taal, dat de onwaarschijnlijkheid van de publikatie in 'Wonen' nog eens extra in het licht wordt gesteld. Overigens is de tekst van Knap door hem zelf ook ironisch bedoeld!
Er wordt ondergetekende 'kwaadwilligheid' verweten en het overbrengen van 'een evident onjuiste indruk' op de lezers van 'Wonen', aangewreven. Alleen al uit de hierboven genoemde 4 formele overwegingen blijkt dat daar geen sprake van kan zijn. Ik zou een en ander
nog wat meer reliëf willen geven door te verwijzen naar de aard van het maandblad 'Wonen', waarin de tekst van de heer Knap is verschenen.
Immers deze tekst is op deze bepaalde wijze voor bepaalde lezers nl. die van een maandblad 'Wonen' geschreven, dat gelukkig een ander karakter heeft dan bv. het dagblad waarin de heer Knap publiceert. Het blad heeft een zeer krities karakter, hetgeen hier als feit wordt gekonstateerd, zonder het nog verder te willen omschrijven dan hoogstens met het adjektief 'progressief'. Een en ander kan blijken uit de inhoud van de gepubliceerde artikelen.
Het blad heeft ook zeer kritiese lezers gelukkig, die - de vele lezersbrieven laten dat zien - ook de artikelen-schrijvers hun soms zeer felle kritiek niet onthouden.
Deze lezers bestaan - zo heeft een opinie-onderzoek aangetoond voor bijna 50% uit akademisch gevormden, voor ongeveer 35% uit mensen met een hogere opleiding en voorts nog een 10% uit diverse instellingen en bureaus.
Welnu een dusdanig krities blad met een dusdanig kwalitatief hoog genoteerd lezerspubliek, zal en kan andere zaken aan de orde stellen en zich tevens op een andere - in dit geval satirische - wijze uitdrukken, dan het wellicht in andere dag-, week- en maandbladen het geval is. Er is nauwelijks een wat lezers-publiek betreft, vergelijkbaar blad in Nederland te vinden.
Daar komt nog het volgende bij.
Al in het februari-nr. van 'Wonen' is de lezers gewezen op hun recht dit blad 'te maken en te breken (desnoods)' (p. 3) en in het april-nr. is als enige blad in Nederland, een medebeslissingsrecht van de lezers in het beleid van het blad verwezenlijkt.
Tegen de achtergrond van deze kleine beschouwing over de aard van het blad en haar lezers, zal het duidelijk zijn dat van kwaadwilligheid t.o.v. deze lezers geen sprake kan zijn. Sterker nog: indien dat wel het geval was, zouden lezers daar nu hardhandig een einde aan kunnen maken. En daarvoor is de onderhavige zaak voor 'Wonen' als zodanig te gering van importantie. Geen enkele reaktie van een lezer is tot op heden op het desbetreffende artikel in het mei-nr. binnen gekomen. En was deze binnen gekomen, dan zou het zeker gepubliceerd zijn. Ook een reaktie van de heer Knap zelf. Daarvoor staat de aard van de lezers-rubriek waarin veel kritischer brieven gepubliceerd worden, dan de heer Knap maar had kunnen schrijven, garant.
Van persoonlijke aard zijn tenslotte de volgende opmerkingen:
1. iemand die enigszins thuis is in het Jeruzalem van de perswereld maar ook iemand met enige kritische aard en lezer van Dagboekaniers rubriek in het Parool, zal weten dat de heer Knap een konservatief man is. Het is een kwalifikatie die althans bij mij aanmerkelijk hoger genoteerd staat, dan de term 'progressief' die ladingen dekt die met zo'n woord niet gedekt kunnen worden. Dat is een van de redenen, waardoor alles zo 'onduidelijk' wordt in onze maatschappij. Is er nu iemand die daar niet aan mee doet, dan kan men dat alleen maar toejuichen.
Wellicht zal de heer Knap niet overtuigd zijn door deze redenering maar dan kan ik hem enerzijds verwijzen naar zijn eigen woorden in het bewuste artikel nl.: 'Ware democratie is: handhaving van wet en recht' en anderzijds naar de praktijken van de 'law and order'-aanhangers in de V.S. of zeer wetenschappelijke publikaties van bv. Th. Adorno et. al: The Authoritarian Personality, New York, Harper & Bross, 1950; H. J. Eysenck: Uses and Abuses of psychology, Penquin 1957, hfdst. 14 of J. C. Flugel: Man, morals and Society, Penguin 1962, pag. 342 e.v.
2. In het bewuste artikel van Knap dat getiteld is 'Huispiraten beloond' schermt hij niet alleen met dit woord 'piraat' (voor een dagboekanier wat zonderling), maar ook met termen als 'asociaal', 'rechtsverkrachting' en 'grove wetsovertreding'. Men kan hier enerzijds t.a.v. de heer Knap opmerken, dat hij naar goed journalistiek gebruik verzuimd heeft de heren 'huis-piraten' naar hun beweegredenen te vragen en die ook te publiceren, maar anderzijds ook naar het juridische ongeoorloofde gebruik van de termen, omdat gebleken is dat langs juridische weg geen oplossing gevonden kon worden voor het 'huizen bezetten'. En nog minder uiteraard, wanneer men de sociale ellende en achterlijke woontoestanden, waaruit o.a. dit bezetten van huizen voortkomen, in beschouwing gaat nemen.'

ZITTING

Ter zitting voert klager aan dat bij de beoordeling van de handelwijze van betrokkene niet zozeer diens eigen bedoeling als wel de indruk van de lezer van belang is. De wijze van citeren is voor de gemiddelde lezer misleidend en, voor zover niet van misleiding sprake is geweest, voor die lezer aanstootgevend. Klager heeft de zaak voor de Raad gebracht, omdat hij uitgemaakt wil zien, 'of het in intercollegiaal verband toelaatbaar is, op deze groezelige wijze over elkaar te schrijven'.
Betrokkene handhaaft zijn verweer. Hij verklaart bovendien nog, zakeliJk weergegeven, het volgende. Mr. Polak heeft betrokkene namens klager verzocht, een rectificatie te plaatsen; als klager dat persoonlijk had gedaan was dat geen probleem geweest, maar nu dat door tussenkomst van een advocaat geschiedde gaf dat een bepaalde toon aan de zaak, een pressie die nergens voor nodig was. Betrokkene heeft bepaalde normen, hij wil niet onder een bepaalde dreiging staan, bv. van een advocaat; dat is ergens een prestigekwestie voor hem. Betrokkene voelt zich helemaal niet een collega van klager en houdt niet van de suggestie van daaraan vastzittende collegialiteitsnormen. Hij is een voorstander van het bezetten van lege woningen, met zekere nu

OVERWEGINGEN

De Raad overweegt het navolgende.
Klager heeft in zijn klaagschrift en ter zitting drie bezwaren gemaakt:
a) de kwalifikatie 'zeer conservatief' is denigrerend of depreciërd;
b) betrokkene heeft klagers woorden zodanig uit hun verband gerukt geciteerd, dat zij het tegengestelde suggereren van hetgeen ze in klagers stuk bedoelden;
c) betrokkene is daarbij kwaadwillig tewerk gegaan.
Ad a. Klager, die in een eigen dagelijkse rubriek meermalen nadruk legt op onderwerpen als goede omgangsstijl e.d., kan zich in redelijkheid niet gegriefd voelen indien mensen, die omtrent zulke vormen andere opvattingen hebben dan hijzelf, hem conservatief of zeer conservatief noemen. Het geldt hier een nogal gemakkelijk in de mond liggende en uit de pen vloeiende betiteling, die - of ze nu onjuist is of niet - niemand zich behoeft aan te trekken.
Ad b. Betrokkene ontkent dat klagers woorden in het stuk in 'Wonen een tegengestelde betekenis kregen van wat zij in klagers stuk zeiden. Hij beroept zich erop, dat de lezers van zijn blad 'kwalitatief zo hoog genoteerd' zijn dat ze de ironiserende strekking van het citaat - dat klager zelf al ironisch bedoeld had - stellig hebben doorzien. Dit verweer faalt.
In de eerste plaats is het verweer niet in overeenstemming met betrokkenes bereidverklaring, een rectificatie te plaatsen, indien klager hem dit persoonlijk had verzocht. Volgens betrokkenes verweer zou er immers niets te rectificeren zijn geweest. Maar afgezien nog daarvan: het kan zijn, dat vele lezers het citaat als ironiserend hebben opgevat, maar het is evenzeer mogelijk dat vele andere lezers uit het stuk begrepen hebben, dat klager behoorde tot de voorstanders van het bezetten van leegstaande panden. Betrokkene zegt de woorden 'merkwaardige voorstanders' en de aanhalingstekens bij dit laatste woord te hebben opgenomen als signalen dat wat volgde een ironische strekking had. Maar die signalen zijn onvoldoende duidelijk, hetgeen onder meer in de hand wordt gewerkt doordat betrokkene zich zelf voor wat het eigen standpunt aangaat in zijn stuk geheel op de vlakte hield, zodat niet duidelijk is, of de woorden 'merkwaardige voorstanders' nu contrasteren met betrokkene als medestander of als tegenstander.
Ad c. Of betrokkene bij de opstelling van zijn stuk kwaadwillig tewerk gegaan is of alleen maar onzorgvuldig, is niet met voldoende zekerheid uit te maken. De twijfel geldt ten gunste van betrokkene. De Raad oordeelt, dat betrokkene t.a.v. klager in journalistieke zorgvuldigheid is tekort geschoten. Weliswaar heeft betrokkene gezegd dat hij niet houdt van de suggestie van journalistieke collegialiteitsnormen, doch dat neemt niet weg, dat die normen voor hem in zijn journalistieke werkzaamheid gelden als voor elke andere journalist. Betrokkene heeft trouwens, door in deze zaak verweer te voeren, aanvaard, dat de Raad een oordeel op de grondslag van zulke normen geeft: De Raad oordeelt, dat betrokkenes tekortkoming niet zodanig is, dat daardoor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten geschaad is.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 23 september 1969 door prof, mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, dr. E. Diemer, N. G. Schrama, drs. A. A. V. Tummers en drs. L. F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder als secretaris.

RvdJ 1969, 7