1969/6 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake J. Kool tegen de hoofdredactie van Het Vrije Volk.

De heer Jos Kool, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 18 maart 1969 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de hoofdredactie van Het Vrije Volk, hierna te noemen betrokkene.

Vooronderzoek.

Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan door E. Messer als hoofdredacteur van Het Vrije Volk een verweerschrift werd ingediend, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak behandeld ter zitting van 23 september 1969, waar zijn verschenen de klager en Th.M. Eerdmans als gemachtigde van betrokkene.

De klacht.

De klacht heeft betrekking op de volgende feiten. In de Galerie Kristiaan te Amsterdam, die onder leiding staat van klager, werd van 28 februari tot 26 maart 1969 een tentoonstelling gehouden van werk van de kunstenaar Flip van der Burgt. In de editie van 1 maart 1969 van Het Vrije Volk werd vervolgens een artikel gepubliceerd 9 ondertekend door Erik Beenker, met de titel "Flip van der Burgt: Van kruis tot kassa". In een brief v£m 12 maart aan de hoofdredacteur, waarnaar het klaagschrift verwijst, heeft klager zijn bezwaren tegen dit stuk uiteengezet, o.a. egens het "op een bijzonder onfrisse manier de kunstenaar aan (te) vallen en zijn integriteit als kunstenaar in twijfel (te) trekken". De brief stelt voorts: "Maar los van de door ons in twijfel getrokken deskundigheid van Uw medewerker (...) zijn naar aanleiding van dit geval vragen bij ons opgekomen van groter belang. Op de eerste plaats de vraag of voor de publiciteitsmedia de kunstenaar vogelvrij is; of persmensen zich in geschrifte tegenover een kunstenaar dingen mogen veroorloven, die men zich tegenover welke andere persoon ook niet veroorloven kan. Verder de vraag in hoeverre het juist geacht mag worden om - om in sporttermen te spreken - niet de bal maar de man te spelen. En als men om terzake doende redenen meent dit laatste wel te kunnen doen, of het dan geoorloofd geacht kan worden de persoonlijke integriteit in twijfel te trekken van een kunstenaar, die men niet kent en over wie men zich niet behoorlijk heeft geïnformeerd". Voorgesteld wordt, de zaak aan de Raad voor te leggen. Daar een gesprek, op 14 maart d.a.v. gevoerd tussen klager en Van der Burgt enerzijds en E. Beenker en L. Riedé anderzijds niet heeft geleid tot een aanvaarding der wederzijdse opvattingen heeft klager zich met bovengenoemde brief tot de Raad gericht.

verweer.

In zijn verweerschrift stelt betrokkene o.m.: "Bij nauwkeurig lezen van de recensie van onze medewerker Beenker is het duidelijk, dat nergens de persoonlijke integriteit van de heer Van der Burgt wordt "aangevallen", zoals de klagende galeriehouder Kool stelt. Wel wordt duidelijk de artistieke integriteit van de kunstenaar Flip van der Burgt bekritiseerd. Voor die kritische beschouwing worden argumenten aangevoerd. Tenslotte wordt op grond van die argumentatie een conclusie getrokken, die geheel op deze argumentatie aansluit. Vanzelfsprekend blijft de hele recensie een persoonlijke visie van de recensent op het geëxposeerde, hetgeen blijkt uit de ondertekening".

Ter zitting

Ter zitting heeft klager zijn bezwaren nader uiteengezet. Hij acht de gehele teneur van het artikel aanvechtbaar omdat het uitgaat van onbewezen stellingen betreffende de inkomsten van de kunstenaar, afgezien nog van de foutieve vermelding van de prijs van een bij het artikel afgebeeld werk, deel uitmakend van de tentoonstelling (f 6000 i.p.v. f 2000). "Eenmaal vervuld van de brandende problemen van deze tijd, maakte hij een serie illustraties op het thema van de kruisgang.
Dit leverde zoveel op dat een tweede kruisgang ('66) volgde," schrijft Beenker. Dit is volgens klager onjuist: de uitgave in druk van de Kruiswegen heeft Van der Burgt meer gekost dan opgeleverde, hiermee vervalt het uitgangspunt van de schrijver, die concludeert: "Geen wonder dat hij na twee kruisgangen bij de sexualiteit is terechtgekomen. - Achter zgn. serieuze thema's verbergt hij zijn ware motieven: kassa, kassa". Vooral tegen de twee laatst geciteerde zinnen heeft klager bezwaar. Dit is geen bespreking van het tentoongestelde werk maar een aanval op de integriteit van de kunstenaar; dit soort aanvallen is zeer schadelijk voor zowel kunstenaar als galeriehouder omdat het publiek niet zozeer koopt op eigen oordeel als wel afgaat op recensies.

Betrokkene stelt hier tegenover dat de criticus verontwaardiging over het thema van het geëxposeerde heeft geuit zonder de werken afzonderlijk te bespreken. Het stuk behelst een aanval op de mentaliteit en de intenties van de kunstenaar, geoorloofd omdat daarbij alleen diens artistieke en niet zijn persoonlijke integriteit in twijfel wordt getrokken, Het dus niet zozeer een recensie in de zin van het esthetisch-kritisch beschouwen van de kunstvoorwerpen maar het signaleren van een in de kunst dreigende trend n.l. het zoeken van de weg van sensatie om daardoor tot grotere bekendheid te komen.

Overwegingen en gevolgtrekkingen.

De Raad overweegt omtrent dit geschil het volgende.

De Raad is het met partijen eens, dat het geincrimineerde stuk niet is een recensie in de gebruikelijke zin doch een beschouwing over Van der Burgt's kunst in het algemeen, waartoe deze tentoonstelling de aanleiding heeft gevormd. Die beschouwing behelst een analyse van de veronderstelde intenties van de exposant. Zo'n beschouwing is alleszins geoorloofd, maar dan moeten de gegevens over de intenties van de kunstenaar wel, hetzij uit zijn werk, hetzij op andere wijze, vaststaan. De Raad is van oordeel dat het onderhavige stuk hiermee in strijd is waar gezegd wordt: "Dit leverde zoveel op dat een tweede kruisgang ('66) volgde", en: "Achter zgn. serieuze thema's verbergt hij zijn ware motieven: kassa 9 kassa". De Raad betreurt dat hier als element van de beschouwing een onbewezen en door klager als onjuist bestreden feitelijkheid is gebruikt die niet aan het werk ontleend kon worden, waardoor de lezer naar een verkeerde conclusie geleid kon worden.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad op 23 september 1969 door Prof. Mr. Ch.J. Enschedé, voorzitter, Dr. E. Diemer, N.G. Schrama, Drs. A.A.V. Ammers en Drs. L.F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K. Helder als secretaris.

RvdJ 1969, 6.