1969/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Geneeskundig Inspecteur voor de Geestelijke Volksgezondheid voor Noordholland en Utrecht tegen de hoofdredactie van het Nieuw Utrechts Dagblad.

Dr. W.L. Meyering, Geneeskundig Inspecteur voor de Geestelijke Volksgezondheid voor Noordholland en Utrecht 9 hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 31 maart 1969 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de hoofdredactie van het Nieuw Utrechts Dagblad als hoedanig is opgetreden Mr. H.W. Sandberg, hoofdredacteur, hierna te noemen betrokkene.

Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkene een verweerschrift heeft ingediend, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak behandeld ter zitting van 12 augustus 1969, waar zowel klager als betrokkene verschenen zijn.

KLACHT

De klacht heeft betrekking op de volgende feiten: Het Nieuw Utrechts Dagblad van 13 maart 1969 bevatte een bericht onder de kop "bejaarde vrouw houdt lijk van haar zuster drie weken in huis". Het betreft een tweetal met name genoemde zusters, die samenwoonden en zeer teruggetrokken leefden. Toen de oudste ziek werd, verbood zij de andere de dokter te waarschuwen. Na haar overlijden kort daarop durfde de jongste zuster niemand te waarschuwen, zij liet het stoffelijk over- schot onaangeroerd. Deze situatie werd pas enige weken later ontdekt door een ongerust geworden buurvrouw. De laatste zin van het bericht luidt "(Volledige naam) die een sterk overspannen indruk maakte, is naar de Willem Arntsz Stichting in de Agnietenstraat gebracht." Behalve de namen komen in het bericht nog de leeftijden en het adres van de zusters voor~ Klager stelt dat door deze vermelding de belangen van een psychiatrische patiënte worden geschaad en de grenzen van het journalistieke fatsoen worden overschreden. Hij stelt voorts dat hij, krachtens de Krankzinnigenwet belast met het toezicht op de krankzinnigen, dit toezicht in de eerste plaats uitoefend ter bescherming van hun belangen. Waar in het onderhavige geval
de genoemde patiënte buiten staat is haar belangen zelf te behartigen,dient de inspecteur beschouwd te worden als degene die dit ter bescherming van haar belangen kan doen.

VERWEER

In zijn verweerschrift stelt betrokkene, hoewel hij niettemin op behandeling van de klacht aandringt, om principiële redenen voorop dat de Raad klager niet ontvankelijk zal dienen te verklaren in zijn klacht, omdat hij niet is een "rechtstreeks belanghebbende" in de zin van art. 14 van het Reglement voor de Raad. Voorts acht hij de klacht ongegrond, en wel om de volgende redenen:
a) nu de naam van. de overledene in het bericht voluit werd vermeld, was het zinloos, haar zuster met initialen aan te duiden.
b) Door een dergelijke aanduiding zou bovendien gezien het in Nederland geldende journalistieke gebruik om initialen te vermelden in verband met strafbare feiten, de indruk worden gewekt dat de aldus aangeduide vrouw verdacht werd van een delict.
c) In dat kader dient de vervanging van de volle naam door initialen als bescherming van de verdachte c.q. als voorkoming van de strafverzwaring die de publiciteit omtrent zijn zaak voor een veroordeelde en zijn familieleden betekent. Deze bescherming is niet van node als het een ziekte betreft, die immers geen "schande" is en waarvan de vermelding dus geen schade kan brengen aan de patiënt. In casu maakte juist de gestoordheid de in het bericht vermelde gebeurtenissen begrijpelijk.
d) Ook de politie zag in dit geval geen reden, bepaalde gegevens niet te verstrekken. Tenslotte vraagt betrokkene zich af waarom klager geen klacht heeft ingediend tegen het Utrechts Nieuwsblad en Het centrum, die soortge1ijke berichten hebben gepubliceerd over genoemde feiten.

ZITTING

Ter zitting is door klager nog aangevoerd dat, nu uit het bericht al bleek dat er geen misdrijf in het spel was; het gebruik van initialen geen onjuiste suggestie kon wekken.Geestelijk gestoorden behoeven z.i. dezelfde bescherming in de pers als delinquenten. De moge1ijkheid van schade voor de patiënte ziet hij vooral gelegen in de periode na haar ontslag uit de psychiatrische inrichting, wanneer het vinden van onderdak voor haar, b.v. in een bejaardentehuis, op moeilijkheden zou kunnen stuiten wegens de rond haar persoon ontstane publiciteit. Hij heeft over de andere bladen niet geklaagd omdat hem alleen het bericht in betrokkene's krant onder ogen was gekomen. Betrokkene stelt daar tegenover dat de nawerking van kranteberichten vaak sterk wordt overschat, verder verzet hij zich tegen een te grote gelijkschakeling tussen (schuldige) normoverschrijders en (onschuldige) zieken wat betreft de hun in de pers te verlenen beschermende anonimiteit.

OVERWEGINGEN

De Raad overweegt het volgende: Aangaande de ontvankelijkheid van klager oordeelt de Raad dat het begrip "rechtstreeks belanghebbende" niet zo beperkt mag worden opgevat dat iemand die krachtens zijn functie, zeker wanneer deze op een ambtelijke aanstelling berust, niet als zodanig kan worden beschouwd wanneer hij opkomt voor de belangen van personen, aan zijn zorgen toevertrouwd. Wat betreft het onderwerp van de klacht staat het voor de Raad vast dat de belangen van de patiënte in dezen meer gediend waren met een publikatie dan met een verzwijgen door de pers van het gebeurde, althans van haar aandeel daarin. De Raad kan meegaan met betrokkene's stelling dat de nawerking van nieuwsfeiten dikwijls zeer beperkt is. Nu de tijdsduur die vermoedelijk zal verlopen tussen de publikatie en het mogelijk intreden van voor de patiënte schadelijke gevolgen daarvan, betrekkelijk lang zal zijn, acht de Raad de reële kans op schade gering, Met klager is de Raad van mening dat, waar de samenleving zich merendeels nog altijd negatief opstelt tegenover geestelijk
gestoorden, het noodzakelijk is ook hen te beschermen tegen publiciteit, die niet op hun belang gericht is. Hoewel de Raad in het onderhavige bericht geen overschrijding van de journalistieke fatsoensnormen kan vinden, ziet hij er wel aanleiding in om te wijzen op het belang van voorzichtigheid zodra de kans - hoe gering ook bestaat op benadeling van belangen van in een bericht genoemde personen. Indien er plaats is voor twijfel, zoals hier, ware te kiezen voor die methode van persoonsaanduiding die de minste kans op benadeling meebrengt. Tenslotte herinnert de Raad aan klager's mededeling dat het toevalligerwijs alleen het bericht in het dagblad van betrokkene onder ogen is gekomen, zodat de overwegingen van deze uitspraak evenzeer gelden voor de bladen, die wel een soortgelijke publikatie brachten maar tegen welke geen klacht aanhangig is gemaakt.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad op 12 augustus 1969 door Mr. G. E. van Walsum, voorzitter, Dr. E. Diemer, Prof. Dr. G.C. van Niftrik, N.G. Schrama en Drs. L.F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K. Helder, als waarnemend secretaris.

RvdJ 1969, 5