1969/4 gegrond

Reclassering contra Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Vereniging van Reclasseringsinstellingen, de Protestants Christelijke Reclasseringsvereniging en mevrouw E. H. C. -F. tegen de hoofdredactie van De Telegraaf.

Het bestuur van de Vereniging van Reclasseringsinstellingen, het hoofdbestuur van de Protestants Christelijke Reclasseringsvereniging en mevrouw E. H. C.-F. te Amsterdam, hierna resp te noemen eerste tweede en derde klager, hebben zich bij brieven van resp. 27 februari, 4 maart en februari 1969 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de verantwoordelijke redacteur van het dagblad De Telegraaf, hierna te noemen betrokkene.

Na een voorlopig onderzoek, gevoerd op de in art. 17.3 van het Reglement voor de Raad omschreven wijze, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De behandeling vond plaats op de zitting van de Raad van 12 augustus 1969 Aldaar zijn verschenen voor de tweede klager mr. A. Heijder, vice-voorzitter van de Protestants Christelijke Reclasseringsvereniging, mede als gemachtigde voor de eerste klager en de derde klager. Tegen betrokkene, voor wie H. Goeman Borgesius als plv. hoofdredacteur op de oproep voor de zitting heeft bericht dat er geen vertegenwoordiger van de hoofdredactie ter zitting aanwezig zou zijn, en die niet is verschenen, verleent de Raad verstek.

FEITEN

De klachten betreffen de volgende feiten:

De Telegraaf publiceerde in de editie van 4 februari 1969 een bericht met de kop 'Amateur-detective lost diefstal op'. In het laatste gedeelte daarvan komen o.m. deze zinsneden voor: 'De schilderijendief, wiens opsporing ook via Interpol is verzocht, is de 32-jarige (volgt vermelding van diens volledige naam met voorletters). Zijn vrouw, van wie hij gescheiden leeft, woont in de (volgt vermelding van straatnaam) in Amsterdam-West. Zijn vrouw krijgt nog regelmatig geld van hem. (Volledige naam) staat bekend als een onbeheerst, agressief man.'
De eerste beide klagers stellen dat de in dit bericht genoemde man een cliënt is van tweede klager en dat door de vermelding van zijn volledige naam en adres de reclasseringsbelangen van deze cliënt en van zijn gezin zijn geschaad en de hulpverleningsmogelijkheden voor tweede klager ernstig zijn belemmerd. De tweede klager stelt voorts zich ervan vergewist te hebben dat de met het opsporingsonderzoek in deze zaak belaste politie-ambtenaren de naam van de man niet bekend hebben gemaakt. De derde klaagster sluit zich bij de klachten aan en deelt mee welke schadelijke gevolgen de publikatie voor haar en haar kinderen heeft gehad.

Betrokkene reageerde op deze klachten bij brief van 24 april 1969, stellende dat de gegevens voor bedoeld bericht verkregen zijn van politiezijde. 'De heer (...) werd ten tijde van de publikatie van dat artikel door de politie gezocht en er was zelfs een verzoek om aanhouding bij Interpol ingediend Wij zien niet in waarom wij mensen die door de politie gezocht worden, niet met hun volledige naam in de krant zouden zetten. Een heel andere zaak is het, wanneer de verdachte is gearresteerd', aldus namens betrokkene de plaatsvervangend hoofdredacteur H. Goeman Borgesius.

Ter zitting hebben de klagers hun klachten uitvoerig toegelicht. Genoemde man, met wie de P.C.R.V. reeds sinds 1955 ononderbroken bemoeienis heeft gehad, heeft na de publikatie in De Telegraaf in zijn gedrag de neiging getoond, zich te willen identificeren met het daarin van hem geschetste sterk overtrokken beeld van agressief beroepsinbreker. Deze reactie heeft de reclasseringsmogelijkheden sterk verminderd. Zijn vrouw en kinderen werden plotseling door buurt- en schoolgenoten, tot dan toe onkundig van de achtergronden van dit gezin, bejegend als de familie van de beruchte dief. Voorts kwam een ambtenaar van de Bijstandswet een onderzoek instellen naar de juistheid van het bericht dat de man zijn vrouw nog geld verschafte, hetgeen door klagers wordt ontkend. Door deze publikatie is blijvend een zware druk op dit gezin gelegd; van een enigszins normaal leven is geen sprake meer.

OVERWEGINGEN

De Raad overweegt hierover het volgende:

Nu betrokkene niet is verschenen, heeft de Raad geen klaarheid kunnen verkrijgen omtrent de motieven, die De Telegraaf hebben geleid tot het publiceren van het geïncrimineerde gedeelte van het bericht. De Raad acht het denkbaar, zonder overigens dit standpunt tot het zijne te maken, dat het blad meent als publiciteitsmedium een taak te hebben op het gebied van de opsporing en bestrijding van crimineel gedrag. Hierbij doet in dat geval niet ter zake of van de zijde der justitie om medewerking bij de opsporing is gevraagd of niet: de pers kan van oordeel zijn, in het algemeen belang ook ongevraagd mee te moeten werken aan de opsporing van delinquenten; zij heeft dan in dezen een eigen verantwoordelijkheid. De vraag, van welke zijde de voor de hier in het geding zijnde publikatie gebruikte gegevens zijn verkregen, kan derhalve buiten beschouwing blijven. Wel is de Raad van oordeel dat genoemde eigen verantwoordelijkheid noopt tot vergrote zorgvuldigheid indien de pers niet om hulp wordt gevraagd en haar niet van politie- of justitiezijde een foto, een signalement e.d. ter
beschikking worden gesteld doch zij zich de benodigde gegevens door eigen onderzoek moet verschaffen.
De zorgvuldigheidseis concretiseert zich, behalve in een diepgaande verificatie der te publiceren gegevens, o.m. in een afweging van belangen: enerzijds van het algemeen belang, hier door medewerking aan de opsporing gediend, anderzijds van de persoonlijke belangen van hen over wie gepubliceerd wordt. Bij deze laatsten dienen in casu twee aspecten onderscheiden te worden: de belangenafweging t.o.v. de delinquent en die t.o.v. zijn gezin.
Klaarblijkelijk heeft De Telegraaf wat betreft deze delinquent gemeend dat het belang van de opsporing moest prevaleren boven het persoonlijke, met inbegrip van het reclasseringsbelang, waarbij de Raad betwijfelt of in het kader van de in het omstreden bericht genoemde gegevens de vermelding van de volledige naam zinvol was.
Wat het gezin betreft heeft er naar het oordeel van de Raad in het geheel geen juiste afweging van belangen plaatsgevonden: de beide zinnen beginnend met 'Zijn vrouw' bevatten, uit een oogpunt van opsporing bezien, nagenoeg geen relevante gegevens en hadden achterwege kunnen blijven, temeer daar zij kwetsend waren voor de genoemde en hebben geleid tot een grotendeels~ voorzienbare schade voor haar en de kinderen. Daar het gezin een steunpunt vormde van het reclasseringsplan van tweede klager voor zijn cliënt, zijn ook diens belangen geschaad.
De Raad betreurt derhalve ernstig dat De Telegraaf bij de publikatie van bovengenoemd bericht een tekort aan journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht bij het vermelden van gegevens omtrent de daarin genoemde personen.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad op 12 augustus 1969 door mr. G. E. van Walsum, voorzitter, dr. E. Diemer, prof. dr. G. C. van Niftrik, N. G. Schrama en drs. L. F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Helder als waarnemend secretaris.

RvdJ 1969, 4.