1969/2 onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Guus Oster tegen Ischa Meijer.

De heer Guus Oster heeft zich bij brief van 26 november 1968 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer Ischa Meijer. Deze klacht kan als volgt worden samengevat. In de Haagse Post van 5 oktober 1968 schreef de heer Meijer een artikel onder de titel "Toneel". In dat stuk sprak de heer Meijer over "de patserige,reeds jaren na pensioengerechtigde leeftijd, opererende zakenlieden van DE NEDERLANDSE KOMEDIE". Volgens de klacht worden hier de grenzen van het journalistieke fatsoen overschreden, klager gevoelt zich door die passage gekwetst. Het voorlopig onderzoek is gevoerd op de wijze als omschreven in art. 17.3 van het Reglement voor de Raad. Van de kant van de betrokkene is geen verweerschrift ingediend. Wel werd een brief van 10 maart 1969 ontvangen van de volgende inhoud:

"In antwoord op uw schrijven van 31 jan. 1969 delen ondergetekenden u na rijp beraad mede, dat de heer Ischa Meijer niet zal ingaan op uw verzoek tot het indienen van een verweerschrift n.a.v. de door de heer Guus Oster ingediende klacht bij de Raad voor de Journalistiek. Zij achten de onderwerpelijke aangelegenheid niet geschikt voor behandeling door deze Raad. (w.g, Ischa Meijer, (w) W.L. Brugsma Hoofdredacteur". De voorzitter heeft daarop de zaak naar de Raad verwezen, die in raadkamer van 3 juni 1969 heeft beslist, dat de zaak ter zitting van 17 juni 1969 diende te worden behandeld. De secretaris heeft daarop klager en betrokkene op de wijze als voorzien in art. 20 2 opgeroepen. Daarop ontving de Raad een brief van 13 juni 1969 van de volgende inhoud: "Onder referte aan de oproepen van uw Raad d.d. 5 juni j.l., gericht aan de heren W.L. Brugsma en I. Meijer, met betrekking tot de zitting van 17 juni a.s. in opgemelde aangelegenheid, delen wij u het navolgende mede. Zoals wij u reeds begin maart j.l. hebben bericht, achten wij de onderwerpelijke kwestie niet geïndiceerd voor behandeling voor uw Raad, zodat wij ook momenteel geen reden zien aan uw oproep gevolg te geven. Wij verblijven, hoogachtend, w.g. I. Meijer W.L. Brugsma".

Ter zitting is verschenen de klager, bijgestaan door Mr. R. v.d. Vijver, advocaat te Amsterdam. Betrokkene is niet verschenen: de Raad heeft tegen hem verstek verleend. Klager heeft bij zijn klacht, die hij nader heeft toegelicht, volhard.

De Raad overweegt en beslist als volgt.

De Raad kon bij zijn beraadslagingen niet tot het inzicht komen, dat de behandeling van de klacht met de vereiste grondigheid kon geschieden en aan de verdediging van de belangen van de betrokkene voldoende recht kon wedervaren; hij onthoudt zich daarom van het geven van een oordeel inzake de klacht.

De Raad besluit inzake de weigering van de betrokkene om zijn medewerking aan de behandeling van de klacht te verlenen de volgende verklaring ter publikatie aan De Journalist te verstrekken: "De heer Guus Oster heeft zich in november 1968 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer Ischa Meijer n.a.v. een artikel van de heer Meijer in de Haagse Post van 5 oktober 1968. De heer Oster voelde zich gegriefd door een zinsnede in dat artikel, waarin gesproken werd van "de patserige, reeds jaren na pensioengerechtigde leeftijd, opererende zakenlieden van de Nederlandse Comedie".

De heer Meijer heeft geweigerd zijn medewerking aan de behandeling van deze klacht te verlenen. De Raad heeft zich in verband daarmede van het geven van een oordeel inzake de klacht onthouden. Deze mededeling is verstrekt conform art, 36.3 van het Reglement van de Raad."

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 17 juni 1969 door Prof. Mr. Ch.J. Ensched├ę, voorzitter, Mr. H. Dikkers, Prof. Dr. G.C. van Niftrik, Drs. J.M.M. van der Pluym en N.G. Schrama, leden in tegenwoordigheid van de waarnemend secretaris Mr. K. Helder.

RvdJ 1969, 2