1969/1 ongegrond

Landré contra Blokker/v.d. Pluym

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek op een klacht van J. M. Landré tegen Jan Blokker en drs. J. M. M. van der Pluym.

Mr. J. M. Landré heeft zich bij brief gedateerd 19 februari 1969 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen Jan Blokker en de verantwoordelijke hoofdredacteur van De Volkskrant, als hoedanig in deze zaak is opgetreden drs. J. M. M. van der Pluym.
Na een voorlopig onderzoek, ter gelegenheid waarvan betrokkenen een verweerschrift indienden, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 3 juni 1969. Aldaar zijn verschenen de klager, bijgestaan door mr. H. J. Minderop, advocaat te 's-Gravenhage, en de beide betrokkenen.

De volgende feiten zijn uit het verhandelde ter zitting komen vast te staan.

Op 17 januari 1969 heeft klager deelgenomen aan een besloten vergadering van een vijftal functionarissen van de Nederlandse Televisie Stichting, een sectie van de Programmaraad.
Van die vergadering zijn geen notulen gemaakt. Tijdens die vergadering heeft klager iets gezegd in de volgende trant: 'Een van mijn relaties heeft tegen me een opmerking gemaakt of het feit dat er in de N.T.S.-quiz 'Wat doe je voor de kost' nogal wat joden zitten, geen voedsel geeft aan het latente antisemitisme; is dat nu wel verstandig.' Ik dacht toen: daar moeten we eens over discussiëren.'
De heer Blokker vernam van de heer Klaagde dat klager in een vergadering een opmerking over joden had gemaakt en las daarover een citaat in Vrij Nederland in de rubriek 'Bij ons in Holland' van 1 februari 1969. De heer Blokker besloot hierover in De Volkskrant te schrijven.
Hij heeft een week gewacht of dat citaat, dat ook in andere bladen verscheen, door klager werd betwist. Dit is niet gebeurd. Daarop is hl De Volkskrant van 7 februari 1969 onder een door de heer Blokker opgestelde kop 'Anti-semitisme moet verdwijnen' een stuk van zijn hand verschenen, Dit stuk is, voordat het geplaatst werd, door de heer Van der Pluym gelezen. De aanhef van dat stuk luidt als volgt:
'Die van Landré heeft u inmiddels natuurlijk al wel gehoord. Staat-ie op een vergadering van hooggeplaatste omroepfunctionarissen ineens op en zegt dat er te veel joden zitten in de zondagmiddagquiz Wat Doe Je Voor De Kost. Loopt iemand na afloop van die vergaderen naar Vrij Nederland om 't te vertellen, belt een redacteur van dat weekblad naar Landré en vraagt of het waar is en wat hij er precies mee bedoeld heeft. Waarop de Leider van de TROS zegt: ik heb niks tegen joden maar als je ze te veel ziet loop je kans dat er weer allerlei latente anti-semitische gevoelens de kop gaan opsteken!
Zodra ik uitgelachen was spoedde ik mij naar de TROS-burelen, om de au fond diep-ernstige materie nog eens met Landré door te spreken.'

'interview'

De rest van het stuk bestaat uit een gefingeerd interview met klager. Klager voelt zich 'in zeer ernstige mate gegriefd door de inhoud en strekking van dit artikel'. Hij heeft in zijn klaagschrift onder meer gesteld:
dat in dit artikel op een infame wijze gesuggereerd wordt, dat klager bezwaren zou hebben tegen het in enigerlei vorm deelnemen van joden aan activiteiten in de omroep of elders en zodoende bij de lezer de indruk gevestigd wordt dat klager zich schuldig zou maken aan antisemitisme;
dat door de schrijver van dit artikel de vorm van een interview gekozen is, welk interview niet heeft plaatsgevonden en waarbij hij allerlei z.g. uitlatingen van klager citeert;
dat een eventueel verweer van de heer Jan Blokker één en ander humoristisch bedoeld te hebben, niet opgaat omdat hij zijn artikel inleidt met een aantal pertinente onwaarheden, zoals 'Die van Landré heeft u inmiddels natuurlijk al wel gehoord. Staat-ie op een vergadering van hooggeplaatste omroepfunctionarissen ineens op en zegt dat er te veel joden zitten in de zondagmiddagquiz Wat Doe Je Voor De Kost', alsmede 'Waarop de Leider van de TROS zegt: ik heb niks tegen joden, maar als je ze te veel ziet, loop je kans dat er weer allerlei latente antisemitische gevoelens de kop gaan opsteken!;
dat deze inleiding kennelijk bedoeld is om een bepaalde sfeer van antisemitisme rond klager te scheppen, hem bij de lezer verdacht te maken alsmede hem opvattingen toe te schrijven, die kennelijk dienen om klager moreel te diskwalificeren.'

Ter zitting heeft klager de Raad verzocht vast te stellen, dat betrokkenen door het redigeren resp. plaatsen van dit artikel een gedraging hebben gesteld die schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

 

VERWEERSCHRIFT

De heer Blokker heeft in zijn verweerschrift aangevoerd:

'In Vrij Nederland van 1 februari 1969 verscheen in de rubriek Bij Ons in Holland een artikel naar aanleiding van wat mr. J. M. Landré als directeur van de TROS tijdens een vergadering van omroepleiders te berde had gebracht over het NTS-quiz-programma Wat Doe Je Voor De Kost. Het artikel bevestigde wat in televisiekringen reeds bij geruchte was vernomen, te weten dat de heer Landré in bedoelde vergadering aandacht had gevraagd voor het feit dat het panel van de quiz in kwestie voor de helft werd bezet door joden, en als zijn mening te kennen had gegeven dat een te geprononceerde aanwezigheid van joden op het televisiescherm tot gevolg zou kunnen hebben, dat bepaalde latente gevoelens van anti-semitisme zouden worden aangewakkerd. Tegenover de verslaggever van Vrij Nederland verklaarde de directeur van de TROS desgevraagd:
Ik heb het wel gezegd, maar met een heel ander motief. Ik heb zoveel joodse vrienden en een van die joodse vrienden zei op een gegeven moment tegen mij: er zitten zoveel joden in die quiz, dat is niet goed. Dat geeft voedsel aan het steeds meer in Nederland kop opstekende anti-semitisme. Ik zei: hé daar heb ik nooit bij stilgestaan. Daar moeten wij eens over discussiëren. Op die vergadering vroeg ik: mensen is dat nou wel verstandig.
Tot op de dag dat mijn gewraakte column in De Volkskrant verscheen was de juistheid van dit citaat niet door de heer Landré betwist, ook niet nadat zijn uitspraak in een aantal dag- en weekbladen was overgenomen.
Aan de zienswijze van de TROS-functionaris behoefde dus niet meer getwijfeld te worden.
Onderwerp van mijn column nu was, de verwerpelijkheid van deze zienswijze te demonstreren. Ik gebruikte daarvoor als methode het consequent doortrekken van Landré's gedachtelijn, en hoopte duidelijk te maken, dat die lijn één onherroepelijk en angstaanjagend eindpunt heeft: alleen als er geen joden meer zijn, behoeft niemand zich nog zorgen te maken over al dan niet latent anti-semitisme. Nergens in mijn column wordt gesuggereerd dat de heer Landré antisemiet zou zijn. Er wordt ten hoogste impliciet in gesteld dat de heer Landré lijdt aan een kwaal die ik even gevaarlijk acht als die van het anti-semitisme, namelijk angst voor het anti-semitisme, inclusief de bereidheid om de eventuele anti-semiet als het ware tegemoet te komen door op zijn mogelijke gevoelens (bij het zien van joden op televisie) te anticiperen, c.q. die gevoelens te sparen (door joden van het televisiescherm weg te houden).

Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat ik
a) nauwelijks de noodzaak voel mij te verweren, laatstaan
b) mij bij zulk een verweer zou willen beroepen op humoristische bedoelingen'. In de eerste plaats hen ik geen humorist doch een columnschrijver en als er mijnentwege ooit behoefte heeft bestaan humor te bedrijven dan toch wel het laatst naar aanleiding van een zo kwalijke meningsuiting als waartoe ik de in het geding gebrachte uitspraak van de heer Landré wens te rekenen.
Het lijkt mij nuttig er met name bij de Raad voor de Journalistiek nadruk op te leggen, dat columnschrijvers niet per definitie vrijblijvende grappenmakers zijn. Ik althans huldig een andere opvatting van mijn taak en ik prijs mij gelukkig die opvatting met een zekere regelmaat in de Volkskrant te mogen manifesteren. Stijl én benaderingsmethode van de columnschrijver hebben immers de vaste regelmaat en de vaste omgeving van een krant nodig om (her)kenbaar te worden voor de lezer, waardoor tussen schrijver en lezer een zo hecht mogelijke basis van verstandhouding kan ontstaan.
Op die verstandhoudingsbasis is op den duur ook misverstand uitgesloten over wat 'echt waar' of wat verzonnen is. In de context van mijn gewraakte column was op die manier voor iedere lezer duidelijk dat de interviewvorm een stijlmiddel was dat in geen enkel opzicht voorwendde aan enigerlei waarheid te refereren; ik mag u erop wijzen, dat een dergelijke stijl-truc door columnisten van uiteenlopende aard - van Art Buchwald tot Godfried Bomans - bij herhaling wordt toegepast.
U zult uit een en ander hebben begrepen, dat ik mij ten aanzien van het door de heer Landré aangevoerde in genen dele 'schuldig' voel. Het komt mij, zacht gezegd, vreemd voor dat de heer Landré, na zijn uitspraak die tot het schrijven van de aangeklaagde column inspireerde mij gebrek aan zorgvuldigheid verwijt.'

Hij heeft ter zitting nog enkele andere weren gevoerd; de Raad zal op zijn verweren hieronder ingaan. Ook de heer Van der Pluym heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hem geen verwijt treft.

 

OVERWEGINGEN

De Raad overweegt omtrent het geschil dat partijen verdeeld houdt het volgende.

De heer Landré heeft ter zitting weergegeven wat hij zo ongeveer op de kleine besloten vergadering in verband met de N.T.S.-quiz 'Wal doe je voor de kost' gezegd zou hebben.
De heer Blokker zegt zijn stuk geschreven te hebben aan de hand van de versie van het gebeurde in Vrij Nederland van 1 februari. Partijen hebben die tekst niet aan de Raad overgelegd, maar hij is te vinden in de tussen aanhalingstekens gestelde alinea van het verweerschrift, zo heeft de heer Blokker, op dit punt niet door klager tegengesproken, ter zitting verklaard.
Van het gebeurde zijn dus drie versies: die van de heer Landré; die van Vrij Nederland; die van De Volkskrant.
De eerste verschilt enigermate van Vrij Nederland en niet onaanzienlijk van De Volkskrant.
Volgens de eerste versie heeft klager ter vergadering verteld, wat een van zijn relaties hem over de quiz had gezegd, en heeft klager gevraagd of daarover niet eens moest worden gediscussieerd. In de versie van Vrij Nederland verschijnt die relatie wel ten tonele, maar niet dat de heer Landré ter vergadering over zijn relatie gesproken heeft. In De Volkskrant komt die relatie niet meer ter sprake.
Terwijl de heer Landré op een kleine besloten vergadering sprak, laat De Volkskrant hem 'op een vergadering van hooggeplaatste omroepfunctionarissen ineens opstaan en zeggen' enz.

De heer Blokker heeft ter zitting verklaard, dat hij de versie van Vrij Nederland als juist mocht aanvaarden nu deze niet door klager werd weersproken. Hij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat hij als column-schrijver weliswaar geen andere positie inneemt dan andere journalisten, maar dat hij als zodanig toch anders functioneert. Hij reageert als het ware in een tweede echelon: hij moet en mag, zo stelt deze betrokkene, in de publiciteit gehuldigde opvattingen omtrent de toedracht van bepaalde gebeurtenissen die algemeen opgeld doen als waar aanvaarden zonder die opnieuw te moeten verifiëren, gelijk een nieuwsgarende journalist wel behoort te doen. In dit verband heeft de heer Blokker nog gewezen 'op zijn geloof of - wellicht ijdele - hoop' dat hij als columnschrijver een bepaalde conditionering van zijn lezerskring kan bereiken; de lezers weten, zo hoopt hij, meestal wel wat ze aan zo'n column hebben en ook dat ontslaat hem van de plicht, de gegevens waarvan hij uitgaat na te trekken.
De Raad kan zich in grote lijnen met de beschouwingen van de heer Blokker over positie en functie van de columnschrijver wel verenigen. Maar hij kan de slotsom van de heer Blokker, dal hem dus in het gegeven geval geen verwijt treft, toch niet ten volle delen. De heer Blokker ontkent dat hij klager anti-semitische neigingen of opvattingen heeft
aangewreven; hij wilde hem slechts, zo lichtte hij dat ter zitting toe, een domheid verwijten.
Daargelaten nog dat ook de wijze waarop men iemands beweerdelijke domheid aan de kaak stellen mag aan grenzen gebonden is, gaat het stuk van de heer Blokker naar het oordeel van de Raad heel wat verder dan dat. Onder de kop 'Anti-semitisme moet verdwijnen' legt reeds de eerste alinea aan klager de volgende twee uitlatingen in de mond: 'er zitten te veel joden in de zondagmiddagquiz'; 'ik heb niks tegen joden maar als je ze teveel ziet loop je kans dat er weer allerlei latente antisemitische gevoelens de kop gaan opsteken'. De auteur heeft zich kunnen realiseren en dit ook behoren te doen, dat klager daarmede gevaar liep, juist voor - naar moet worden aangenomen niet weinige - vrij onzorgvuldige lezers van een column in de krant als eden man met anti-semitische opvattingen, als een crypto-antisemiet, aan de kaak gesteld te worden.
Indien zulke gevaren van aantasting van eer en goede naam dreigen is er voor de journalist een bijzondere plicht tot zorgvuldigheid ten opzichte van zijn uitgangsgegevens. Dat geldt ook de voor de columnschrijver. In dit opzicht is de heer Blokker naar het oordeel van de Raad tekort geschoten. Hij heeft immers in zijn stuk de twee - hierboven geciteerde - uitspraken aan klager toegeschreven, die in de door hem zelf aangewezen bron - Vrij Nederland van 1 februari - niet zijn terug te vinden en juist daardoor is de heer Landré als iemand met antisemitische opvattingen getekend. Dat klager zich daardoor gegriefd gevoelt laat zich horen.
De Raad kan de ter zitting nog ter sprake gekomen kwestie, of de heer Blokker zijn gegevens nog bij de heer Landré zelf had moeten verifiëren gelet op de hierboven geconstateerde discrepantie tussen Vrij Nederland en De Volkskrant, verder onbesproken laten. In het algemeen kan de Raad wel met de heer Blokker instemmen dat juist de functie van de columnist daartoe wellicht minder aanleiding geeft dan het werk van de nieuwsgaarder.
De klacht strekt zich niet alleen uit over kop en aanhef van het stuk in De Volkskrant, maar ook over het gefingeerde interview. De Raad zal daarop echter niet dieper ingaan, nu veel van hetgeen hiervoor is betoogd, ook op dat verdere deel van het stuk toepasselijk is en nu klager ter zitting heeft aangegeven dat zijn grootste bezwaar juist de aanhef geldt.

De Raad onthoudt zich van een oordeel of de vragen die de heer Landré heeft gesteld nu domme vragen zijn of niet. De Raad heeft er echter wel behoefte aan de vraag te stellen of in het kader van een vergadering als waarom het hier gaat het niet mogelijk moet zijn vragen als door de heer Landré bedoeld te berde te brengen zonder dat men bloot staat aan het gevaar publiekelijk daarom over de hekel gehaald te worden. Ook domme en tendentieuze opmerkingen moet men toch kunnen maken, al was het alleen maar om door zijn gesprekspartners te worden tegengesproken. Men kan zich afvragen of een behandeling in de pers van zo'n opmerking, zelfs als hij misplaatst zou zijn, gelijk hier heeft plaats gehad niet meebouwt aan een verstikkend klimaat waarin redelijk overleg onmogelijk wordt.

 

SLOTSOM

De heer Blokker heeft, zo luidt de slotsom, een fout gemaakt; maar de Raad acht deze niet ernstig genoeg voor het oordeel dat hier sprake is van een gedraging, schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.
De heer Van der Pluym treft geen verwijt. Hij mocht erop vertrouwen dat de ervaren journalist Blokker zich aan de regels van het vak hield.

De Raad besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten 'De Journalist'.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 3 juni 1969 door prof. mr. Ch. J. Enschedé, voorzitter; mevrouw mr. J. Brans-Woltering, dr. E. Diemer, mr. H. Dikkers en N. G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van de waarnemend secretaris, mr. K. Helder.

 

RvdJ 1969, 1