1968/4 ongegrond

Klachten tegen Helmonds Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek op een klacht van P. Bakens tegen de hoofdredacteeur en de chef-redacteur van het Helmonds Dagblad.

De heer P. Bakens te Asten, hierna te noemen klager, heeft zich op 5 mei, 1968 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer S. H. A. M Zoetmulder, hoofdredacteur van het Helmonds Dagblad, alsmede tegen de heer J. Linders, chef-redacteur van dat blad, hierna te noemen betrokkene(n).

Nadat laatstgenoemde voor beide betrokkenen een verweerschrift had ingediend, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen.

De Raad heeft de klacht behandeld in zijn zitting van I november 1968, alwaar zijn verschenen de klager, P. Bakens en de betrokkene J. Linders, en vervolgens in zijn zitting van 3 december 1968, alwaar is gehoord de betrokkene Zoetmulder en waar mede aanwezig was de klager voornoemd.

De klacht heeft betrekking op de volgende feiten:

In het Helmonds Dagblad van 5 maart 1968 verscheen een artikel onder de koppen 'Gevaar voor volksgezondheid', - 'Open riool in Ommel zet weilanden blank', welk artikel handelde over de situatie met betrekking tot de afvallozing van de pluimveeslachterij Goossens ,te Asten.
Naar aanleiding van dit artikel stelde klager als raadslid in enkele vergaderingen van de Astense gemeenteraad vragen over deze zaak en diende hierover een motie in.
Op 3 april 1968 werd in het Helmonds Dagblad een interview afgedrukt, dat de chef-redacteur had afgenomen aan de heer Goossens, directeur van de bedoelde pluimveeslachterij en tevens raadslid van de gemeente Asten.

Naar aanleiding van dit interview stuurde klager op 5 april 1968 aan het Helmonds Dagblad een ingezonden stuk. In dat stuk reageerde klager op in het interview vervatte uitlatingen van de heer Goossens, dat hij in Asten tegenwerking ondervindt van 'enkele raadsleden' die met 'allerlei uitlatingen' de politiek in Asten 'verziekt' hebben. Tevens grijpt dat stuk terug op een vroeger meningsverschil over een aan de heer Goossens verstrekte vergunning tot de bouw van een villa. Het stuk werd in het nummer van 9 april gepubliceerd, echter met weglating van de volgende passages:

'Waarom deed ik dat? Omdat de wet dient te worden nageleefd, zelfs als het de heer Goossens geldt. De heer Goossens zelf wist trouwens evengoed als ik dat hij ging bouwen met een vergunning, die met uitgereikt had mogen worden. Als raadslid had hij daarvan in geweten geen gebruik mogen maken, omdat ook hij gebonden is aan de eed, die van raadsleden vergt, dat zij de Wetten des Rijks zullen eerbiedigen. Als raadslid mag men zich niet direct en niet indirect ten koste van de gemeente bevoordelen. Uw eigen blad heeft destijds dan ook terecht het beleid van het Gemeentebestuur scherp gelaakt.' ... 'en daarom heb ik voor U, geachte redactie de volgende principiële vragen Moeten wij, Raadsleden van Asten, wettig noemen wat de minister, de Ged. Staten en niet te vergeten Uw eigen blad als onwettig hebben bestempeld? En mogen wij, inhakend op een publikatie in Uw eigen blad, vragen om passende voorzieningen voor dat open riool te Ommel? Als ik nu even mag aannemen, dat U op de eerste vraag 'neen' en op de tweede 'ja' wilt zeggen, hebben wij onszelf dan iets te verwijten. of past een verwijt aan degenen, die ons uitmaken voor wegjagers van bedrijven?'
De coupures zijn zonder overleg met klager aangebracht. Aan het stuk was in een rubriek 'Op de korrel' op dezelfde pagina een redactioneel commentaar van de hand van de chef-redacteur van het
blad toegevoegd. Een op 9 april 1968 door klager ingezonden stuk, waarin hij zich beklaagt over de wijze, waarop zijn stuk werd behandeld, werd niet geplaatst, zonder dat klager hierover bericht ontving. Eveneens werd niet gereageerd op een brief van 9 april aan de betrokkene Zoetmulder, waarbij klager om een onderhoud verzocht.

Klager voelt zich op drie punten bezwaard:

a. Het Helmonds Dagblad zou het, na eerst zelf het open riool te hebben gesignaleerd, voorstellen alsof hij, die mede verantwoordelijk zou zijn voor een 'verziekte politiek' in Asten, deze rioolkwestie zou hebben behandeld op een wijze die schade moest veroorzaken aan de werkgelegenheidsontwikkeling in Asten.

b. Deze gelegenheid zou zijn aangegrepen om klager's reputatie als raadslid met ongefundeerde beweringen aan te tasten. (Interview 3 April 1968; Op de korrel 9 april 1968).

c. Het Helmonds Dagblad zou het recht van verweer niet op objectieve wijze hebben toegepast.

In zijn verweerschrift wijst de betrokkene Linders de klachten af op de volgende gronden.

De onder a en b bedoelde klachten doet klager steunen op het interview in het Helmonds Dagblad van 3 april 1968 en op het redactioneel commentaar op het ingezonden stuk van klager in het nummer van 9 april 1968 Eerstbedoeld stuk is, aldus het verweerschrift, een normaal interview, waarin de heer Goossens uitspraken doet over zijn ervaringen in de zaak van Asten, en waarin het Helmonds Dagblad niets beweert. Het tweede bedoelde stuk gaat niet over de feiten, maar wijst slechts op de overtrokken betoogtrant van klager in de Raad van de gemeente Asten.
Wat de klacht sub c betreft stelt het verweerschrift dat geen wezenlijke dingen in het ingezonden stuk van klager werden geschrapt.

Ter zitting is nog het volgende komen vast te staan:

De betrokkene Zoetmulder heeft als gewoonte ingezonden stukken die naar zijn mening te lang zijn of ingezonden stukken, die op zijwegen gaan, aan de inzender te retourneren met verzoek deze te bekorten of te wijzigen; de betrokkene Linders heeft deze gedragslijn in het onderhavige geval niet gevolgd.
De betrokkene Zoetmulder 'had er', toen hij de brief van 9 april van klager ontving 'genoeg van'; daarom is hij niet ingegaan op het verzoek van de klager eens met hem over de affaire te praten, waarbij het overigens ook naar betrokkene's mening correcter zou zijn geweest dit aan klager te berichten.
De betrokkene Zoetmulder heeft, omdat hij er genoeg van had, geen kennis genomen van de inhoud van het ook aan hem bij de brief van 9 april 1968 toegezonden tweede ingezonden stuk. Hij heeft zonder meer besloten, dit tweede ingezonden stuk niet te plaatsen en dit heeft hij medegedeeld aan de betrokkene Linders.

De Raad overweegt het volgende:

In het interview in het Helmonds Dagblad van 3 april 1968 is niet getreden buiten de normale grenzen die aan een dergelijk interview moeten worden gesteld. Met name is het karakter van het interview niet in ontoelaatbare mate aangetast door de verwerking hierin van een stuk redactioneel oordeel, al blijkt uit deze zaak wel opnieuw dat het aanbeveling verdient berichtgeving en commentaar gescheiden te houden, om misverstanden bij de lezer te voorkomen. Men kan de (hoofd)redactie van een krant niet het recht ontzeggen een ingezonden stuk van commentaar te voorzien, zoals in de rubriek 'Op de korrel' van 9 april 1968 is gebeurd, zeker niet in een geval als dit waarin klager in zijn functie van raadslid in de openbaarheid werkt.
Daarmede zijn klager's onder a en b vermelde bezwaren terzijde gesteld.
De klacht sub c, dat betrokkenen het recht van verweer niet op objectieve wijze zouden hebben toegepast heeft betrekking op de wijze waarop klager's beide ingezonden stukken en de brief van 9 april aan betrokkene Zoetmulder zijn behandeld. De betrokkene Linders heeft klager's eerste ingezonden stuk verkort zonder voorkennis van of overleg met klager.
In het algemeen kan men aan een krant niet het recht ontzeggen, ingezonden stukken te bekorten; toch wil dat nog niet zeggen dat dat in het onderhavige geval zonder medeweten van klager had mogen gebeuren. De betrokkene Linders zegt daartoe te zijn overgegaan, omdat klager in zijn stuk oude koeien uit de sloot haalde. De discussie draaide om de kwestie van het open riool, maar klager haalde daar de afgedane zaak van de bouwvergunning bij. Bovendien verviel het stuk juist op dat punt in herhaling.
Inderdaad kan worden toegegeven, dat juist zulke omstandigheden aanleiding tot bekortingen kunnen geven. Niettemin is de kwestie daarmede nog niet beslist Want daar staan in dit geval andere omstandigheden tegenover.
In de eerste plaats gaat het hier om een stuk van een lokale publieke persoonlijkheid, die als zodanig, ook in het Helmonds Dagblad - het enige regionale dagblad dat verspreid wordt in zijn gemeente Asten aan openbare kritiek blootstond. Binnen redelijke grenzen behoort klager gelegenheid te hebben zelf uit te maken, hoe hij zich het best opstelt en verweert in het publieke debat. Daarbij moet hij dan weer rekening houden met het feit dat hij in de kolommen van de krant gastvrijheid geniet. Uit het stuk zoals het verschenen is, blijkt dat de bekorting eerder is ingegeven door het streven, herhaling te vermijden dan door de wens geen oude koeien uit de sloot te laten halen: De kwestie van de bouwvergunning komt er immers nog in voor Het zwaartepunt heeft dus gelegen bij het bezwaar van de herhaling. Nu blijkt uit klager's stuk zelf, dat klager - terecht of ten onrechte, dat is zijn zaak - zijn kracht zag juist in de niet opgenomen slotpassage, die begint met de woorden: 'en daarom heb ik voor U, geachte redactie de volgende principiële vragen'. In de tweede plaats dient mede In aanmerking te worden genomen, dat de redactie klager's stuk op dezelfde pagina heeft voorzien van een redactioneel commentaar; dat had betrokkene Linders nog eens te meer tot voorzichtigheid t.a.v. de behandeling van klager's stuk moeten manen.

Voor en tegen afwegende kan men slechts tot de slotsom komen, dat klager zich terecht beklaagt over het feit, dat onder deze omstandigheden zijn stuk zonder zijn voorkennis is bekort. De redactie is in journalistieke zorgvuldigheid tekort geschoten. Dat geldt in sterkere mate voor betrokkene Linders dan voor betrokkene Zoetmulder. Chef redacteur Linders heeft hier immers gehandeld op een wijze die niet strookte met de beleidslijn van de hoofd-redacteur Zoetmulder.
Het tweede ingezonden stuk is niet geplaatst, er is daarover geen contact tussen partijen geweest. Klager's brief van 9 april is onbeantwoord gebleven. De betrokkene Linders staat buiten deze kwestie: de beslissingen zijn genomen door betrokkene Zoetmulder. In het algemeen kan men aan een krant niet het recht ontzeggen een ingezonden stuk te weigeren. Het heeft weinig zin diep in te gaan op de vraag, of dat ook in het onderhavige geval had mogen gebeuren en of daaromtrent contact had moeten zijn opgenomen met klager. Het geldt hier immers de slotfase van een door de tevoren gemaakte fout reeds bedorven gang van zaken. Voor wat de brief van 9 april aangaat: het zou stellig, reeds uit overwegingen van wellevendheid, beter zijn geweest, indien de betrokkene Zoetmulder aan klager iets had laten weten n.a.v. zijn verzoek om een onderhoud. De Raad volstaat met dit, voorzover nodig, onder de aandacht van betrokkene te brengen.
Heeft de betrokkene Linders met de door hem gemaakte fout de waardigheid van de stand van de Nederlandse journalisten geschaad? Tot die slotsom kan de Raad niet komen. Daartoe zijn de regels die in de praktijk gehanteerd worden t.a.v. ingezonden stukken ten onzent nog te vaag. Het lijkt van groot belang, dat de Nederlandse journalistiek zich op die praktijk bezint.

De Raad besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, 'De Journalist'.

Aldus uitgesproken ter zitting van de Raad van 3 december 1968 door Prof. Mr. Chr. J. Enschedé voorzitter, Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikker, Prof. Dr. G. C. van Niftrik en N. G. Schrama, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris Mr. A. A. Jongerius.

RvdJ 1968, 4