1968/3 gegrond

Brief schadelijk geacht

Bij verzoekschrift van 5 november 1968 heeft het Dagelijkse Bestuur van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, hierna te noemen verzoeker, overeenkomstig het bepaalde in art. 16 van het Reglement voor de Raad het oordeel van de Raad gevraagd over een handeling of gedraging van drs. M. L. Snijders, hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, hierna te noemen betrokkene.

De voorzitter heeft deze zaak naar de Raad verwezen.

Ter zitting van 3 december 1968 is de zaak door de Raad behandeld. Aldaar was voor de verzoeker tegenwoordig mr. A. E. van Rantwijk, secretaris van het Dagelijks Bestuur. De betrokkene was verschenen en werd bijgestaan door de rechtsgeleerde raadsman mr W. H. J. Derks, advocaat te Utrecht.

De Raad overweegt, wat de feiten betreft, het volgende.

Het verzoekschrift vangt aan met de volgende uiteenzetting De heer drs. M. L. Snijders, hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad en lid van de NVJ, heeft aan het Dagelijks Bestuur van de NVJ de wens te kennen gegeven dat dit bestuur het oordeel van uw Raad zou vragen betreffende een door hem betreurde brief, die hij aan de werkgever van een buurman met wie zich moeilijkheden hebben voorgedaan, heeft gezonden. Het Dagelijks Bestuur heeft besloten aan deze wens gevolg te geven en verzoekt u derhalve, overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van het reglement voor uw Raad, uw oordeel in de nader in deze brief omschreven zaak te geven.

Ter zitting is over de zaak zelf het volgende komen vast te staan. Door een publikatie, eerst in het Utrechtse studentenweekblad 'Trophonios' van 4 okt. 1968 en daarna in enkele dagbladen (De Volkskrant, Nieuw Utrechts Dagblad, Het Centrum, Utrechtse editie van Het Vrije Volk) is een brief in de publiciteit gekomen, die betrokkene een jaar daarvoor naar aanleiding van een burenruzie heeft gericht aan de directie van de Centrale Raiffeisenbank te Utrecht. Deze stap kwam na een reeks incidenten, die hij had gehad met zijn buurman, de heer J. J. in der Maur, medewerker van bovengenoemde bank. Volgens de lezing van betrokkene knipte de heer In der Maur - in oktober 1967 - ondanks een uitdrukkelijk protest van de echtgenote van betrokkene, een deel af van de tussen beider tuinen gelegen heg, zodanig dat het mogelijk werd daar overheen te kijken. Betrokkene heeft daarop de bedoelde brief naar de werkgever van de heer In der Maur gezonden; daarin schreef hij, dat hij het aanspannen van een rechtsgeding overwoog. Hij voegde daaraan toe: 'Bij die gelegenheid zal zijn maatschappelijke functie zeker in de openbaarheid komen - waarop ik wel bereid ben persoonlijk toe te zien - en ik kan mij voorstellen dat u een dergelijke ongunstige publiciteit over uw bank niet op prijs stelt. Misschien is het daarom mogelijk dat u een poging doet uw medewerker ten dezen tot de orde te roepen.'
Kort na het ontvangen van deze brief, heeft, namens de directie van de Raiffeisenbank, een functionaris van deze bank zich, samen met de heer In der Maur, gewend tot een van de directeuren van het Utrechts Nieuwsblad, de heer A. M. E. H. N. Koemans. Deze heeft bij die gelegenheid voor het gedrag van de hoofdredacteur verontschuldigingen aangeboden en gezegd, dat hij - hem kennende - de heren ten stelligste kon verzekeren, dat deze de krant niet zou misbruiken voor persoonlijke doeleinden, een standpunt, dat betrokkene de heer Koemans, onmiddellijk na kennisneming, volledig bevestigde. De heer Koemans achtte hiermede het incident afgesloten.
Een jaar later, aan de vooravond van publikatie om commentaar gevraagd door een medewerker van Trophonios, heeft betrokkene eveneens gezegd, dat hij de passage in kwestie betreurt en dat hij meteen nadat hij de brief had verzonden, wist dat dit dreigement fout was en dit ook nooit zou hebben uitgevoerd.

De Raad spreekt, op grond van deze feiten en naar aanleiding van het verder verhandelde ter zitting het volgende oordeel uit:

Het schrijven en toezenden van de gewraakte brief aan de directie van de Coöperatieve Raiffeisenbank te Utrecht, met daarin opgenomen een dreigement dat de betrokkene slechts in zijn functie van hoofdredacteur van een nieuwsorgaan ten uitvoer kan brengen, is een handeling van een journalist die schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten. De Raad neemt gaarne akte van de verklaring van betrokkene dat hij dit dreigement nooit ten uitvoer zou hebben gebracht en bovendien van het feit dat betrokkene amende honorable heeft gemaakt.

De betrokkene heeft - onder erkenning van de juistheid van bovenweergegeven feiten en van de door hem gemaakte en betreurde fout - de Raad verzocht de uitspraak van de Raad niet te publiceren, omdat het feit zich reeds zo lange tijd geleden heeft voorgedaan en publikatie voor het Utrechts Nieuwsblad schade zou kunnen meebrengen. De verzoeker heeft zich wat dit betreft aan het oordeel van de Raad gerefereerd, De Raad overweegt en beslist daaromtrent het volgende.
Art. 31 van het reglement voor de Raad luidt als volgt:
1. Behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel zal de Raad besluiten het door hem uitgesproken oordeel ter publikatie aan de pers te verstrekken en wel op zodanige wijze, dat een zo ruim mogelijke bekendheid wordt bevorderd.
2. Indien naar het inzicht van de Raad belangrijke redenen daartoe aanwezig zijn zal de Raad besluiten het door hem uitgesproken oordeel geheel of ten dele niet voor publikatie vrij te geven.

Uit deze bepaling blijkt dat de Raad tot het besluit het oordeel aan de pers te verstrekken verplicht is, welke plicht slechts om belangrijke redenen uitzondering mag lijden. De publikaties omtrent deze zaak zijn zeer recent; op 4 oktober 1968 verscheen de eerste Mede met het oog daarop kan publikatie van deze uitspraak naar het oordeel van de Raad wel onaangenaam zijn voor de betrokkene, maar niet zo schadelijk voor hem of voor zijn krant zijn, dat daarin een belangrijke reden ala bedoeld in art. 31.2 gelegen is.

De Raad besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, 'De Journalist'.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 3 december 1968 door prof. mr. Ch. J. Enschedé voorzitter; mr. H. Dikkers, prof. Dr. G. C. van Niftrik, N. G. Schrama en S. H. A. M. Zoetmulder, leden: in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. A. A. Jongerius.

RvdJ 1968, 3