1968/2 ongegrond

Vijandelijkheden Gorkum-Leerdam

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek op een klacht van H. H. Hage tegen G. van Hoogdalem.

Op 3 maart 1968 heeft de heer H. H. Hage, journalist te Gorkum, hierna te noemen klager, bij de Raad voor de Journalistiek een klacht ingediend tegen de heer G. van Hoogdalem, journalist te Leerdam, hierna te noemen betrokkene.
Nadat de betrokkene een verweerschrift had ingediend, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen.

De Raad heeft de zaak behandeld op 1 november 1968 in een zitting, waar beide partijen zijn gehoord.

De Raad overweegt, wat de feiten betreft, dat ter zitting aan de hand van de stukken het volgende is komen vast te staan.

Klager heeft telefonisch aan betrokkene voorgesteld Gorkumse en Leerdamse politieberichten te gaan uitwisselen. Betrokkene heeft dat na beraad mondeling geweigerd. Naar aanleiding van een stukje over de kunstenaar M. van den Boezem en diens 'luchtkunst' van de hand van betrokkene in 'De Gecombineerde' van 15 februari 1968, waarin deze iets vertelde over een gesprek dat hij met klager zou hebben gehad, schreef klager op 17 februari 1968 in Het Vrije Volk editie Alblasserwaard, een stukje over 'luchtkunst' waarin hij sprak over betrokkenes 'kennelijk aangeboren negatieve inslag'. Betrokkene reageerde op 22 februari 1968 in zijn blad hierop met een stukje waarin hij schreef, dat met klager collegiaal contact niet mogelijk bleek te zijn. Hij schreef daarin o.a.: 'Het nare stukje in Het Vrije Volk kwam immers kort nadat hij de Gorcumse man van Het Vrije Volk had medegedeeld niet te kunnen ingaan op diens voorstel tot samenwerking hij een bepaald deel van de nieuwsgaring.' Klager heeft daarop gereageerd met een brief aan betrokkene waarin hij o.m. schreef: 'ik geef u één week de tijd om in bovengenoemde rubriek voor één en ander uw excuses aan te bieden. Maakt u van deze gelegenheid geen gebruik dan zal ik mij genoodzaakt zien u aan te klagen bij de Raad voor de Journalistiek, na kennisgeving aan uw werkgever'.
Betrokkene reageerde weer met een stukje in 'De Gecombineerde' van 29 februari 1968, waarin hij de tekst van deze brief publiceerde.

De op deze feiten gebaseerde klacht laat zich als volgt samenvatten:
1. dat de betrokkene in een door hem verzorgde rubriek in het nieuwsblad 'De Gecombineerde' van 22 februari 1968 de klager, in bewoordingen, waardoor de klager zich in zijn reputatie voelt aangetast, publiekelijk een gebrek aan collegialiteit heeft toegedicht en daarin en in verband daarmede tevens is overgegaan tot publikatie van het feit dat klager hem in een persoonlijk gesprek had voorgesteld om bij een bepaald deel van de nieuwsgaring te gaan samenwerken,
2. dat de betrokkene in dezelfde rubriek op 29 februari 1968 een naar aanleiding van het voorstaande door klager tot hem persoonlijk gerichte brief heeft gepubliceerd zonder klagers toestemming, zulks onder toevoeging van een aantal min of meer hatelijke opmerkingen.

Betrokkene stelt hier in zijn verweerschrift en ter zitting tegenover:
1. dat klager de eerste is geweest die publiekelijk met de 'vijandelijkheden' is begonnen en wel door hem in het artikel in de editie Alblasserwaard van Het Vrije Volk van 17 februari 1968 een negatieve inslag te verwijten,
2. dat klagers voorstel bij een bepaald deel van de nieuwsgaring samen te werken een 'nieuwsfeit' was en klager bovendien bij het doen van dit voorstel niet heeft gevraagd het besprokene vertrouwelijk te behandelen,
3. dat klager zijn brief aan de redactie van 'De Gecombineerde' heeft geadresseerd, zonder hierop de aantekening 'persoonlijk 'te stellen, zodat het hem vrijstond die brief te publiceren. Het bezigen van de door klager gemaakte uitlatingen is uitgelokt door klager zelf die hem dreigde een klacht bij de Raad voor de Journalistiek te zullen indienen, zulks onder toevoeging van de woorden 'na kennisgeving aan uw werkgever'; hetgeen door hem is opgevat als een poging om zijn directie te beïnvloeden.

De Raad overweegt omtrent dit alles het navolgende:

Voorop zij gesteld dat beide partijen op betreurenswaardige wijze het hen ter beschikking staande publiciteitsmedium hebben doen dienen om elkander wederzijds onvriendelijke opmerkingen en onaangename bejegeningen betaald te zetten, Daardoor is de discussie tussen partijen dusdanig met persoonlijke elementen doorweven dat het doel waarvoor de publiciteit is bestemd: het brengen van informatie, voorlichting en beschouwingen, geheel op de achtergrond is geraakt.

Beziet men tegen deze achtergrond de te berde gebrachte klachten, dan lijkt er weinig reden voor de klacht over de betichting van gebrek aan collegialiteit, nu klager zelf geen bezwaar ziet betrokkene in de pers persoonlijk aan te vallen met opmerkingen van het niveau van 'een kennelijk aangeboren negatieve inslag'.
Het stond de betrokkene echter niet vrij in zijn blad melding te maken van het feit dat hij een voorstel van klager, bij een bepaald deel van de nieuwsgaring te gaan samenwerken, van de hand had gewezen. Ook al zou dit voorstel op zichzelve een 'nieuwsfeit' zijn, dan nog staat het niet vrij een dergelijk feit te vermelden in het kader van een persoonlijke verdediging tegen een persoonlijke aanval, hetgeen hier het geval is geweest. Niet-journalistieke en derhalve onzuivere bijmotieven hebben betrokkene er toe gebracht dit feit te vermelden. In zoverre acht de Raad de klacht tegen het artikel van 22 februari 1968 gegrond.

Betrokkenes hiervoor sub 3 vermelde verweer faalt. Hij heeft ter zitting de enveloppe van die brief overgelegd; deze blijkt geadresseerd 'Aan de Weled. Heer G. van Hoogdalem, p/a Redactie De Gecombineerde, Leerdam'. Ook zonder dat de aanduiding 'persoonlijk', 'in handen' of enige andere soortgelijke aanduiding op deze brief is geplaatst, is deze brief zowel naar inhoud als adressering niet voor publikatie bedoeld of bestemd. Betrokkene had zich derhalve over zijn voornemen tot publikatie over te gaan met klager in verbinding dienen te stellen, teneinde zich te vergewissen van de bedoelingen ter zake van klager.
Hoewel de betrokkene op bovenweergegeven punten te kort is geschoten in het betrachten van de nodige zorgvuldigheid is dit niet in die mate het geval dat hij daarmede een handeling heeft verricht die schadelijk is voor de waardigheid van de stand van de Nederlandse Journalisten.

De Raad besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten 'De Journalist'.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 1 november 1968 door prof. mr. Ch. J. Enschedé, voorzitter, dr. E. Diemer, mr. H. Dikkers, prof. dr. G. C. van Niftrik, en N. G. Schrama, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. A. A. Jongerius.

RvdJ 1968, 2.