1968/1 gegrond

Embargo herindeling Zuid-Limburg

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake het Provinciaal Bestuur van Limburg contra de hoofdredacteuren van het Dagblad voor Noord-Limburg, het Limburgs Dagblad en De Nieuwe Limburger.

Het Provinciaal Bestuur van Limburg heeft zich op 22 april 1968 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de hoofdredacteuren van Het Limburgs Dagblad, De Nieuwe Limburger en Het Dagblad voor Noord-Limburg. Nadat de betrokkenen verweerschriften hadden ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen.

De Raad heeft de klacht behandeld op de zitting van 1 november 1968 alwaar het Provinciaal Bestuur is verschenen bij de heren J. van der Woude, lid van Ged. Staten en mr. J. L. Matti, griffier der Staten, en waar voorts zijn verschenen de heren G. A. Knepflé, hoofdredacteur van De Nieuwe Limburger en M. G. Plukker, hoofdredacteur van Het Dagblad voor Noord-Limburg, terwijl laatstgenoemde tevens optrad als gemachtigde van de hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad, drs. J. P. S. van Neerven.

De klacht kan als volgt worden samengevat.

Op 4 april 1968 heeft het Provinciaal Bestuur een plan voor de gemeentelijke herindeling van Zuid-Limburg aan een aantal publiciteitsorganen toegezonden, waarbij een embargo werd opgelegd tot donderdag 11 april om 12.00 uur, zulks in verband met het feit, dat dit project in de loop van die donderdagochtend aan de daarbij betrokken gemeentebesturen zou worden aangeboden. De hoofdredacteuren van de vier in Limburg verschijnende regionale dagbladen hebben het college telegrafisch op dinsdag 9 april verzocht het embargo te vervroegen tot donderdagmorgen 0.00 uur. Nadat hierop was geantwoord dat dit onmogelijk was in verband met het feit dat de gemeentebesturen als eerste belanghebbenden persoonlijk op de hoogte dienden te worden gesteld van deze voor hen zo belangrijke aangelegenheid, hebben drie van de vier hoofdredacteuren - van mening dat taak en functie van de regionale pers hier volstrekt werden genegeerd - het Provinciaal Bestuur telegrafisch op woensdagmiddag 10 april te 16.00 uur van hun voornemen het embargo te doorbreken in kennis gesteld. Het opgelegde embargo is hierop ingetrokken en de bijeenkomst met de gemeentebesturen op 11 april om 10.30 uur is afgelast.
Het klaagschrift besluit als volgt. 'Omdat door de handelwijze van de drie bovengenoemde bladen het instituut van het embargo is aangetast, een instituut dat naar onze mening in de verhouding pers-overheid van groot nut is, hebben wij gemeend deze embargo-schending aan u te moeten voorleggen, met verzoek de betrokken hoofdredacteuren te vragen hun beleid in deze voor uw Raad te verantwoorden.'

De betrokkenen hebben in hun verweerschriften en ter zitting de hier genoemde feiten erkend. Zij hebben er onder meer aan toegevoegd: De heer M. G. Plukker:
op 4 maart 1968 is op een vertrouwelijke persconferentie door voorzitter en leden van Ged. Staten met de noofdredacteuren van de regionale Limburgse bladen o.a. gesproken over de gemeentelijke herindeling van Zuid-Limburg. In die bespreking is alle medewerking toegezegd bij de publikatie van deze plannen. Naar zijn mening zijn deze toezeggingen niet gehonoreerd en heeft het Provinciaal Bestuur de belangen van dit bestuur en de pers niet op de juiste wijze tegen elkaar afgewogen;
de heer G. A. Knepflé: de mogelijkheid dat de hoofdredactie zich zou beperken tot publikatie in een vorm, die formeel het embargo onaangetast zou laten, kan niet bij voorbaat worden uitgesloten. Toen het Provinciaal Bestuur besloot het embargo op te heffen was de tekst van het telegram van de gezamenlijke hoofdredacteuren van de betrokken bladen aan dit bestuur niet bekend. Het in dit telegram gebruikte woord 'doorbreken' van het embargo laat de mogelijkheid open dat voor publikatie een vorm werd gekozen, die het door het Provinciaal Bestuur voorgestane belang zou ontzien.
Ook deze hoofdredacteur gaat vervolgens in op de z.i. onjuiste belangenafweging. Hij acht deze belangenafweging essentieel voor de handhaving van het instituut van het embargo;
drs. J. P. S. van Neerven:
de wederzijdse belangen dienen bij het gebruik van het instituut van het embargo In hoge mate in acht te worden genomen. Laat de partij, die het embargo oplegt haar belangen sterk prevaleren met voorbijgaan van de belangen van de andere partij, dan kan er sprake zijn van misbruik van het instituut. Hij kwalificeert de weigering van het Provinciaal Bestuur om het embargo in het belang van de regionale pers op te heffen als een daad van willekeur en wijst er op dat hem persoonlijk op 2 april 1968 in een informeel gesprek door een aantal leden van Gedeputeerde Staten van Limburg toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van het tijdstip van een op te leggen embargo.
In dit verband achtte hij nader overleg overbodig.

Betrokkenen hebben zich beroepen op informele toezeggingen van de kant van Gedeputeerde Staten met de strekking, dat men bij de vaststelling van embargo-termijnen enz. meer dan tevoren rekening zou houden met de belangen van de regionale pers. Het is ter zitting gebleken. dat het hier ging om persoonlijke, vriendschappelijke gesprekken in het House of Lords in Den Haag en in het verband van de Stichting Wetenschappelijk Onderwijs Limburg; al hebben aan die gesprekken leden van Ged. Staten deelgenomen, toch kan niet gezegd worden dat hier van toezeggingen van Ged. Staten sprake is.

Voorzover betrokkenen hun verweer op zulke toezeggingen baseren, faalt het. Trouwens Ged. Staten zijn niet vrij in het bepalen van het tijdstip waarop een embargo afloopt. Dat tijdstip hangt immers af van het ogenblik waarop de gebeurtenis, waarover men aan de pers voorkennis verstrekt, openbaar wordt.

De kern van het geschil tussen partijen wordt daarmee herleid tot een geheel andere vraag. Het Provinciaal Bestuur had het voornemen opgevat, het plan voor de gemeentelijke herindeling van Zuid-Limburg in een speciaal daartoe belegde ietwat plechtige bijeenkomst van de betreffende gemeentebesturen in het licht te geven. Mocht de regionale pers nu van het Provinciaal Bestuur verwachten dat het bij de nadere uitwerking van dit voornemen rekening zou houden met haar belangen. Ter zitting is dat door betrokkenen beweerd; de bijeenkomst zou min of meer overbodig zijn geweest, de bijeenkomst had op een later tijdstip van de dag kunnen zijn bepaald, zodat de regionale pers het nieuws als eerste in haar ochtendbladen had kunnen hebben.

De Raad wijst ook dit verweer af. De opportuniteit van zulk een vergadering staat ter beslissing van de bestuurlijke organen, in casu van het Provinciaal Bestuur. Natuurlijk kan het Provinciaal Bestuur bij zijn voornemen mede, als het dat opportuun oordeelt, rekening houden met de belangen van de publiciteitsorganen. Maar het is niet in te zien - ook al zou zulks opportuun kunnen zijn - dat de regionale pers er in het onderhavige geval bepaald aanspraak op kon maken dat met haar belangen bij voorbaat rekening gehouden zou worden. Een tegemoetkoming aan dat verlangen zou een achterstelling van de landelijke pers, van radio en televisie zijn geweest.

De Raad stelt vast, dat betrokkenen weliswaar het embargo niet, gelijk het klaagschrift wil, hebben geschonden - het is voordien door het Provinciaal Bestuur opgeheven -, maar dat zij door in de gegeven omstandigheden te dreigen dat ze het zouden verbreken, een handeling hebben gesteld die schadelijk is voor de waardigheid van de stand van de Nederlandse journalisten, als bedoeld in art. 1. lid 2 van het regelement voor de Raad.

De Raad besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, 'De Journalist'.

Aldus gewezen In de zitting van de Raad d.d. 1 november 1968 door prof. mr. Chr. J. Enschede, voorzitter; dr. E. Diemer, mr. H. Dikkers, N. G. Schrama en drs. L. F. Tymstra, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. A. A. Jongerius.

RvdJ 1968, 1.