1967/9 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake G. van der Ven / Vrij Nederland.

Gelet op de klacht d.d. juli 1967, ingediend door de heer Mr. L. van Heijningen, advocaat en procureur te 's-Gravenhage, namens de heer G. van der Ven, wonende te Eindhoven, hierna te noemen klager, tegen

de hoofdredacteur van het weekblad "Vrij Nederland", de heer P.M. Smedts, wonende te Amsterdam, alsmede de redacteur van dat blad de heer M.F. van Amerongen, wonende te Amsterdam, hierna te noemen betrokkene(n); Gezien de namens klager en de door de betrokkenen overgelegde stukken;

Gehoord ter zitting van de Raad, gehouden op vrijdag 3 november 1967, de heer Mr. L. van Heijningen, te dezen de klager vertegenwoordigende, en de beide betrokkenen;

In aanmerking nemende de desbetreffende bepalingen van de statuten van de Federatie van Nederlandse Journalisten en van het reglement van de Raad voor de Journalistiek; Overwegende ten aanzien van de feiten:

dat de klacht betrekking heeft op het feit dat in het nummer van Vrij Nederland d.d. 17 juni 1967 een artikel is verschenen van de hand van Van Amerongen, op de voorpagina aangekondigd onder het portret van Adolf Hitler, welk artikel is voorzien van de koppen "Brits-Nederlandse fascisten" etc., opgemaakt met een illustratie van "Der Sturmer" en met tussenkoppen als "Julius Streicher";

dat klager en het door hem uitgegeven blad in dit artikel als volgt worden besproken: In Eindhoven verschijnt sinds enige tijd het blad "Europa-Post", een periodiek, welks inhoud het hart van vele Arnold Meijerianen hoger zal doen slaan; de voornaamste auteur is de plaatselijke patates-fritesbakker G. van der Ven;

dat de betrokkenen naar het oordeel van klager door het schrijven en doen opnemen van genoemde passage de eer en het aanzien van de stand van de Nederlandse journalisten op ernstige wijze hebben geschaad en misbruik hebben gemaakt van de vrijheid van drukpers;

dat namens klager, ter adstructie van de klacht, ter zitting van de Raad nog is aangevoerd;

dat klager in het gewraakte artikel over één kam wordt geschoren met lieden als Adolf Hitler, Julius Streicher en voorts met allerlei in dat artikel als nazist, fascist of neo-dito's afgeschilderde lieden, terwijl zijn naam voorts in verband wordt gebracht met racisme, antisemitisme, rassenhaat en rassenwaan;

dat klager het bijzonder kwalijk acht dat de betrokkene Van Amerongen daags voor het uitkomen van het desbetreffende nummer van Vrij Nederland, de gelegenheid heeft gekregen vulgaire reclame te maken voor dit artikel voor de VARA-zender;

dat klager ten onrechte een plaatselijke patates-fritesbakker is genoemd;

dat de betrokkenen beiden een verweerschrift bij de Raad hebben ingediend - die als hier geïnsereerd worden beschouwd - en voorts ter zitting van de Raad onder meer hebben opgemerkt:

dat het de taak van de pers is bepaalde activiteiten, zoals in casu die van The Northern League, te signaleren en critisch te volgen;

dat het verantwoord voorkomt in een dergelijk artikel bepaalde uitingen van andere rechts-extremistische organisaties eveneens te signaleren;

dat het echter niet aangaat het een met het ander in nauw verband te brengen, zoals de klager ten onrechte doet door te veronderstellen dat de inhoud en opmaak van het artikel over The Northern League tevens betrekking heeft op de andere genoemde personen en/of organisaties;

dat ongetwijfeld plaats zou zijn voor een critische beschouwing van andere rechts-extremistische organisaties dan The Northern League, doch dat dit geheel buiten de thans door de Raad te beoordelen zaak staat, daar v m zulk een beschouwing in het bewuste artikel, waarin slechts enkele regels aan klager en zijn blad worden gewijd, geen sprake is;

dat wordt betreurd dat klager in de passage in kwestie als een plaatselijke patates-fritesbakker wordt aangeduid, daar deze, naar is gebleken, niet meer in dat beroep werkzaam is;

Overwegende naar aanleiding van de feiten:

dat de klager Van der Ven in zijn blad Europa-Post, naar de Raad is gebleken uit het ter zitting overgelegde nummer van dit blad van juliaugustus 1967, politieke beschouwingen geeft en in zijn artikelen geprononceerde meningen uit;

dat de Raad van oordeel is dat tegen de in de aangevochten passage gebruikte kwalificaties in een blad als Vrij Nederland dat onder neer gericht is op voorlichting in politicis, geen redelijk bezwaar is te maken;

dat voorts de aankondiging op de voorpagina, de gebezigde koppen of tussenkopjes of de inhoud en verdere opmaak van het artikel over The Northern League in het nummer van Vrij Nederland van 17 juni 1967 voldoende los staan van het over klager handelende deel van het artikel;

dat noch op de voorpagina, waarop het artikel wordt aangekondigd, noch in de gebruikte koppen, tussenkopjes of verdere opmaak van het artikel de naam van klager of diens blad wordt genoemd;

dat voorts de alinea, waarin klager en diens blad wel worden genoemd duidelijk is gescheiden van de rest van het artikel door in den aanvang te stellen dat "bij wijze van opmaat" een kleine inventarisatie wordt gegeven van het Nederlandse rechts-extremisme;

dat in het vervolg van het artikel uitsluitend wordt verhaald van de activiteiten van The Northern League en dat daarbij de klager op geen enkele wijze wordt aangeduid noch in directe noch in indirecte zin;

dat als enige overeenkomst tussen alle genoemde personen en/of organisaties in het artikel wordt geduid op hun rechts-extremistisch karakter en dat deze personen en/of organisaties slechts in zoverre onder één noemer worden gebracht;

dat klager zich niet kan beklagen over deze door Vrij Nederland op hem toegepaste kwalificatie van rechts-extremisme, aangezien de door klager ten beste gegeven meningen naar algemeen spraakgebruik als rechts-extremistisch mogen worden aangeduid, zelfs al zou men van mening kunnen zijn, dat die kwalificatie niet in allen dele toepasselijk is;

dat het de Raad bekend is dat bepaalde rubrieken van radio en televisie, evenals sommige dagbladen, aan-lacht plegen te geven aan de inhoud van de in die week verschijnende opinieweekbladen en dat in dit kader het interview van de betrokkene van Amerongen, op woensdag 14 juni 1967 door de VARA-radio uitgezonden niet is een journalistieke gedraging, waartegen bezwaar gemaakt kan worden;
dat buitendien in dit interview noch de naam van klager noch die van het door hem uitgegeven blad wordt genoemd;

dat klager in de bestreden passage ten onrechte een plaatselijke patatesfritesbakker moge zijn genoemd, doch deze aanduiding niet van beledigende aard is;

dat het de Raad verwonderd heeft dat klager, voor de behandeling ter zitting van zijn klacht, in het genoemde nummer van Europa-Post de integriteit van de Raad in twijfel heeft getrokken, zulks terwijl hij vrijwillig een klacht heeft ingediend bij ditzelfde college;

Geeft als zijn oordeel dat noch de betrokkene Smedts noch de betrokkene Van Amerongen heeft gehandeld in strijd met de waardigheid van de stand van de Nederlandse journalisten, zodat de gedane klacht moet worden afgewezen;

Besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, "De Journalist", alsmede aan het Algemeen Nederlands Persbureau A.N.P.;

Aldus gewezen in de zitting van de Raad d.d. 3 november 1967 door de heer Prof.Mr. Ch.J. Enschedé, plaatsvervangend voorzitter; mevrouw Mr. J. Brans-Woltering, en de heren Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers en E.J. Hoogenstraaten, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 9.