1967/8 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake W. L. Oltmans/Algemeen Dagblad.

Gelet op de klacht dd. 30 december 1966, ingediend door de heer W. L. Oltmans, wonende te New York (VS), freelance journalist, hierna te noemen klager,
tegen:
de hoofdredacteur en de adjunct-hoofdredacteur van het, Algemeen Dagblad, resp. de heren A. C. W. van der Vet en H. N. Appel, hierna te noemen eerste en tweede betrokkene;

Gezien de door klager en eerste betrokkene overgelegde stukken;

Gehoord ter, ook naar samenstelling van het college, nieuwe zitting van de Raad, gehouden op 13 september 1967--nadat op een vorige zitting, waarop van de zijde van het Algemeen DagbLad niemand verschenen was, de zaak was aangehouden -- zowel klager, vergezeld van de heer A. Teunis, hoofdredacteur van De Spiegel als getuige, als eerste betrokkene zijn gehoord, terwijl zowel tweede betrokkene alsmede de opgeroepen getuigen H. J. van den Akker en M. W. van Eijk, beiden verbonden aan het Algemeen Dagblad, aan de oproep tot verschijnen geen gevolg hebben gegeven;
In aanmerking nemende de des betreffende bepalingen van de statuten van de Federatie van Nederlandse Journalisten en van het reglement van de Raad voor de Journalistiek;

Overwegende ten aanzien van de feiten:

dat klager heeft gesteld: een afspraak te hebben gemaakt met Van den Akker en Van Eijk resp. chef binnenland en redacteur van het Algemeen Dagblad, d.d. donderdagavond 1 december 1966, dat zij een in het eerstvolgend verschijnend nummer van De Spiegel opgenomen artikel van zijn hand voor eigen publikatie in hun krant zouden mogen gebruiken mits met vermelding van De Spiegel als bron;

dat klager voorts heeft gesteld dat tweede betrokkene geweigerd heeft deze afspraak over te nemen en gestand te doen en in het nummer van zijn krant van 2 december over dezelfde materie een bericht heeft gepubliceerd zonder vermelding van De Spiegel;

dat eerste betrokkene heeft gesteld: dat klager reeds enkele weken tevoren beide genoemde redacteuren op het spoor had gezet van het bericht en zij in het vervolg daarop zelfstandig contacten hadden gelegd;

klager weliswaar op 1 december de zaak weer met zijn beide redacteuren had besproken, zonder nochtans vermelding van De Spiegel als bron te stellen als voorwaarde voor publikatie;
het hier slechts gold een verzoek van klager, waaraan voor het concept-bericht nog wel gevolg is gegeven, doch de vermelding alsnog door tweede betrokkene is geschrapt;

dat overigens in een ter zitting overgelegd schrijven aan de heer Teunis, hoofdredacteur van De Spiegel, d.d. 6 december 1966, eerste betrokkene erkent dat een redacteur van zijn krant aan De Spiegel vermelding had beloofd, doch ter hoofdredactie, om haar moverende, in bedoeld schrijven nader aangegeven redenen, deze vermelding alsnog was geschrapt;

Overwegende naar aanleiding van de feiten:

dat de Raad uit de overgelegde stukken en uit de behandeling ter zitting de overtuiging heeft gekregen, dat de voorwaarde, door klager bedoeld, niet slechts was gesteld, maar bovendien van de zijde der redacteuren van het Algemeen Dagblad, met wie hij de besprekingen voerde, aanvaard;

dat klager in redelijkheid mocht aannemen, dat deze redacteuren hierbij handelden overeenkomstig
het bedoelen van hun hoofdredacteur; resp. adjunct-hoofdredacteur; dat, indien deze meenden tegen de door hun redacteuren aanvaarde voorwaarden bedenking te moeten hebben, zij zich in elk geval tijdig hadden behoren te verstaan hetzij met klager hetzij met de hoofdredactie van De Spiegel, hetgeen niet is geschied;
dat naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval in het geding is het vertrouwen dat binnen het algemene maatschappelijke verkeer gesteld mag worden in toezeggingen van de zijde van redacteuren, van wie toch mag worden aangenomen dat zij het gevoelen van hun hoofdredactie weergeven;

dat in het onderhavige geval dit vertrouwen is geschonden, hetgeen naar het oordeel van de Raad oplevert een gedraging in strijd met de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten;
Wijst de klacht toe voor zover deze zich richt tegen de tweede betrokkene en besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het Algemeen Nederlandsch Persbureau A.N.P. alsmede aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, De Journalist;

Spreekt voorts zijn teleurstelling uit over niet-gevolggeven aan zijn oproepen tot verschijning ter zitting zonder dat van geldige verhindering is gebleken.

Aldus gewezen in de zitting van de Raad d.d. 13 september 1967 door de heren Mr. H. Dikkers waarnemend voorzitter- J. H. Boom, Dr. E. Diemer, Prof. Dr. G. C. van Niftrik en Dr. Th. W. van Veen, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A. A. Jongerius.

RvdJ 1967, 8.