1967/7 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake J.F. Wolff/Vrije Volk.

Gelet op de klacht d.d. 21 april 1967, ingediend door de heer J.F. Wolff, voorzitter van het bestuur van de stichting Uitgeverij-Boekhandel Pegasus, wonende te Amsterdam, hierna te noemen klager; tegen:

de hoofdredacteur van Het Vrije Volk, de heer Dr. Th.W. van Veen, wonende te Santpoort, alsmede tegen de schrijver van een artikel in Het Vrije Volk van 10 april 1967, hierna te noemen betrokkene(n);

Gezien de door klager en de betrokken hoofdredacteur overgelegde stukken;

Gehoord beide partijen ter zitting van de Raad, gehouden op 13 september 1967, alwaar klager in persoon is verschenen en de betrokkenen werden vertegenwoordigd door de heer J.A.A. Aarse, adjunct-hoofdredacteur van Het Vrije Volk, die als hun gemachtigde optrad;

In aanmerking nemende de desbetreffende bepalingen van de statuten van de Federatie van Nederlandse Journalisten en van het reglement van de Raad voor de Journalistiek. Overwegende ten aanzien van de feiten:

dat de klacht betrekking heeft op het feit dat in het nummer van Het Vrije Volk d.d. 10 april 1967 een artikel is verschenen, waarin een aantal passages voorkomen, die naar klagers mening beledigend zijn voor de Uitgeverij-Boekhandel Pegasus en een auteur uit het door haar uitgegeven fonds en waarin voorts een foto is opgenomen van een kwitantie die ontvreemd is uit de boekhouding van Pegasus en waarover Het Vrije Volk wederrechtelijk heeft beschikt. Als beledigend bedoeld zijn naar klagers mening de passages, waarin wordt gesproken van: "een reeks schandalen bekend zijn geworden, die alle betrekking hebben op de uitgeverij Pegasus", "overval op Pegasus", "een soort wild-west procedure", en voorts de passages gewijd aan het feit (waarop de desbetreffende foto betrekking heeft) dat de C.P.N.-voorzitter De Groot f 3300 ontvangen heeft als honorarium voor het schrijven van een boek, zulks terwijl het in C.P.N.-kringen geen gebruik is voor het schrijven van boeken een honorarium toe te kennen, daar dit als partijwerk wordt beschouwd;

dat door het opnemen van de foto in kwestie en het schrijven resp. opnemen van de betrokken passages de betrokkenen zich naar het oordeel van klager hebben schuldig gemaakt aan handelingen, die schadelijk zijn voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, als bedoeld in art. 1 van het reglement voor de Raad;

dat klager ter zitting van de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat de schrijver van het artikel zelf niet ter zitting is verschenen, daarbij stellende dat de Raad buiten diens aanwezigheid de voorgelegde klacht slechts ten dele zou kunnen beoordelen;

dat hij voorts ter motivering van zijn stellingen ondermeer heeft aangevoerd:

1. dat Het Vrije Volk door het gebruik van de geincrimineerde terminologie duidelijk suggereert, dat door het stichtingsbestuur van Pegasus praktijken zijn gehanteerd die niet oirbaar zijn;

2. dat kwitanties kasstukken zijn, behorende tot de boekhouding van de onderneming, en als zodanig uitsluitend ter beschikking behoren te zijn voor de dienst der belastingen en nimmer voor particulieren;

3. dat de hoofdredacteur van Het Vrije Volk ten onrechte de positie van klager als hoofdredacteur van het dagblad "De Waarheid" in het geding brengt;

dat de adjunct-hoofdredacteur van Het Vrije Volk ter toelichting van het verweerschrift nog heeft opgemerkt:

1. dat de Uitgeverij-Boekhandel Pegasus als een nevenorganisatie van de C.P.N. mag worden aangeduid en dat bij publikaties juist over een politieke partij de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden betracht bij de vermelding van namen en feiten;

2, dat terwille van deze exactheid het opnemen van de foto in kwestie alle zin had, daar aldus het bewijs kon worden geleverd van uitermate belangrijke - in het artikel genoemde - feiten;

3. dat aan Het Vrije Volk een fotokopie van de kwitantie is ter hand gesteld en dat niet de journalist in kwestie zelf enige rol heeft gespeeld bij de wegneming van de originele kwitantie;

4. dat de verschijning van de betrokken journalist ter zitting van de Raad of het noemen van diens naam er toe zou leiden dat de bron gemakkelijk zou kunnen worden opgespoord;

5. dat de door Het Vrije Volk gebruikte terminologie niet excessief is, gezien in het politieke kader van dit artikel; Overwegende naar aanleiding van de feiten:

dat de Raad tot het oordeel is gekomen dat de behandeling van de klacht ook buiten de aanwezigheid van de auteur van het artikel in Het Vrije Volk van 10 april 1967 met de vereiste grondigheid kon geschieden, zodat het hiertegen gerichte bezwaar van klager moet worden afgewezen;

dat de Raad dan ook geen aanleiding heeft gevonden om de auteur in kwestie, onder gebruikmaking van artikel 20, lid 3 van het reglement voor de Raad, op te roepen om in persoon voor de Raad te verschijnen;

dat de Raad overigens deze journalist wel heeft uitgenodigd voor de Raad te verschijnen door uitdrukkelijke vermelding hiervan in de uitnodiging gericht tot de hoofdredactie, en dat hiermede zonder twijfel is voldaan aan de voor oproeping, krachtens het reglement geldende bepalingen;

dat de Raad reeds eerder heeft uitgesproken dat hij terughoudendheid betracht in de beoordeling van publikaties die overwegend in de politieke sfeer zijn gelegen;

dat de Raad de onderhavige publikatie duidelijk van zodanig karakter acht, omdat het hier gaat om een publikatie over een nevenorganisatie van de C.P.N. en gezien het feit dat op deze publikatie is gereageerd in een door klager als fel omschreven artikel in het dagblad "De Waarheid";

dat de Raad de door klager gewraakte kwalifikaties, gezien in het licht van het voorgaande, niet beledigend acht en derhalve niet in strijd met de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten;

dat de Raad met betrekking tot het publiceren van de fotokopie, waarover Het Vrije Volk zonder verlof is overgegaan en bovendien met de wetenschap dat dit een fotokopie van een door derden langs onregelmatige weg verkregen kwitantie betrof, van oordeel is dat slechts in uiterste noodzaak mag worden overgegaan tot publikatie van zodanige stukken en dat daarbij de enige maatstaf behoort te zijn het algemeen belang;

dat de Raad in casu met de publikatie het algemeen belang acht gediend, nu de foto in kwestie een belangrijke adstructie vormt van feiten, waarvan de mededeling op zichzelve het algemeen belang dient;
dat hiervoor het recht op privacy, dat in beginsel geldt bij het doen van mededelingen over private personen, moet wijken;

dat de Raad geenszins onderschrijft de stelling uit het verweerschrift dat het afdrukken van de fotokopie van een kwitantie, wetende dat deze kwitantie langs onregelmatige weg verkregen is, een geoorloofde wijze van nieuwsgaring is, indien men daarmee de waarheid van wat de krant bericht kan bewijzen;

dat echter het stellen van te beperkende voorwaarden bij publikatie van in beginsel niet voor publikatie bestemde stukken een inbreuk zou betekenen op de persvrijheid en de pers in haar voorlichtende taak te zeer zou belemmeren (zie de uitspraak van de Raad van Tucht, gepubliceerd als no. 23 in het boekje "Beslissingen van de Raad van Tucht", Stenfert Kroese N.V. te Leiden, 1962);

dat de Raad derhalve de gewraakte publikatie van de fotokopie in casu niet in strijd acht met de waardigheid van de stand van de Nederlandse journalisten.

Wijst af de gedane klacht en besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het Algemeen Nederlandsch Persbureau "A.N.P.", alsmede aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, "De Journalist".

Aldus gewezen in de zitting van de Raad d.d. 13 september 1967 door de heren Mr. H. Dikkers, waarnemend voorzitter; J.H. Boom, Dr. E. Diemer, Prof. Dr. G.C. van Niftrik en Drs. J.M.M. van der Pluym, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 7.