1967/6 ongegrond

Beslissing inzake S. Baruch/De Waarheid

De Raad voor de Journalistiek:

Gelet op een klacht d.d. 28 maart 1967, ingediend door de heer S. Baruch, journalist te Amsterdam, hierna te noemen klager, tegen:

de heer J.F. Wolff, hoofdredacteur van het dagblad "De Waarheid", wonende te Amsterdam, hierna te noemen Wolff; alsmede tegen:

de heer W. Swart, redacteur van het dagblad "De Waarheid", wonende te Amsterdam, hierna te noemen Swart.

Gezien de door klager en betrokkenen overgelegde stukken;

Gehoord beide partijen ter zitting van de Raad, gehouden op 29 augustus 1967, waar klager in persoon is verschenen en waar als gemachtigde van Wolff is verschenen de adjunct-hoofdredacteur L.J.H.M. van Turnhout, terwijl de betrokkene Swart in persoon is verschenen;

In aanmerking nemende de desbetreffende bepalingen van de statuten van de Federatie van Nederlandse Journalisten en van het reglement voor de Raad voor de Journalistiek;

Overwegende ten aanzien van de feiten:

dat in het dagblad "De Waarheid" van 23 maart 1967 een bespreking van de hand van Swart werd opgenomen van het door klager geschreven en gepubliceerde boek "Links af/naar rechts" "Portret van een politieke partij of de ommezwaai van de C.P.N. in het conflict Moskou-Peking"; dat klager bezwaar heeft tegen de algemene teneur van dit stuk en dit reeds in het algemeen in strijd acht met de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten; dat klager voorts bezwaren heeft tegen een aantal nader aangeduide passages in het stuk en deze in het bijzonder schadelijk acht voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten; dat klager hierbij duidt op de volgende passages:
a) de in de tweede alinea voorkomende passage.
"De verkiezingen, die aanvankelijk in mei van dit jaar gehouden zouden worden, moesten door de val van de regering-Cals plotseling vervroegd worden. De anti-communistische propaganda-planning liep daardoor mis, Zelfs de van de allerruimste financiële middelen voorziene uitgever kan de persen niet sneller laten draaien dan ze draaien... Daarom komt de onsmakelijke mosterd nu pas na de
maaltijd.";
waarin zou worden gesuggereerd dat klager de opzet heeft gehad zijn
boek op een zodanig tijdstip te doen verschijnen dat dit als anti-propaganda
zou werken voor de uitslag van de Tweede-Kamer-verkiezingen voor de C.P.N.;
b) de in alinea drie gebruikte uitdrukking "vervalsingen" ten aanzien van
in het boek aangehaalde citaten of feiten;
c) de in de alinea's drie en vier voorkomende passage:
"Hoewel Baruch volhardt in zijn stilzwijgendheid over zijn activiteiten in het verleden, deelt hij nu toch mee in juni 1940 door de Gestapo gearresteerd te zijn geweest en in januari 1941 (een maand voor de Februari-staking en op een ogenblik dat de jacht op communisten een hoogtepunt ging bereiken) te zijn losgelaten. In De Waarheid van 15 april 1966 werd reeds geconstateerd: "In het begin van de oorlog werd hij in Nederland opnieuw gearresteerd en vrijgelaten. Een lot, dat weinig andere, als werkelijke strijders bekend staande communisten, toebedeeld was.

Verdere opheldering geeft Baruch nu ook niet ...",
waarin naar klagers mening wordt geïnsinueerd dat hij tijdens de bezetting verraad zou hebben gepleegd en als agent van de Gestapo zou zijn opgetreden, terwijl hij voorts de bewering over zijn stilzwijgendheid insinuerend acht.
d) de in alinea vier voorkomende passage: "...evenmin over de periode die daarop volgde en waarin de bemoeienissen liggen van Van der Gaag (oud-employé van de Shell, die werkte voor de Britse geheime dienst en thans de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering in Cuba is) met de zogenaamde "CPN-leiding" aan het einde van de oorlog". waarin wordt gesuggereerd dat klager verbindingen heeft onderhouden met iemand, die zou hebben gewerkt voor de Britse geheime dienst, zulks terwijl hij de betrokken persoon nog nooit heeft ontmoet en evenmin verbindingen met hem heeft onderhouden;

dat Wolff en Swart een verweerschrift op deze klacht bij de Raad hebben ingediend resp. op 23 juni en op 26 mei 1967 - die als hier geïnsereerd worden beschouwd - waarin Wolff volstaat met de mededeling dat hij het gewraakte artikel geenszins schadelijk acht voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten en waarin Swart stelt dat een discussie over de algemene teneur van zijn artikel hem niet ter zake doende voorkomt ten overstaan van de Raad;

dat hij een algemene schets heeft willen geven van de propaganda-methoden en deze niet heeft toegespitst op het boek van Baruch; dat hij het woord "vervalsingen" heeft bedoeld als het uit het logische verband rukken van citaten en anders en algemener heeft geformuleerd;

dat hij de conclusies, die klager gemeend heeft uit zijn artikel te moeten trekken, geheel voor diens rekening laat; dat klager ter zitting van de Raad het lid van de Raad Dr. Th.W. van Veen heeft gewraakt, omdat hem uit de pers en/of anderszins bekend is dat deze in zijn functie van hoofdredacteur van "Het Vrije Volk" als betrokkene is gemengd in een klacht bij de Raad aanhangig gemaakt door Wolff, welk feit zijn objectiviteit in gevaar zou kunnen brengen bij de beoordeling van de thans aan de orde zijnde klacht en we k feit er bovendien toe zou kunnen leiden dat een uitspraak van de Raad, waaraan de betrokkene heeft medegewerkt, door het dagblad "De Waarheid" op een bepaalde wijze zou worden geïnterpreteerd;

dat de niet-gewraakte leden van de Raad, conform artikel 21 lid 2 van het reglement, hebben beslist over de gedane wraking en deze hebben afgewezen; dat klager vervolgens ter zitting van de Raad bij zijn klacht heeft volhard en deze nog nader heeft toegelicht, daarbij ondermeer aanvoerende:

1. dat "De Waarheid" reeds eerder beschuldigingen aan zijn adres heeft gericht en dat het onderhavige artikel de druppel was die voor hem de emmer heeft doen overlopen;
2. dat "De Waarheid" er een "methode" van maakt insinuerende en suggererende beweringen te doen ten aanzien van bepaalde personen;
3. dat de conclusie ten aanzien van insinuaties en suggesties niet van persoonlijke aard is doch wordt geduld door o.a. "Vrij Nederland" en "De Groene Amsterdammer" blijkens artikelen in het nummer van 22 april 1967 van beide bladen;
4. dat de insinuatie van "De Waarheid" ten aanzien van klagers gedrag tijdens de tweede wereldoorlog van veel ernstiger aard en wijdere strekking is dan de beschuldigingen die hij van zijn kant heeft geuit in zijn boek "Links af/naar rechts" ten aanzien van de leiding van de C.P.N.;
5. dat hij geen uitdrukkelijk oordeel van de Raad verlangt dan alleen op de punten c en d, hierboven genoemd;
6. dat hij niet langer staat op publikatie van de uitspraak van de Raad.

dat de betrokkenen ter zitting van de Raad nog hebben opgemerkt resp. hebben doen opmerken:

1. dat het gewraakte artikel in "De Waarheid" als een politiek artikel moet worden beschouwd, als antwoord op een politiek boek, hetgeen impliceert dat hierin forse taal wordt gesproken;

2. dat klager in zijn boekje niet anders doet dan beledigen (waarbij Swart een aantal voorbeelden geeft) en o.a. aan personen woorden in de mond legt die zij nooit hebben uitgesproken;

3. dat bepaalde informaties, die in het gewraakte artikel zijn verwerkt, gehaald zijn uit een rapport van de C.P.N., mede door klager aanvaard in de tijd dat hij in het bestuur van die partij zitting had; 4. dat het door hem gebruikte woord "vervalsingen!' in de context van de gehele zin moet worden gelezen, waardoor duidelijk wordt dat dit woord beslist niet in letterlijke zin moet worden beschouwd.

Overwegende naar aanleiding van de feiten:

dat de Raad zich zal beperken tot het geven van een oordeel over die punten~ waarop klager zulk een beoordeling uitdrukkelijk verlangt;

dat wie zelf meningen publiceert moet aanvaarden dat hij in perskritieken op krachtige wijze kan worden bestreden (zie de uitspraak Bruyn/Haarlems Dagblad, gepubliceerd in "De Journalist" 1967, pag. 288);

dat dit in bijzondere mate geldt voor de thans aan de Raad ter beoordeling voorgelegde klacht, daar de aangevochten recensie betrekking heeft op een politiek geschrift over de C.P.N., welk geschrift is geschreven door een geroyeerd lid van die partij, terwijl deze recensie bovendien is geplaatst in het politieke dagblad "De Waarheid" en is geschreven door een politieke redacteur van dat blad;

dat de grenzen voor de beoordeling van publikaties, die geheel in de sfeer van het politieke debat zijn gelegen, door de Raad ruim worden gesteld;

dat echter de pers daarbij de uiterste terughoudendheid dient te betrachten ten aanzien van de beoordeling van de persoon van de schrijver als zodanig en zich in het algemeen dient te beperken tot kritiek op de zakelijke inhoud van enig geschrift;

dat met name insinuaties in welke vorm ook dienen te worden vermeden;

dat het aanzien van de pers en de indruk die de pers op het publiek maakt hiermede in het bijzonder zijn gediend;

dat de Raad, de insinuaties betreurend, gezien de teneur van het aangevallen boek en het bijzondere politieke kader waarbinnen de discussie heeft plaats gevonden, de aangevochten kritiek niet in strijd acht met de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

Wijst af de gedane klacht en besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het Algemeen Nederlands Persbureau "A.N.P.", alsmede aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, "De Journalist".

Aldus gewezen in de zitting van de Raad d.d. 29 augustus 1967 door de heren Mr. A.A.L.F. van Dullemen, voorzitter; Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers, Drs.
L.F. Tymstra en Dr. Th.W. van Veen, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 6.