1967/5 ongegrond

RAAD VOOR DE JOURNALISTIEK.

Beslissing inzake de klacht van de heer D. Verkijk contra de hoofdredacteur van "Vrij Nederland", de heer P.M. Smedts, alsmede tegen de redacteur van dit blad, de heer M.F. van Amerongen.

Gelet op een klacht d.d. 25 december 1966, ingediend door de heer D. Verkijk, journalist te Haarlem, hierna te noemen klager; tegen:

de heer P.M. Smedts, hoofdredacteur van het weekblad "Vrij Nederland", wonende te Amsterdam, hierna te noemen Smedts, alsmede tegen:

de heer M.F. van Amerongen, redacteur van het weekblad "Vrij Nederland", wonende te Amsterdam, hierna te noemen Van Amerongen. Gezien de door klager en betrokkenen overgelegde stukken;

Gehoord beide partijen ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juni 1967 te Amsterdam, waar klager in persoon is verschenen en waar Van Amerongen is verschenen zowel als betrokkene in het geschil, als in de kwaliteit van gemachtigde van Smedts;

In aanmerking nemende de desbetreffende bepalingen van de statuten van de Federatie van Nederlandse Journalisten en van het reglement voor de Raad voor de Journalistiek; Overwegende ten aanzien van de feiten:

dat op 4 oktober 1966 voor de V.P.R.O.-televisie van 20.30 - 21.20 uur een programma is uitgezonden over de opperbevelhebber van de N.A.V.O.-strijdkrachten in West-Europa, Von Kielmansegg, samengesteld door klager, waarin hij tot de conclusie komt dat Von Kielmansegg zich reeds tijdens de oorlog heeft gerehabiliteerd door zijn verzetswerk tegen het nazisme, waarbij hij zijn leven op het spel heeft gezet;

dat Van Amerongen in het weekblad "Vrij Nederland" van 15 oktober 1966 naar aanleiding daarvan een artikel heeft gewijd aan Von Kielmansegg, en daarin tot geheel andere conclusies komt;

dat klager een tegen-artikel hiertegen heeft geschreven, en dit ter publikatie aan "Vrij Nederland" heeft aangeboden, welk blad integraal tot publikatie is overgegaan in het nummer van 19 november 1966;

dat in hetzelfde nummer van "Vrij Nederland" een nieuw artikel van de hand van Van Amerongen voorkomt, waarin deze, ook na lezing van bovenbedoeld tegen-artikel, de conclusies uit zijn artikel van 15 oktober volledig handhaaft;

dat klager nog diezelfde 19e november een nieuw artikel ter publikatie aan "Vrij Nederland" heeft aangeboden, waarin hij Van Amerongen er van beschuldigt, dat deze in zijn artikel van 19 november verschillende malen bewust onwaarheid heeft gesproken, dat voorts in dat artikel gebruik is gemaakt van gegevens die Van Amerongen vertrouwelijk van hem, klager, had verkregen en dat bedoelde gegevens bovendien aan derden zijn verstrekt zonder daarbij mede te delen, van wie die gegevens afkomstig waren;

dat de hoofdredacteur van "Vrij Nederland" heeft geweigerd dit artikel op te nemen en aan klager heeft bericht, dat hem nog een halve kolom ter beschikking werd gesteld in de ingezonden-stukkenrubriek, de "Vrije Tribune";

dat klager op 3 december 1966 een ingezonden stuk ter plaatsing heeft aangeboden, doch dat de hoofdredacteur van "Vrij Nederland" dit stuk niet wenste op te nemen;

dat klager vervolgens zijn in de aanhef bedoelde klacht bij de Raad heeft ingediend en deze klacht richt tegen de hoofdredacteur van "Vrij Nederland", Smedts, in zoverre deze:

1. geweigerd heeft zijn tegen-artikel van 19 november 1966 op te nemen;
2. geweigerd heeft zijn ingezonden stuk van 3 december 1966 op te nemen;
3 bij de motivering van de weigering sub 2 in een brief van 9 december 1966 hem, klager, heeft uitgemaakt voor een verdediger van oud-nazi's;

en de klacht voorts richt tegen de redacteur Van Amerongen, in zoverre deze:

1, in zijn artikel van 19 november 1966 bewust onwaarheid heeft gesproken;
2. in datzelfde artikel gebruik heeft gemaakt van gegevens die van vertrouwelijke aard waren;
3. die gegevens bovendien aan derden ter beschikking heeft gesteld, zonder te vermelden van wie die gegevens afkomstig waren;

dat Smedts en Van Amerongen op 8 april 1967 een verweerschrift hebben ingediend op deze klacht - dat als hier geïnsereerd wordt beschouwd -, waarin Smedts op de eerste twee tegen hem ingebrachte klachten antwoordt, dat zowel het tegen-artikel als het ingezonden stuk onbehoorlijk van toon waren en te zeer tegen de integriteit van Van Amerongen gericht, waardoor de eigenlijke bedoelingen, te weten het brengen van klaarheid omtrent Von Kielmansegg, op de achtergrond geraakten, terwijl de geïncrimineerde brief particulier van aard was; zulks terwijl Van Amerongen ontkent bewust onwaarheid te hebben gesproken en voorts erkent gebruik te hebben gemaakt van hem door klager verstrekte gegevens, echter geen misbruik;

dat klager ter zitting van de Raad heeft volhard bij zijn klacht en deze op enkele punten heeft toegelicht en verduidelijkt, daarbij ondermeer aanvoerende:

1. dat het recht van weerwoord in casu in ieder geval zo ver behoorde te gaan dat gelegenheid diende te worden geboden onwaarheden recht te zetten, daar hij, klager, bewijzen kon, dat opzettelijk onwaarheden waren neergeschreven;
2, dat in de door hem ter publikatie aangeboden artikelen geen herhalingen voorkwamen, doch steeds nieuwe feiten werden naar voren gebracht;
3, dat "Vrij Nederland" de zaak geheel ten onrechte in de persoonlijke sfeer heeft getrokken door het maken van persoonlijke verwijten;
4, dat Van Amerongen zich niet heeft gehouden aan de telefonisch gemaakte afspraak, dat bepaalde niet-essentiële zaken niet verder in de discussie zouden worden betrokken;
5. dat het gebruik maken van gegevens, waarvan de vertrouwelijke aard aan de ontvanger van die gegevens bekend is, altijd misbruik oplevert, voor zover die vertrouwelijkheid niet uitdrukkelijk is opgeheven;
6, dat Smedts in zijn brief van 9 december 1966 van oud-nazi's (in het meervoud) spreekt en dus niet alleen Von Kielmansegg bedoelt;

dat Van Amerongen ter zitting van de Raad nog heeft opgemerkt:

1. dat "Vrij Nederland" van oordeel is voldoende ruimte te hebben gelaten voor het "recht op weerwoord", daar na het artikel van klager in V.N. van 19 november 1966, door hem geen nieuwe feiten zijn aangevoerd;
2. dat hij zich het recht voorbehoudt een andere mening dan klager te hebben over wat in dit verband essentiële zaken zijn en wat niet essentieel is;
3. dat de door hem gebruikte, van klager afkomstige gegevens, of wel niet van vertrouwelijke aard waren of wel dat, voor zover dit wel het geval was, toestemming aan klager is gevraagd alvorens tot publikatie over te gaan;
4. dat hij de interpretatie van de brief van 9 december 1966, zoals deze door klager wordt gegeven, niet voor zijn rekening neemt;
5. dat hij zich zeer wel bewust is van het feit dat hij in zijn artikelen over Von Kielmansegg fouten heeft gemaakt, eventueel verkeerde conclusies heeft getrokken, doch dat de zeer moeilijke aard van de materie daartoe licht aanleiding kon geven en dat hij dit uiteraard nooit opzettelijk heeft gedaan. Overwegende naar aanleiding van de feiten:

dat de Raad terughoudendheid betracht ten aanzien van de beoordeling van een polemiek tussen partijen, die ieder voor zich getoond hebben de weg naar de publiciteit te kunnen vinden, en in casu niet zal treden in een beoordeling van deze polemiek zelve;

dat de Raad niet is gebleken van opzettelijke onjuistheden in het artikel van de hand van Van Amerongen in "Vrij Nederland" van 19 november 1966;

dat er in zoverre geen "recht op weerwoord" bestond, doch dat de hoofdredacteur van "Vrij Nederland" een weerwoord niettemin heeft willen toestaan;

dat dit weerwoord, in de vorm van het tegenartikel van klager d.d. 19 november 1966, zozeer in de persoonlijke sfeer is getrokken dat de betrokken hoofdredacteur terecht van oordeel heeft kunnen zijn dat opneming van het stuk in deze vorm geen recht zou doen wedervaren aan de bedoeling van de discussie, het brengen van klaarheid rond de figuur Von Kielmansegg;

dat dit temeer geldt ten aanzien van de opneming van het daarna op 3 december 1966 ter publikatie ingezonden stuk, daar dit stuk het geëiste zakelijke karakter geheel mist;

dat de Raad hierbij geenszins voorbijziet aan het feit, dat de betrokken redacteur Van Amerongen een discussie buiten de zakelijke sfeer heeft uitgelokt door het gebruik van enkele minder gelukkige zinsneden, met name in zijn artikel van 19 november 1966, hetgeen de Raad betreurt;

dat de Raad voorts van oordeel is dat de geïncrimineerde brief van 9 december 1966, waarin naar klagers gevoelen de mening wordt geuit dat hij een verdediger van oud-nazi's zou zijn, een dergelijke bedoeling duidelijk mist, althans in die zin dat hiermede meerdere personen zouden worden bedoeld;

dat immers in dezelfde brief na het woord oud-nazi's in het vervolg alleen de naam Von Kielmansegg wordt genoemd, dat voorts, zoals klager zelf stelt in zijn brief van 25 december 1966, juist ook "Vrij Nederland" hem meermalen heeft geprezen om zijn instelling en gezindheid op dit gebied en dat in het artikel van Van Amerongen in "Vrij Nederland" van 19 november 1966 letterlijk staat "Dick Verkijk - een man die niet direct bekend staat als een man die Duitsers in het algemeen en oorlogsmisdadigers in het bijzonder in het hart sluit":

dat de Raad ten aanzien van de klacht dat Van Amerongen vertrouwelijke, van klager afkomstige, gegevens in zijn artikel van 19 november 1966 heeft verwerkt, niet over voldoende gegevens beschikt door de tegenstrijdig gebleven meningen van partijen ter zitting om uit te maken in hoeverre hier inderdaad vertrouwelijke en vertrouwelijk gebleven gegevens zijn verwerkt, doch wel uitspreekt dat deze schending - zo aanwezig - niet van dusdanig ernstige aard is dat deswege de waardigheid van de stand van de Nederlandse journalisten zou zijn geschonden, dit mede nu klager met de verstrekking van die gegevens in die omstandigheden en op dat moment zelf aanmerkelijke risico's heeft geschapen;

dat de Raad ten aanzien van de verstrekking van die gegevens aan derden van oordeel is dat Van Amerongen in casu geen blaam treft, nu die gegevens voor publikatie bestemd en bedoeld waren.

Geeft als zijn oordeel dat noch de betrokkene Smedts noch de betrokkene Van Amerongen in enigerlei opzicht heeft gehandeld in strijd met de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, als bedoeld in art. l lid 2 van het reglement voor de Raad en wijst af de ingediende klachten.

Besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld te Amsterdam in de zitting van de Raad van 9 juni 1967 door de voorzitter, Mr. A.A.L.F. van Dullemen, en de leden Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers, Drs. A.A.V. Tummers en Dr. Th.W. van Veen, in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 5.