1967/4 gegrond

Beslissing inzake Willem L. Oltmans contra M. van Gijn.

De Raad voor de Journalistiek:

Gezien een bij de Raad ingekomen klacht d.d. 30 december 1966 Van de journalist Willem L. Oltmans contra de hoofdredactie van de V.A.R.A. en de chef van de V.A.R.A.-radio-reportagedienst, de heer M. van Gijn, wegens het op woensdag 5 december 1966 om 13.10 uur uitzenden van een radio-reportage, waardoor hij zich in hoge mate beledigd gevoelt;

Gezien het verweerschrift d.d. 10 april 1967 van de betrokkene, M. van Gijn, waarin deze berichtte de verbindende tekst te hebben geschreven van een op 5 december 1966 uitgezondenV.A.R.A.-radiouitzending, waarin o.a. stonden vermeld de alinea's: "De Spiegel van deze week bevat een artikel over scheepsbouwer Verolme en schroothandelaar Worms, die volgens de schrijver een lening van 300 miljoen wilden aanbieden aan de meest-corrupte generaal van Indonesiƫ. En natuurlijk niets voor niets" en "De schrijver van het artikel is de heer Willem B. Oltmans, geen onbekende in Nederland, al woont hij sinds een aantal jaren in Amerika. Niet onbekend dus, maar wel onbetrouwbaar. Indertijd is hij na zijn kruistocht voor het Nederlandse grootkapitaal in Indonesiƫ tijdens de Nw.-Guinea-kwestie om het populair te zeggen "afgegaan". baar Spiegel-hoofdredacteur Theunis staat voor de betrouwbaarheid van dit artikel helemaal in".- Dat bedoeld artikel de sensationeel te noemen mededeling bevatte, als zou makelaar Worms namens scheepsbouwer Verolme een lening van 300 miljoen gulden hebben willen aanbieden aan, volgens de heer Oltmans, misschien wel de meest corrupte generaal van Indonesiƫ, generaal Ibnoe Soetowo; dat hij het op zijn plaats heeft geacht om te doen uitkomen, dat de journalistieke reputatie van de heer Oltmans niet zodanig is om geheel op diens gezag aan te nemen, dat deze ernstige beschuldiging op waarheid berust; bovendien wilde hij, Van Gijn, hierdoor doen uitkomen, dat hij zich niet zonder meer achter deze, in het artikel op geen enkele wijze toegelichte, beschuldiging plaatste; dat hij bij de beoordeling van de kwestie is uitgegaan van wat hem reeds bekend was van de heer Oltmans als journalist, waarvan hij vervolgens enige mededelingen doet;

Gelet op de zitting van de Raad van 23 mei 1967, te Amsterdam gehouden, waarin klager Oltmans is verschenen, die geheel bij zijn klacht bleef volharden en waarin de betrokkene, M. van Gijn, is verschenen. Als getuigen heeft de klager Oltmans ter zitting medegebracht de heren A. Theunis en A.K. Aartsma.

Overwegende:

dat de heer Van Gijn met zijn kwalificatie niet meer heeft bedoeld dan zijn twijfel te laten uitkomen over de juistheid van het bericht; dat het woord onbetrouwbaar op de niet-journalist echter de indruk maakt van een ernstige morele diskwalificatie;

Gelet op de artikelen 1, 26, 29 en 31 van het reglement voor de Raad;
Spreekt als zijn oordeel uit, dat zowel tegenover de zegsman als tegenover het publiek de zorgvuldigheid gebiedt dat journalisten zich rekenschap geven van de indruk die een in vakkringen gehanteerde term als onbetrouwbaarheid naar buiten moet maken, en meent dat voorzover die zorgvuldigheid in casu onvoldoende is geweest, er van een handeling moet worden gesproken die "schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten", als bedoeld in art. 1 lid 2 van het reglement voor de Raad;

Besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld te Amsterdam in de zitting van de Raad op 23 mei 1967 door de voorzitter, Mr. A.A.L.F. van Dullemen, en de leden Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers, Prof. Dr. G.C. van Niftrik en Dr. Th.W. van Veen, in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 4.