1967/3 gegrond

Beslissing inzake Willem L. Oltmans contra De Telegraaf.

De Raad voor de Journalistiek:

Gezien een bij de Raad ingekomen klacht d.d 30 december 1966 van Willem L. Oltmans tegen de hoofdredacteur van "De Telegraaf", waarbij hij zich beklaagt over de inhoud van een tweetal in het nr. van 6 december 1966 van "De Telegraaf" gepubliceerde artikelen, getiteld "Waardeloze Reportage. N.T.S. vist voor f 50.000,= achter het nieuws" en "Treurig", waarin te zijnen aanzien enige flagrante onjuistheden zijn opgenomen en waardoor hij zich in hoge mate beledigd gevoelt;

Gezien het door de adjunct-hoofdredacteur van "De Telegraaf" ondertekende verweerschrift d.d. 10 april 1967, waarin deze stelt, dat aan de betrouwbaarheid van de verkregen informaties, waaruit de in "De Telegraaf" van 6 december 1966 gepubliceerde berichten werden samengesteld, niet behoeft te worden getwijfeld en hij dan ook géén aanleiding kon vinden om tegen klager Oltmans enig verweer te voeren;

Gelet op de op 23 me 1957 gehouden zitting van de Raad, alwaar alléén klager Oltmans, is verschenen, zodat tegen de betrokkene hoofdredacteur van "De Telegraaf" - verstek wordt verleend en de zaak conform de artt. 35/37 van het reglement voor de Raad, wordt voortgezet;

Gehoord in de zitting van de Raad op 23 mei 1967 klager W.L. Oltmans, die ter nadere toelichting van zijn klacht uiteenzette:
1e. dat hij voor het indienen van zijn klacht zich reeds meermalen door publikaties van "De Telegraaf" in zijn goede naam van journalist voelde aangetast, van welke publikaties hij een lijstje aan de Raad overlegt; 2e. dat hij door de N.T.S. als chef d'équipe van een camera-ploeg is gezonden naar het proces c/a de oud-minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië, Dr. Soebandrio;
3e. dat hij met zijn ploeg op 4 oktober 1966 een zitting van dat proces heeft bijgewoond en het uitspreken van de doodstraf over Soebandrio op 25 oktober 1966 heeft gefilmd, beide keren met twee camera's, plus geluid, van beide zijden van de rechtszaal, welke film onder de titel "Orde Baru" door de N.T.S. is uitgezonden;
4e. dat desniettemin en geheel in strijd met de waarheid in het in zijn klacht genoemde artikel van 6 december 1966 in "De Telegraaf' onder de kop "Waardeloze Reportage". N.T.S. vist voor f 50.000,= achter het nieuws" staat vermeld o.a "Het volkomen fa~en van een cameraploeg komt de N.T.S. te staan op een strop van ten minste f 50.000,=" en "De gehele expeditie, waarvan de koste geraamd worden op f 50.000,= is een flop geworden. Men is er namelijk niet in geslaagd tot de rechtszaal door te dringen. In arrenmoede is men toen opnamen gaan maken die géén enkele nieuwswaarde bevatten. De heer Oltmans is volledig afgeweken van de aan het hoofd van de N.T.S.-programmastaf voorgestelde plannen. Het resultaat is, dat men bij de N.T.S. opgescheept zit met honderden meters onbruikbare films";
5e. dat "De Telegraaf " in het eerste artikel van 6 december 1966 onder het tussen-kopje "Rechtszaak" denigrerend stelt: "Hij (d.w,z. Oltmans) deed het voorkomen bij de Indonesische autoriteiten over uitstekende relaties te beschikken, die hem zouden helpen bij het samenstellen van de reportage" en onder het tussen-kopje "Onbruikbaar": "Een zegsman drukte zich tegenover ons aldus uit: "Oltmans heeft de N.T.S. behoorlijk in de boot genomen. Van de goede relaties, waarover hij zegt te beschikken, is niets gebleken. Het is onbegrijpelijk dat Enkelaar hierin is getrapt".- zulks terwijl hij, Oltmans, in werkelijkheid in Indonesië exclusieve N.T.S-interviews heeft gemaakt met generaal
Soeharto, Mohammed Hatta, generaal Amirmachmed, viceadmiraal Mardanus, generaal Budojo, de gegijzelde journalist Mochtar Loebis, etc., welke belangrijke contacten alle werden tot stand gebracht via een adjudant van generaal Soeharto, n.l. kolonel Soetikno, hem, Oltmans, bekend sinds een bezoek aan de Indonesische troepen in de Suez-affaire van april 1957, waarmede hij zijn goede relaties met Indonesische autoriteiten en personen meent te hebben aangetoond;
6e. dat in het in zijn klacht vermelde hoofdartikel van 6 december 1966 onder de kop "Treurig", dat handelt over de besprekingen met Indonesië over een omvangrijke scheepsbouworder, te zijnen aanzien staat vermeld o.a. deze alinea: "In het precaire stadium dat aan de definitieve ondertekening van de contracten voorafgaat, bevindt zich in opdracht van ons aller Hilversum een persoon-met-een-verleden in Indonesië voor een radio-reportage. Deze "radio-medewerker" en "journalist", die zich in het Nieuw-Guinea-conflict als een lijfknecht van Soekarno ontpopte" etc. door welke uitlatingen hij, Oltmans, zich in hoge mate beledigd acht;

Overwegende:

dat aan de Raad in zijn zitting van 23 mei 1967 door de heer Oltmans aannemelijk is gemaakt, dat hij een zitting van het proces Soebandrio heeft bijgewoond en dat uitvoerige N.T.S.-interviews met enige belangrijke Indonesische personen zijn gemaakt en uitgezonden, zodat in het nummer van 6 december 1966 van "De Telegraaf" ten aanzien van de heer Oltmans in zoverre een feitelijk onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven; dat het plaatsen van de woorden "radio-medewerker" en "journalist" tussen aanhalingstekens ten aanzien van iemand die krachtens de statuten van de Nederlandse Journalisten-Kring lid is van die vereniging, onjuist en denigrerend moet worden geacht; dat in het bijzonder bij een felle veroordeling van een persoon, zoals die plaats vond in de betrokken artikelen van 6 december 1966, zowel ten aanzien van de feiten als ten aanzien van de beroepsaanduiding de normale zorgvuldigheid moet worden betracht;

Gelet op de artikelen 1, 35/37 juncto 26, 29 en 31 van het reglement voor de Raad;

Spreekt als zijn oordeel uit, dat in het onderhavige geval in de mate waarin dat door de Raad is aangegeven, die zorgvuldigheid zoveel te wensen heeft overgelaten dat gesproken moet worden van een handeling, "schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten", als bedoeld in artikel 1,lid 2 van het reglement voor de Raad;

Besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld te Amsterdam in de zitting van de Raad op 23 mei 1967 door de voorzitter, Mr. A.A.L.F. van Dullemen,
en de leden Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers, Prof. Dr. G.C. van Niftrik en Dr. Th.W. van Veen, in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 3.