1967/2 ongegrond

Beslissing inzake Drs. W.J. Bruyn contra het Haarlems Dagblad,

De Raad voor de Journalistiek:

Gezien een bij de Raad ingediende klacht d.d, 8 december 1965 van Drs. W.J. Bruyn te Amsterdam, waarin deze zich erover beklaagt, dat in een in het "Haarlems Dagblad" verschenen, door de hoofdredacteur J.L. Lodewijks geschreven, kritiek op het door hem, Bruyn, uitgegeven boekje, getiteld "Het Recht op Apartheid. Inleiding tot de Nederlandse Problematiek", dit boekje - zonder daartoe bewijzen aan te voeren - is gekwalificeerd als "een bloc van onwaarachtigheid" "in diverse details een misleiding" met "citaten voor het grootste deel uit hun verband gerukt", waardoor hij zich in zijn goede naam voelt aangetast en aan de Raad verzoekt te willen nagaan in hoeverre de heer J.L. Lodewijks de journalistieke en/of algemene normen heeft veronachtzaamd en zo nodig passende maatregelen te willen treffen;

Gezien het verweerschrift d.d. 19 augustus 1966 van de betrokkene, J.L. Lodewijks, waarin hij uiteenzet, dat de door hem geschreven kritiek in het "Haarlems Dagblad" niet de litteraire verdienste van het boekje van Drs. Bruyn betrof, maar de feitelijke inhoud en dat hij daarom aan Drs. Bruyn de gelegenheid heeft geboden tot een wederwoord 9 dat Drs. Bruyn daarop onder de titel "Valse zetten op het Schaakbord" een repliek heeft ingezonden, welke naar de mening van de heer Lodewijks een zéér onbehoorlijke denigratie van hem - schrijver der kritiek - bevatte met een opzet tot beledigen, zodat hij dat stuk heeft geweigerd; dat hij bij brief van 30 november 1965 die weigering aan Drs. Bruyn heeft bericht, doch hem tevens heeft medegedeeld: "Mocht U in staat en bereid zijn tot zakelijke en heldere weerlegging van het samenvattend oordeel, dat wij van Uw boekje hebben gegeven, dan zullen wij deze alsnog gaarne afdrukken."; dat Drs. Bruyn van dit aanbod geen gebruik heeft gemaakt, doch een klacht heeft ingediend bij de Raad;

Gelet op de op 23 mei 1967 gehouden zitting van de Raad alwaar alléén de klager, Drs. Bruyn, is verschenen, zodat tegen betrokkene, J.L. Lodewijks, conform art. 35 van het reglement voor de Raad verstek wordt verleend en de zaak conform de artt. 36 en 37 wordt voortgezet;

Gehoord in de zitting van de Raad op 23 mei 1967 klager, Drs. Bruyn, die uiteenzette:
1e. dat zijn boekje is ontstaan uit een aanvankelijk gestencild rapport; dat het concept van het boekje is toegezonden aan enige hoogleraren te Amsterdam, van wie Prof. Dr. J. Pouwer het derde hoofdstuk, getiteld "Het Waarom van de Apartheid" heeft gecontroleerd en dat hij zich daarmede heeft verenigd en hem, Bruyn, verlof heeft verleend zijn naam in het voorwoord van het boekje te vermelden;
2e. dat hij zijn boekje aan meerdere dagbladen heeft doen toezenden, waarop hij vrij uitvoerige reacties, ten dele kritisch, ten dele zuiver zakelijk heeft ontvangen o.a. de in zijn klacht vermelde kritiek van de heer Lodewijks, waardoor hij zich in zijn goede naam voelde aangetast, zoals in zijn klacht aan de Raad nader uiteengezet;
3e. dat hij nog wel een repliek aan de heer Lodewijks heeft toegezonden, doch de plaatsing daarvan door deze is geweigerd bij brief van 30 november 1965, waarin hem nog wel werd aangeboden een "zakelijke en heldere weerlegging van het samenvattend oordeel, dat wij van Uw boekje hebben gegeven" te plaatsen onder toevoeging van de zinsneden: "U kunt zich daarbij tot de allereenvoudigste zaken bepalen, ondermeer tot de constatering dat "haat" slechts veroorzaakt is en wordt door onrecht en meerderwaardigheidswaan aan de ene en emotionele reacties daarop aan de andere zijde. En dat de meeste conflicten, die onze wereld teisteren zich voeden met de onrechtmatige daden van de ene mens tegenover de andere, die worden gecamoufleerd onder een lawine van wetenschappelijke drogredenen, handig gekozen ter versterking van eigen machtspositie en illusoire uitverkorenheid." "Dit zijn eenvoudige grondslagen, die zonder enige moeite zouden kunnen worden aangeprezen met citaten uit even hoogverheven en geachte wetenschappelijke bronnen als die, welke U hebben moeten dienen om Uw voorkeur voor een wereld van méér en minderwaardigen te schilderen. Als U Uw methode een "wetenschappelijke benadering" noemt, dan moeten wij inderdaad onze afkeer daarvan kenbaar maken. Maar gelukkig zijn wij in Nederland nog niet zover, dat de meerderheid van het voorhanden zijnde intellect niet meel het duidelijk onderscheid tussen benadering en verwarring ziet. Ten aanzien van een onderwerp als apartheid blijft men zich met grote zekerheid vasthouden aan de verankerde waarheden, die even eenvoudig als onaantastbaar zijn. Dit als nadere argumentatie van ons oordeel over Uw boekje offrerend, blijven wij in afwachting van een eventueel "ingezonden stuk" van Uw kant, dat voor onze lezers van nut zou kunnen zijn. Dit laatste moeten wij wel zéér uitdrukkelijk als conditie stellen."
4e. dat hij op zulk een aanbod niet is ingegaan, zich door de gepubliceerde kritiek van de heer Lodewijks beledigd gevoelde en zijn klacht bij de Raad heeft ingediend, waarbij hij blijft volharden.

Overwegende:

dat wie zelf meningen publiceert en die ter beoordeling doet toekomen aan de pers, moet aanvaarden, dat hij in perskritieken op krachtige wijze kan worden bestreden; dat een scherpe kritiek in een krant deze krant geenszins verplicht de gekritiseerde auteur een weerwoord toe te staan; dat van een weerwoord alleen dan sprake behoort te zijn als er van ernstige feitelijke onjuistheden in die kritiek moet worden gesproken; dat de hoofdredacteur, die zonder deze aanleiding voor een weerwoord toch een auteur de gelegenheid biedt voor een contra-kritiek, aan de inhoud van die contra-kritiek geen stringente eisen mag stellen; dat de kritiek in de pers zich moet hoeden voor grove beledigingen en opzettelijke onjuistheden moet vermijden; dat, hoewel de aangevochten kritiek in rijkelijk forse bewoordingen is gesteld, toch niet is gebleken van zo grove beledigingen of opzettelijke onjuistheden dat die kritiek om die reden"schadelijk zou moeten worden geacht voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten", als bedoeld in art. 1 lid 2 van het reglement voor de Raad;

Gelet op de artt. 1, 35/37 juncto 26, 29 en 31 van het reglement voor de Raad;

Wijst af de gedane klacht en besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten "De Journalist" te verstrekken.

Aldus vastgesteld te Amsterdam in de zitting van de Raad op 23 mei 1967 door de voorzitter, Mr. A.A.L.F. van Dullemen, en de leden Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers, Prof. Dr. G.C. van Niftrik en Dr. Th.W. van Veen, in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr, A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 2.