1967/12 ongegrond

Beslissing inzake de klacht van de heer A.A. Stol tegen de redactie van De Journalist. i.c. de heer Y H. Foppema, eindredacteur.

De Raad voor de Journalistiek overweegt het navolgende.

Onder datum 27 december 1966 is een klacht ingediend door de heer A.A. Stol te Den Haag tegen de heer Y.H. Foppema, eindredacteur van De Journalist, hierna te noemen betrokkene, inhoudende dat betrokkene een onjuist artikel over de heer Stol zou hebben gepubliceerd in De Journalist no. 18, 1966, zonder hem zelf te hebben gehoord. Onder datum 30 mei 1967 heeft betrokkene zich tegen deze klacht verweerd. Op de inhoud dezer stukken wordt zo nodig hieronder teruggekomen.

Ter zitting van de Raad van 28 november 1967, alwaar beide partijen zijn verschenen, is de zaak onderzocht.

Tussen partijen staat vast, dat het gewraakte artikel in De Journalist een aantal feitelijke onjuistheden bevat waartegen de heer Stol met recht bezwaar kan maken.

De Raad oordeelt dat het gewraakte artikel - anders dan de heer Foppema ter zitting stelde - niet is een ingezonden stuk van mevrouw M. Laudy, maar een redactioneel commentaar dat voor verantwoording van de redactie komt.

Vaststaat, dat betrokkene - de auteur - wèl bij de voorbereiding van het stuk met een aantal redacties heeft getelefoneerd, maar geen enkele poging in het werk gesteld heeft zich met de klager in verbinding te stellen. Dus daarmede is gehandeld zonder de nodige zorgvuldigheid.

Hoewel van de redactie van het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten wel in de allereerste plaats een nauwkeurig letten op de beroepsethische maatstaven verwacht moet worden, wil de Raad de heer Foppema niet al te hard vallen zulks mede nu ter zitting tussen partijen openlijk is uitgesproken dat hier de grenzen der zorgvuldigheid zijn overschreden; de heer Foppema door niet tevoren contact met klager te zoeken; klager in zijn gesprek met mevrouw Laudy, wier brief aan De Journalist leidde tot het gewraakte redactionele stuk.

De Raad neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene snelle publikatie van de affaire Laudy-Stol wilde, aangezien hij de berichtgeving van de Olympische Spelen in gevaar zag komen en dat de redacteuren van De Journalist hun werk voor het orgaan als nevenwerkzaamheid zonder voldoende outillage en dus onder moeilijke omstandigheden moeten verrichten.

Hoewel hier dus bepaald niet de nodige zorgvuldigheid is betracht, is dit, zich tussen journalisten afspelende geschil toch niet van zodanige aard dat gezegd kan worden dat betrokkene een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 1, lid 2, van het Reglement voor de Raad voor de Journalistiek.

De Raad besluit - gelet op artikel 31 van dat Reglement - dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 28 november 1967 te Amsterdam door prof.mr. Ch.J. Enschedé, voorzitter; dr. E. Diemer, mr. H. Dikkers, prof.dr. G.C. van Niftrik en drs. J.M.M. v.d. Pluym, leden, in tegenwoordigheid van de waarnemend secretaris mr. J.F. van Maanen.

RvdJ 1967, 12.