1967/11 ongegrond

Klacht Marion Laudy tegen A. A. Stol

De Raad voor de Journalistiek overweegt het navolgende.

Onder datum 21 oktober 1966 heeft mevrouw Marion Laudy te Mexico-stad een klacht ingediend tegen de heer A. A. Stol te Den Haag hierna te noemen betrokkene, inhoudende dat betrokkene heeft bewerkstelligd dat tijdens de voorronde van de Olympische Spelen in oktober 1966 te Mexico, met prof. P. A. Biersteker hoofd van het medische team en leider van de Nederlandse delegatie, alleen aan hem informatie zou geven en niet aan klaagster en daardoor een collega de toegang tot een nieuwsbron verhinderde.
Betrokkene heeft onder datum 27 december 1966 tegen die klacht verweer gevoerd en daarbij overgelegd een verklaring, dd. 14 september 1966, door hem aan prof. Biersteker ter hand gesteld. In antwoord op een verzoek om inlichtingen van de kant van de Raad heeft prof. Biersteker bij schrijven van 9 maart 1967 nadere inlichtingen verstrekt. Onder datum 15 mei 1967 heeft klaagster nadere beschouwingen gegeven. Op al deze stukken wordt zo nodig hieronder nader teruggekomen.
De zaak is onderzocht ter zitting van de Raad van 28 november 1967, alwaar verschenen zijn de heer L. Frequin als vertegenwoordiger van klaagster en de heer Stol in persoon.

Het geschil loopt over drie punten: 1. de betekenis van de tevoren aan prof. Biersteker door betrokkene verstrekte verklaring 2. de verklaring van betrokkene namens prof. Biersteker, aan klaagster, dat prof. Biersteker klaagster niet wilde spreken 3. de stelling dat betrokkene aan klaagster zou hebben meegedeeld, dat hij een monopolie op de inlichtingen had.

Op grond van een en ander staat omtrent die drie punten het volgende vast. Betrokkene is voor hij naar Mexico vertrok door tussenkomst van de heer De Wolf hoofd van de publiciteit. Ned. Sportfederatie en N.O.C. in contact gekomen met prof. Biersteker, die zeer wantrouwig stond t.o.v. de pers. Betrokkene heeft toen het vertrouwen van prof. Biersteker gewonnen en hem de verklaring dd. 14 september 1966 afgegeven, die als volgt luidt:

"Ondergetekende A. A. Stol, free lance-reporter, verklaart zich te houden aan de voorwaarden, zoals deze door de leider van de 'Studiegroep-Mexico-1966' prof. dr. P. A. Biersteker zijn gesteld ten aanzien van de reportages (artikelen, foto's, radiobandjes, TV-opnamen) van de Nederland-uitzen-
ding naar Mexico (september-oktober 1966) voor het verkrijgen van wetenschappelijk materiaal met het oog op de voorbereiding en de deelneming v.an een Nederlandse ploeg aan de Olympische
Spelen van 1968, welke voorwaar den als volgt zijn te omschrijven:
De gehele berichtgeving over de Nederlandse ploeg geschiedt in nauw overleg met prof. Biersteker zowel ten aanzien van de keus van de onderwerpen als de uitwerking daarvan. De kopij, het fotomateriaal enz. worden ter plaatse beoordeeld door prof. Biersteker alvorens de zending naar Nederland wordt gestuurd.
De reportages komen alle terecht bij het hoofd van de afdeling Publiciteit van de Nederlandse Sport
Federatie te Den Haag, die voor de verspreiding zal zorgdragen.
Prof. Biersteker heeft toegezegd zijn medewerking te willen verlenen opdat de publicistische begeleiding van de NOC-uitzending die in samenwerking met de NSF geschiedt, zo goed mogelijk slaagt.
Bij het samenstellen van reportages waarbij de Nederlandse ploeg niet is betrokken (als voorbeeld diene het schrijven van artikelen en het maken van opnamen over de accommodaties voor 1968) is ondergetekende vrij. Hij neemt geen verantwoordelijkheid op zich voor de inhoud van reportages die door andere verslaggevers, buitenlandse journalisten en reporters inbegrepen, zouden kunnen worden gepubliceerd, waarbij hij aanneemt dat de leden van de ploeg niet zelf tot publicistische activiteiten overgaan met uitzondering van het wetenschappelijk onderzoeksteam ten behoeve van wetenschappelijke doeleinden.
Ondergetekende geeft de verzekering alles in het werk te zullen stellen om goede en verantwoorde reportages samen te stellen en is bij voorbaat erkentelijk voor de medewerking, welke hij van prof. Biersteker in Mexico verkrijgt.

w.g. A.A. Stol

N.B. Ondergetekende is zelf verantwoordelijk voor alle regelingen ten aanzien van de reis en het verblijf, de financiële aspecten inbegrepen.
14 september 1966"

Het afgeven van zulk een verklaring door een journalist is in het algemeen niet gebruikelijk en ook weinig aanbevelenswaardig omdat zulks allicht de verkeerde schijn wekt omtrent de journalistieke relatie tussen de journalist en degene die de verklaring accepteert. Toch meent de Raad de heer Stol voor deze handeling geen verwijt te mogen maken. Zij kan gemotiveerd zijn geweest als middel
het wantrouwen van prof. Biersteker weg te nemen, en bevat op zichzelf geen gegevens waaruit zou moeten worden afgeleid dat de heer Stol het nieuws voor zich monopoliseerde.
Klaagster heeft in haar klaagschrift haar gesprek op de tweede dag na aankomst van de Nederlandse delegatie met betrokkene als volgt weergegeven:

A. Stol:
Ja, ziet U, het is een beetje pijnlijk. Maar U weet, sommige Nederlanders zijn wat bang voor publicatie vanwege minder prettige ervaringen. Ook prof. B. Nu vertrouwt hij mijn werk en ik heb ook al enige jaren de proeven die hij doet gevolgd. Ik ben een voormalig gymnastiekleraar -- in ieder geval prof. B. heeft alleen aan mij zijn inlichtingen willen toezeggen. Zodat er geen verkeerde versies over de proeven verschijnen.

Marion Laudy:
Ik heb prof. B. reeds gezegd, dat ik bereid ben mijn artikels die medische inlichtingen bevatten, hem ter inzage te geven voor ik ze verzend. Ik ben een bona fide journalist en hou mijn woord.

A. S.:

Maar kijkt U nu eens--iets van vier leden van de ploeg hebben aan dagbladen toegezegd voor hen te schrijven tijdens hun verblijf hier. Als prof. B. U inlichtingen geeft, moet hij het ook die anderen geven -- en op die versies heeft hij geen controle.

M. L.:

Het verschil tussen mij en die vier is, dat ik een geaccrediteerde journaliste ben. Niettemin, prof. B. zou eveneens van hen kunnen verlangen, dat zij hun artikels aan hem overleggen vóór zij die verzenden.

A. S.:

Ach, dat haalt toch niets uit.

M. L.:

Wanneer iemand van de vier zich niet aan zijn afspraak met prof. B. houdt, zou hij zichzelf daarmee de pas afsnijden; dat prof. B. hem in dat geval geen verdere inlichtingen meer zou geven.

A . S.:

U begrijpt het helemaal niet. En kijk, wanneer U geen inlichtingen krijgt, krijgen die andere vier het ook niet. Laat ik het ook vooral duidelijk maken, dat het niet prof. B. is die de medische inlichtingen niet wil geven. Hij heeft met mij een afspraak gemaakt. En ik ben degeen die moet beslissen of U inlichtingen van hem krijgt of niet. (Het laatste werd door A. S. vier of vijf keer gedurende dit gesprek herhaald).

M. L.:

Ah, dus het gaat om iets anders-om concurrentie. Maar ik zie niet in, waarom we niet over dezelfde dingen kunnen berichten, ieder op onze eigen wijze.

A. S.:

Stelt U zich nu voor, dat ik voor de VARA spreek en Mr. X (van de ploeg) maakt daarover een praatje voor de NCRV.

M. L.:

Wat is daar voor bezwaar tegen? Ieder maakt er toch iets eigens van, omdat hij het verschillend ziet. Volgens Uw opvatting zou in elk land eigenlijk maar één Ned. journalist werkzaam kunnen zijn.

A. S.:

Ja... wel... in dit geval kan het nu eenmaal niet anders. Natuurlijk mag U met de atleten zelf spreken.

M. L.:

(Slikt een lach in).

A. S.:

En nogeens prof. B. heeft niets met deze zaak te maken. Ik ben degeen, die ten volle de verantwoording in deze kwestie op me neem.

M.L.:

Prof. B. is de leider van de groep en heeft de verantwoording. Ik veronderstel, dat de professor zeer goed weet wat on-democratisch en on-ethisch is.

A. S.:

Hij heeft met mij een afspraak waaraan hij zich houdt. En ik ben degeen, die beslist of U en de anderen inlichtingen krijgen.

M. L.:

En hoe luidt Uw beslissing?

A. S.:

Dat het niet kan.

M. L.:

In dat geval trek ik mij terug. Maar ik zeg U frank, dat ik deze zaak in "De Journalist" zal bekend maken.

Betrokkene heeft in de schriftelijke stukken deze weergave niet weersproken. Ter zitting heeft hij verklaard:

-dat hij inderdaad bij dat gesprek namens prof. Biersteker aan klaagster heeft meegedeeld, dat prof. Biersteker niet met haar wilde spreken;

- dat het niet waar is dat hij, betrokkene, degeen was die beslissen moest of klaagster van prof. Biersteker inlichtingen zou krijgen of niet.
Wat laatstgenoemd punt betreft: in zijn brief van 9 maart 1967 heeft prof. Biersteker ontkend, dat hij zich verbonden had alleen aan de heer Stol inlichtingen te verstrekken.
Wat het andere punt betreft: betrokkene heeft ter zitting verklaard verkeerd gehandeld te hebben door prof. Biersteker's boodschap, dat deze niet met klaagster wilde spreken, aan klaagster over te brengen.
De Raad neemt van deze verklaring gaarne akte. Door te handelen gelijk hij deed heeft betrokkene de indruk gewekt dat hij, zo hij een enigszins bijzondere journalistieke relatie tot prof. Biersteker al niet heeft gezocht, zich deze toch heeft laten aanleunen. Daarmee geraakte hij in een oncollegiale situatie ten opzichte van klaagster, waartegen deze laatste terecht bezwaar kan maken.
Intussen wil de Raad ermede rekening houden dat betrokkene eerder uit onervarenheid heeft gehandeld gelijk hij deed, zonder dat er sprake is van een handeling als omschreven in art. 1, lid 2, van het Reglement van de Raad.

De Raad besluit - gelet op artikel 31 van dat Reglement - dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 28 november 1967 te Amsterdam door prof. mr. Ch. J. Enschedé, voorzitter- dr. E. Diemer, mr. H. Dikkers, prof. dr. G. C. van Niftrik en drs. J. M. M. v.d. Pluym, leden, in tegenwoordigheid van de waarnemend secretaris mr. J. F. van Maanen.

RvdJ 1967, 11.