1967/10 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Mevrouw S.M.I. Damstra-Wijmenga/Televizier.

Gelet op de klacht d,d. 18 augustus 1967, ingediend door mevrouw S.M.I. Damstra-Wijmenga, arts te Groningen, hierna te noemen klaagster, tegen

de heer R.F.J.H. van Rooij, hoofdredacteur van het weekblad "Televizier", alsmede tegen mevrouw Eva Smit, redactrice van dat weekblad, hierna te noemen de betrokkene(n); Gezien de door klaagster en de betrokkenen overgelegde stukken;

Gehoord beide partijen ter zitting van de Raad, gehouden op 3 november 1467, alwaar klaagster en de betrokkenen in persoon zijn verschenen;

In aanmerking nemende de desbetreffende bepalingen van de statuten van de Federatie van Nederlandse Journalisten, en van het reglement van de Raad voor de Journalistiek:

Overwegende ten aanzien van de feiten:

dat de klacht betrekking heeft op het feit dat in een interview met de klaagster, afgenomen door mevrouw Smit en afgedrukt in het weekblad Televizier van 19 augustus 1967, een aantal opmerkingen van of over klaagster en haar echtgenoot voorkomen die tijdens de maaltijd, buiten aanwezigheid van mevrouw Smit, zijn gemaakt.of waargenomen en die alle betrekking hadden op onderwerpen buiten de sfeer van het interview;

dat klaagster ter zitting van de Raad heeft volhard bij de gedane klacht en deze op enkele punten nog nader heeft toegelicht en gepreciseerd, daarbij stellende:

dat haar bezwaren zich richten tegen de volgende passages: "Narcotiseur Damstra ... tegen zijn vrouw: "Mevrouw Van Dam ligt al twee weken met gebroken vliezen. Zijn die gehaktballen aangebrand ? Zo, is dat de kleur ?"", "Zij kookt electrisch. Het eten (sperziebonen, witte kool,
gehaktballen, griesmeelpudding met gekookte aardbeien) wordt op temperatuur gehouden", "Hebben we nou al een vuilnisbak ? Als ik een uurtje in de tuin bezig ben, produceer ik genoeg voor vier vuilnisbakken", "Een van zijn dochters, die juist tien pond is afgevallen, geeft hij een kort
advies. Als je het zo wilt houden, moet je al je jurken flink strak maken. Als ze beginnen te spannen, weet je dat het weer de verkeerde kant opgaat", terwijl zij voorts bezwaren heeft tegen het overvloedige gebruik van foto's bij het artikel;

dat de betrokkene Van Rooij een verweerschrift bij de Raad heeft ingediend, met de inhoud waarvan mevrouw Smit zich geheel heeft kunnen verenigen, en dat als hier geïnsereerd wordt beschouwd;

dat de betrokkenen ter zitting nader op dit verweerschrift zijn ingegaan en onder meer hebben opgemerkt:

dat mevrouw Smit zich er niet van bewust is geweest dat haar tekst onaangenaam zou kunnen zijn voor de echtgenoot van mevrouw Damstra in ver band met diens opmerking "Mevrouw Van Dam ligt al twee weken met gebroken vliezen", daar de echtgenoot van mevrouw Damstra weliswaar de werkelijke naam van de betrokkene heeft genoemd, maar die naam in het afgedrukte interview in de naam "Van Dam" is veranderd;

dat een arts, wetende dat de pers aanwezig is voor het a£nemen van een interview, uiterst voorzichtig dient te zijn bij het doen van zulke mededelingen en dat hij, dergelijke mededelingen doende als in casu zijn gedaan, de consequenties hiervan dient te nemen;
dat dit slechts anders zou zijn indien degene die het interview afneemt, dergelijke mededelingen op slinkse wijze zou uitlokken, hetgeen in casu niet het geval is geweest;

dat het interview niet onderbroken kan worden geacht door de maaltijd en dat mevrouw Smit - die zelf niet mee aan tafel heeft aangezeten - de, overigens onschuldige, opmerkingen uitsluitend heeft ontleend aan het antwoord op vragen, door haar gesteld aan de fotografe Maya Sweering, die voor het interview was meegekomen naar Groningen en die wel aan de maaltijd heeft deelgenomen;

dat de heer en mevrouw Damstra geheel vrijwillig voor het maken van de foto's hebben geposeerd, zodat tegen de publikatie van deze foto's geen redelijke bezwaren zijn te maken;

Overwegende naar aanleiding van de feiten:

dat klaagster zich - naar zij ter zitting heeft verklaard - voor en aleer het interview met mevrouw Smit plaats vond, op de hoogte heeft gesteld van de aard en de stijl van het weekblad "Televizier";

dat reeds een oppervlakkige lezing van dit blad aan iemand als klaagster duidelijk moet hebben gemaakt, dat het blad zich richt tot een groot publiek, hetgeen meebrengt dat artikelen in een voor dit publiek aantrekkelijke vorm plegen te worden gegoten;

dat klaagster in dit verband geen redelijk bezwaar kan maken tegen de vele foto's, die het artikel begeleiden, nu zij en haar gezin de meegebrachte fotografe rustig haar gang hebben laten gaan;

dat klaagster, hoewel zij naar zij zelf stelt "voorzichtig" is geweest tijdens het interview, niet als eis heeft gesteld dat de tekst van het interview voor publikatie aan haar ter goedkeuring zou worden voorgelegd;

dat de Raad van oordeel is dat het interview tijdens de maaltijd in casu niet zonder meer als onderbroken behoeft te worden beschouwd;

dat mevrouw Smit de gewraakte passages slechts heeft verwerkt in het interview als "achtergrondinformatie" en een niet gechargeerde weergave heeft gegeven van hetgeen zij van de haar begeleidende fotografe desgevraagd heeft vernomen;

dat de Raad bedenking heeft tegen de opneming in het interview van de uitlating van de heer Damstra "Mevrouw Van Dam ligt al twee weken met gebroken vliezen", ook al heeft mevrouw Smit de naam "Van Dam" gebruikt, zulks terwijl de betrokken arts de werkelijke naam van de vrouw in kwestie had genoemd;

dat het hier gaat om een stuk achtergrondinformatie dat zonder schade voor het geheel van het stuk kon worden gemist;

dat iemand in de positie van mevrouw Smit weet dat van een arts over dergelijke zaken discretie wordt verwacht en dat zij zich dan ook had behoren te realiseren dat zij door de opneming van deze passage nodeloos een onaangename situatie heeft geschapen voor de arts in kwestie;

dat anderzijds ook de arts zelf die weet dat er persmensen in zijn woning zijn, voorzichtigheid in acht moet nemen, zelfs als zulke opmerkingen niet over een van zijn patiënten zouden gaan;

dat dit, alles bijeengenomen, de Raad er toe leidt er op te wijzen dat de journalist zorgvuldigheid dient te betrachten bij het gebruik maken van indirect - van derden - verkregen gegevens;

dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, die zorgvuldigheid in casu niet in zodanige mate te wensen heeft overgelaten dat van handelingen of gedragingen moet worden gesproken schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, al blijkt uit deze zaak wel opnieuw dat de journalist zich terdege rekenschap moet geven van het feit dat een geïnterviewde persoon bij een langer contact soms de indruk kan hebben dat wat hij zegt "niet tot het interview behoort" en dat de pers zich dient te bezinnen op de mate waarin gebruik kan worden gemaakt van gegevens die tot de privé-sfeer behoren;

Wijst af de gedane klacht en besluit dit uitgesproken oordeel ter publikatie te verstrekken aan het Algemeen Nederlandsch Persbureau "A.N.P.", alsmede aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, "De Journalist".

Aldus gewezen in de zitting van de Raad d.d. 3 november 1967 door de heer Prof.Mr. Ch.J. Enschedé, plaatsvervangend voorzitter; mevrouw Mr. J. Brans-Woltering en de heren Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers en E.J. Hoogenstraaten, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1967, 10.