1966/3 gegrond

Beslissing inzake de klacht van mevrouw L.J. Carrière te Den Haag c/a het "Algemeen Dagblad" te Den Haag.

De Raad voor de Journalistiek. Kennisgenomen hebbende van een door mevr. L.J. Carrière d.d. 22 juli 1966 ingediende klacht tegen de Hoofdredactie van het Algemeen Dagblad te Den Haag en tegen de verslaggever J.G. Huygens van dat blad, waarin zij zich beklaagt over de opname in het nummer van 20 juli 1966 van een pers-bericht, geschreven door genoemde Heer Huygens, over de aanrijding en overrijding van een Chinese ingenieur of deskundige op zaterdag 16 juli 1966 in de Prins Mauritslaan met publicatie van een foto van haar zoontje als getuige van het ongeval, zulks in strijd met de haar door de Heer Huygens gedane belofte enige foto te zullen publiceren noch de naam van haar zoontje te zullen vermelden; Gezien een pers-bericht in het Algemeen Dagblad van 20 juli 1966, waarin onder het hoofd: "Haagse Jongen: Ingenieur werd overreden", een foto van het zoontje van mevr. Carrière staat afgedrukt met onderschrift "Alain Carrière" en bevattende o.a. de alinea's: "Is de elfjarige Haagse jongen Alain Carrière de énige geweest, die precies heeft gezien wat er zaterdagmiddag voor het pand Prins Mauritslaan 17 is gebeurd of heeft hij in zijn jeugdige fantasie zichzelf tot Kroongetuige gemaakt?" "Hij beweert te hebben gezien, dat de Chinese ingenieur door een auto werd aangereden en overreden" etc.

Kennisgenomen hebbende van het verweer d.d. 2 september 1966 van de Hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad de heer A.C.W. van der Vet waarin hij stelt:
1e dat zijn verslaggever Huygens uitdrukkelijk ontkent aan klaagster te hebben beloofd géén foto van haar zoontje te zullen publiceren noch diens naam in zijn artikel te zullen noemen doch dat integendeel de foto van haar zoontje in haar huis en in haar tegenwoordigheid is genomen zonder énige tegenwerking harerzijds;
2e dat hij op 20 juli 1966 door klaagster is opgebeld over de in het dagblad van 20 juli 1966 gepubliceerde foto, waarover zij zich beklaagde als ook over het noemen van de naam van de jongen, hetgeen zij uitdrukkelijk had verboden;
3e dat hij haar heeft gezegd zijn verslaggever, Huygens te zullen gelasten zich met haar in verbinding te zullen stellen hetgeen deze ook heeft gedaan; Gehoord in de zittingen van de Raad van 10 november en 1 december 1966 klaagster die persisteerde bij haar klacht, daaraan nog toevoegende haar klacht te hebben gedaan, omdat zij van deze publicatie met foto onaangenaamheden vreesde voor haar en haar zoontje en zij dan ook enige onopvallende beveiliging van de Haagse Politie heeft gekregen, dat de andere journalisten haar op 20 juli 1966 opbelden en haar hun verontwaardiging betuigden over het feit dat de heer Huygens wel een foto van haar zoontje had gepubliceerd.
Gehoord in de zitting van de Raad d.d. 1 december 1966 als getuige:
1e de heer G.F. de Blauw, die verklaarde op 19 juli 1966 ten huize van mevrouw Carrière te zijn geweest en aldaar te hebben gehoord dat zij méér malen de aanwezige journalisten, waaronder de heer Huygens uitdrukkelijk verbood enige foto te maken en verzocht haar naam en die van haar zoontje niet te vermelden in hun persberichten in verband met de daaraan verbonden eventuele risico's;
2e de heer J.G. Huygens, die verklaarde op 19 juli 1966 ten huize van mevrouw Carrière te zijn geweest ter verkrijging van gegevens over een aan- en overrijding van een Chinees Ingenieur of deskundige, waartoe hij voornamelijk heeft gesproken met het zoontje van mevrouw Carrière, wiens verklaring hij in zijn persbericht heeft weergegeven met deze zinsneden: "Ik zag eerst dat een Chinese man stond te praten met een Europeaan. Plotseling kwam uit de deur van het Chinese huis een aantal mannen, die op de Chinese man toeliepen. De Europeaan ging direct weg en de Chinees wilde de straat oversteken om terug te gaan naar het huis. Juist op dat moment kwam een lichtgekleurde auto aanrijden, die de Chinees raakte en tegen de grond gooide. De auto reed door over de man heen en verdween om de hoek van de straat".- Dat hij door de door hem ontboden fotograaf Beukenkamp een foto van het zoontje van mevrouw Carrière in haar bijzijn en met
haar verlof heeft laten nemen en de jongen enige beloning heeft gegeven. Dat hij uitdrukkelijk volhoudt van mevrouw Carrière verlof te hebben gekregen om deze foto tegelijk met zijn persbericht in zijn courant te doen publiceren, zoals dan ook is geschied.

Overwegende, dat de Raad uit bovenstaande schriftelijke en mondelinge verklaringen van mevrouw Carrière, bevestigd door de bovenvermelde getuigenverklaring van de heer De Blauw, meent te moeten concluderen, dat het in casu de heer Huygens niet vrijstond het portret van het zoontje van mevrouw Carrière te maken en te publiceren noch diens naam in zijn verslag te vermelden; Overwegende, dat een journalist, die tot publicatie van het portret van één zijner zegslieden tegelijk met zijn verslag wil overgaan er bijzondere zorg voor dient te dragen, dat er geen enkel misverstand kan bestaan over het hem verleende verlof tot zulk een publicatie, in het bijzonder niet in het onderhavige geval nu die publicatie voor het jongetje in verband met de zéér bijzondere omstandigheden onaangenaamheden c.q. risico's zouden kunnen meebrengen; Overwegende dat in casu die bijzondere zorg door de heer Huygens niet in acht is genomen, waardoor hij een handeling heeft verricht, schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten; Spreekt alzo als zijn oordeel uit, dat in casu een handeling of gedraging is verricht, schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten, bedoeld in lid 2 van art. 1 van het "Reglement voor de Journalistiek."Besluit - gelet op art. 31 van dat Reglement - dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, De Journalist."

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 1 december 1966 te Amsterdam door Mr. A.A.L.F. van Dullemen, voorzitter; mevrouw Mr. J. Brans-Woltering, de heer J.H. Boom, Dr. E. Diemer en Dr. Th.W. van Veen, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A.Jongerius.

RvdJ 1966, 3.