1966/2 ongegrond

Uitspraak Raad voor de Journalistiek

Medisch Tuchtcollege contra Nieuwsblad van het Noorden

Op 5 januari en 26 februari 1966 heeft de waarnemende voorzitter van het Medisch Tuchtcollege te Groningen klachten tegen het Nieuwsblad van het Noorden ingediend bij de Raad voor de Journalistiek. Deze klachten betroffen de publikatie van persberichten over twee bij dat College op 8 december 1965 en 23 januari 1966 behandelde zaken c/a apothekeres Mevrouw G. B. Becht-Wieling te Roden, waardoor de indruk werd gewekt, - v. ij citeren nu de overwegingen van de Raad - "dat een verslaggever van dat blad op die zittingen van het College toegelaten zou zijn geweest in strijd met de in art. 48 van het Reglement Medisch Tuchtrecht voorgeschreven beslotenheid daarvan, c.q. de indruk wordt gewekt of één of meer leden van dat College in strijd met de hun opgelegde geheimhoudingsplicht aan dat blad mededelingen daaromtrent zouden hebben gedaan, waardoor een verkeerd en onjuist licht op dat College wordt geworpen."
Het N. v. h. N. diende hiertegen op 27 juli een verweerschrift in, waarin werd gesteld, "dat zijnerzijds van schending der geheimhouding van beide zittingen van het College geen sprake is geweest, doch dat het blad - in verband met reeds voordien gepubliceerde berichten over het optreden van de apothekeres Mevrouw Becht-Wieling - op geheel geoorloofde wijze een tweetal nieuwsberichten heeft gepubliceerd aangaande de behandeling bij het Medisch Tuchtcollege van de door mevrouw VogelLemoine te Roden ingediende klachten tegen die apothekeres wegens niet-aflevering van bij haar bestelde geneesmiddelen (palfium -tabletten)."

Bij de behandeling van deze zaak door de Raad voor de journalistiek in zijn zitting van 10 november jl. deelde de hoofdredacteur van het N. v. h. N., collega G. Vaders, mee dat de gewraakte berichten niet de eerste waren die zijn blad over de Rodense apothekeres had gepubliceerd. Over moeilijkheden in verband met haar optreden was al eerder in de krant geschreven. Daarom had hij het in het algemeen belang geacht ook iets te publiceren over de tegen haar bij het Medisch Tuchtcollege te Groningen in december 1965 en januari 1966 behandelde klachten. De berichten daarover waren door een freelance-journalist opgesteld met gebruikmaking van le flarden van het gesprek, komende uit de gesloten gehoorzaal van het College, waar soms zéér luid werd gesproken, 2e de samenspraak die na de zitting klaagster en drie of vier getuigen met elkaar hadden gevoerd; 3e afzonderlijke inlichtingen, hem welwillend door klaagster en getuigen afzonderlijk verschaft na afloop van de zittingen.

Collega Vaders gaf toe dat deze berichten zeer ongebruikelijk waren, maar hij zag er evenwichtige verslagen in, zij het dat hij achteraf de redactie ervan niet erg gelukkig vond - maar er diende rekening te worden gehouden met de te betrachten spoed. In verband met de in Roden bestaande emoties vond hij de publikatie in het algemeen belang wenselijk.

Het getuigenverhoor bevestigde dat de betrokken journalist na de zitting inlichtingen had verkregen van de klaagster en van enige getuigen, en dat deze niet tot geheimhouding verplicht waren. Niettemin was de waarnemende voorzitter van het Medisch Tuchtcollege te Groningen, prof. mr. H. J. Scheltema, van mening dat het N. v. h. N. in hoge mate de grenzen van de behoorlijkheid had overschreden. Immers zijn berichten wekten de indruk, konden althans de indruk wekken, te zijn geschreven door iemand die op de (besloten) zitting van het Medisch Tuchtcollege aanwezig was geweest of althans zijn informatie van een lid van dit college had. Afgezien daarvan behoorde een hoofdredacteur een verslag als het onderhavige niet te publiceren omdat hij wist dat dit een eenzijdige, c.q. partijdige, onvolledige en onjuiste voorstelling van feiten gaf, waardoor een onjuist licht werd geworpen op de gestie van het College, waartegen dit zich niet kan verdedigen gezien zijn geheimhoudingsplicht.

De Raad voor de Journalistiek, uitspraak doende in zijn zitting van 22 november jl., heeft vastgesteld (en nu volgt de colledige uitspraak, waarin de zinsneden die meer in het bijzonder van algemeen journalistiek belang zijn vet zijn gedrukt - een typografische bijzonderheid die uiteraard voor rekening van dit blad blijft):

Overwegende, dat aan de Raad uit de bovenvermelde verklaringen van de heer Vaders en mevr. Somers (een van de getuigen) niet is gebleken, dat door een of meer leden van het Medisch Tuchtcollege te Groningen iets uit de besloten zittingen van dat college van 8 december 1965 en 23 januari 1966 aan derden is medegedeeld noch dat daarin enige verslaggever voor het Nieuwsblad v/h Noorden is toegelaten;

Overwegende, dat het Tuchtcollege in dit opzicht geen enkel verwijt treft;

Overwegende dat de bovenomschreven, gepubliceerde persberichten in zulk een vorm zijn gegoten en van zulk een inhoud zijn, dat zij bij de lezers de indruk kunnen;
vestigen te zijn opgesteld in strijd met de beslotenheid der zittingen van het Medisch Tuchtcollege;

Overwegende, dat o.a. in die persberichten is verzuimd mede te delen, dat deze gegevens afkomstig waren van één der partijen en van de in de zittingen van het College gehoorde getuigen, alzo eenzijdig en onvolledig en eventueel onjuist;

Overwegende dat de hoofdredacteur van het Nieuwsblad van Noorden echter heeft gemeend - in verband met reeds voordien in zijn blad gepubliceerde berichten aangaande moeilijkheden met de te Roden gevestigde apothekeres - toch deze berichten te moeten publiceren in het algemeen belang;

Overwegende dat het op zichzelf niet onoirbaar is mededelingen door verdachten, klagers of getuigen die niet tot geheimhouding kunnen worden verplicht, bekend te maken, wanneer daartoe genoegzaam aanleiding is;

Overwegende dat de hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden heeft kunnen menen dat er in dit geval genoegzaam aanleiding voor publikatie was;

Overwegende dat de vorm waarin de publikatie is geschied moet worden betreurd, omdat de indruk is gewekt van verslaggeving door een aanwezige verslaggever, die uit eigen waarneming schreef, terwijl er in feite sprake was van berichtgeving;

Overwegende dat echter dit onderscheid in de praktijk van de berichtgeving niet altijd voldoende gemaakt wordt, hoezeer de zorgvuldigheid met het maken van dit onderscheid ook gediend zou zijn;

Acht weliswaar derhalve de vorm van de berichten onjuist, doch in verband met voorgaande overweging toch geen voldoende reden aanwezig om te concluderen dat de hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden de vaardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, bedoeld in artikel 1, lid 2 heeft geschaad;

Spreekt als zijn oordeel uit dat in casu geen handeling of gedraging is geschied schadelijk voor de stand der Nederlandse journalisten;

Besluit - gelet op art. 31 van het Reglement van de Raad voor de Journalistiek dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten De Journalist."

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 22 november 1966 te Amsterdam door Mr. A.A.L.F. van Dullemen, Voorzitter, Mevrouw J. BransWoltering, de heer J.H. Boom, Dr. E.Diemer en Th.W.van Veen, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1966, 2.