1965/2 gegrond

Beslissing inzake Wim Kan contra De Tijd-Maasbode

De Raad voor de Journalistiek:

Kennisgenomen hebbende van een door de heer Wim Kan d.d. 10 maart 1965 ingediende klacht tegen de Hoofdredactie van "De Tijd-Maasbode" te Rotterdam wegens het zonder zijn toestemming of medeweten woordelijk en vrijwel gehéél publiceren van een door hem aan de hoofdredactie van dat blad geschreven brief van 29 januari 1965, zulks in het blad van 20 februari 1965, welke brief, waarop hij tot op 10 maart 1965 géén enkel antwoord had ontvangen, luidde als volgt: "Aan de Hoofdredactie van De Tijd-Maasbode, Kortenaerstraat 1, Rotterdam. Mijne Heren, In Uw blad van 23 januari 1965 staat een artikel van Frans Boelen. Hij schrijft o.a. "Zo stoeien de Jacco's, de René's, de Philippine's, de Hansen en de Didi's maar rustig door tot zij tenslotte de vererende uitnodiging krijgen om tegen een schamel loontje in de Doofpot van het cabaret te werken. De Doofpot van het cabaret of anders gezegd: het voorprogramma van Wim Kan". Bent U het met mij eens dat dit stukje, na de enthousiaste recensie van de heer Wienema in Uw blad van 4 januari 1965, een vreemde en wel zeer ondeskundige indruk maakt? Ons cabaret trekt jaarlijks ongeveer 250.000 bezoekers, waaronder de leiders van alle toneelgezelschappen, film- en televisieregisseurs, radiofunctionarissen, kortom practisch iedereen die op de één of andere manier met ons vak te maken heeft. Welk gezelschap kan jonge artiesten zo'n springplank aanbieden? Zijn opmerking over "het schamele loontje" vind ik, op z'n zachtstgezegd, beledigend. Een goed journalist behoort te weten waarover hij schrijft en aangezien de heer Boelen niet in onze kasboeken heeft gekeken, moet hij dergelijke opmerkingen in een krant achterwege laten. Vertrouwend dat U hem op dit punt terecht zult willen wijzen, teken ik, met vriendelijke groeten, hoogachtend, Wim Kan. P.S. Ik weet niet hoeveel de heer Boelen verdient, maar wat het ook is, het is teveel!";

Kennisgenomen hebbende van het verweerschrift d.d. 25 maart 1965 van de Hoofdredacteur van "De Tijd-Maasbode", Mr. W.A.M. v.d. Kallen, waarin deze schrijft van het binnenkomen van de brief van de heer Kan zich niets te kunnen herinneren, doch na lezing van het artikel van zijn medewerker, Frans Boelen, afgedrukt in zijn blad van 20 februari 1965, aan deze te hebben gevraagd: "Hoe kom je aan die brief van Kan? Ik herinner mij er niets van", waarop deze hem had geantwoord: "Ik heb hem van de redactiechef gekregen met Uw opdracht hem stevig te antwoorden", hetgeen door de redactiechef werd bevestigd en welke loop van zaken niet door hem wordt ontkend; dat hij toegeeft, dat het allemaal een beetje slordig is gegaan en het hem spijt, dat de heer Kan van hem zelf géén antwoord heeft gehad;

Gezien het bij de klacht gevoegde artikel van Frans Boelen in 'De Tijd-Maasbode"van 23 januari 1965, waarin onder de rubriek "Boulevard" is opgenomen een uitvoerige beschouwing over het cabaret en de musical in ons land en waarin voorkomt de bovenvermelde, door Kan gewraakte alinea: "Zo stoeien de Jacco's, de René's, de Philippine's", etc., etc.;

Gezien het bij de klacht gevoegde artikel van Frans Boelen in "De Tijd-Maasbode" van 20 februari 1965, waarin door deze onder het opvallende, vet-gezette hoofd "Kan (bloot)" de bovenvermelde brief, gericht aan de Hoofdredacteur, in aparte zinnen woordelijk wordt afgedrukt met uitzondering van de zinnen: "Zijn opmerking over "het schamele loontje" vind ik, op z'n zachtst gezegd, beledigend" en: "Vertrouwend, dat U hem op dit punt terecht zult wijzen, teken ik, met vriendelijke groeten, hoogachtend, Wim Kan" - zinnen, waarom het Wim Kan juist te doen was en waaruit duidelijk blijkt, dat zijn brief voor de Hoofdredacteur persoonlijk bedoeld was en geenszins voor publicatie bestemd was of mocht dienen;

Gehoord in zijn zitting van 18 augustus 1965:

1e. Mr. W.A.M. van der Kallen, Hoofdredacteur van "De TijdMaasbode", die zich refereerde aan zijn bovenvermelde verweerschrift, doch verklaarde het in bepaalde gevallen geoorloofd te achten, dat een door hem ontvangen brief, waarin over een in zijn courant gepubliceerd artikel wordt geklaagd, ook Publiekelijk in zijn blad wordt beantwoord, desgewenst - zoals in casu - met volledige publicatie en zonder toestemming of medeweten van de schrijver;
2e. de heer Frans Boelen, journalist in dienst bij "De TijdMaasbode", die verklaarde door vroegere medewerkers van het voorprogramma van Wim Kan te zijn ingelicht over hun - z.i. lage - salarissen en dus géén onjuistheid te hebben geschreven doch zonder toestemming of medeweten van Kan de volledige brief te hebben gepubliceerd;
3e. Mr. N.W.A. Brink, algemeen gemachtigde en raadsman van de heer Kan, die verklaarde de door Mr. Van der Kallen en Boelen in dezen gevolgde handelwijze tegenover de heer Kan in hoge mate onfatsoenlijk te achten en in strijd met de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten;
4e. de heer W. van Liempt, gemachtigde van de heer Kan, die verklaarde dat sinds enige tijd de salarissen der medewerkers in het voorprogramma zijn vastgesteld op minimaal f 500,-- en maximaal f 1.500,-- per maand voor +/- 25 voorstellingen, welke bedragen hij voor beginnelingen in het vak géénszins "een geringe vergoeding" kan vinden, zoals de heer Boelen heeft geschreven;

Overwegende, dat uit de inhoud van de onderwerpelijke brief van de heer Kan - zijnde een verzoek aan de Hoofdredacteur tot berisping van een ondergeschikte - ten duidelijkste blijkt het strikt persoonlijke en min of meer vertrouwelijke karakter daarvan, ofschoon was verzuimd daarop de aanduiding "persoonlijk", "vertrouwelijk" of "in handen" te plaatsen, zodat de publicatie daarvan in "De Tijd-Maasbode" van 20 februari 1965 als in strijd met de goede trouw en met goede journalistieke gewoonten en opvattingen moet worden geoordeeld;

Spreekt als zijn oordeel uit dat de in dezen gevolgde handelwijze en gedraging schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van het Reglement voor de Raad voor de Journalistiek;

Besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, "De Journalist";

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad te Amsterdam op 18 augustus 1965 door Mr. A.A.L.F. van Dullemen, voorzitter; Mevrouw Mr. J. Brans-Woltering, E.J. Hoogenstraaten, Drs. B.F. Tijmstra en S.H.A.M. Zoetmulder, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1965, 2.