1965/1 gegrond

Beslissing inzake F.C. Hilversum contra De Gooi en Eemlander

De Raad voor de Journalistiek:

Kennisgenomen hebbende van een op 26 juli 1965 namens het bestuur der "F.C. Hilversum" ingediende klacht tegen het dagblad "De Gooien Eemlander" te Hilversum wegens een in het nummer van 13 juli 1965 gepubliceerde "pertinent onware verslaggeving" betreffende een door de "Stichting Sportclub Gooiland" op 12 juli 1965 gehouden persconferentie, welke ten nadele der F.C. Hilversum veel onrust in de gemeente Hilversum zou hebben verwekt en welk verslag een onjuiste indruk vestigt van de houding der F.C. Hilversum als zou deze haar medewerking tot een fusie met de club "Het Gooi" hebben geweigerd niettegenstaande aan de financiële voorwaarden (5 ton kapitaal) was voldaan;

Kennisgenomen hebbende van een bij de klacht gevoegd artikel in De Gooi- en Eemlander van 13 juli 1965, waarin onder het opvallende, vet-gezette hoofd "Hilversum doet niet mee aan Gooiland" staat vermeld: "Hilversum - Een mislukking! Een stichting Gooiland, waarin opgenomen de semi-profafdelingen van het Gooi en Hilversum zal slechts in de verbeelding van de Gooise voetbalwereld blijven bestaan. Het bestuur van "Gooiland" heeft gisteravond het bijltje erbij neergelegd. Zonder "Hilversum" in de stichting kon nu eenmaal niet naar de oorspronkelijke opzet gewerkt worden. En "Hilversum" heeft geweigerd deel te nemen aan "Gooiland" omdat het bestuur van deze club de financiële basis aan toezeggingen (totaal vijf ton) te wankel vond. Op 26 april van dit jaar heeft het eerste gesprek met de besturen van beide clubs plaats gehad. Pas een maand later hield "Hilversum" zijn ledenvergadering. Het stichtingsbestuur moest toen pogen tussen 14 en 26 mei een bedrag van f 250.000,- op tafel te brengen. Het bedrijfsleven verklaarde zich garant voor dit bedrag mits de gemeente eenzelfde bijdrage zou verlenen. Ook dit geschiedde en financieel was "Gooiland" sterk mits aan de volgende voorwaarde kon worden voldaan: het Gooi en Hilversum in de stichting! Maar het bestuur van "Hilversum" achtte de financiële toezeggingen een onvoldoende waarborg en trok zich terug.";

Kennisgenomen hebbende van een door de F.C. Hilversum op 27 juli 1965 nagezonden verslag van de secretaris dier vereniging, afgedrukt in het club-orgaan "Het Groene Veld" van juli 1965, getiteld "Ter wille van de historie", waarin deze de afloop der verschillende besprekingen vermeldt, welke in de voorgaande maanden waren gehouden om te komen tot een fusie van de semi-profafdelingen der beide clubs in de vorm van een ;'Stichting Sportclub Gooiland" en waarin op blz. 5/6 Is afgedrukt een perscommuniqué van de buitengewone ledenvergadering der F.C. Hilversum van 26 mei 1965, luidende: "In de zeer druk bezochte buitengewone ledenvergadering van de F.C. Hilversum, gehouden op 26 mei 1965, werd rapport uitgebracht over het contact om te komen tot een stichting betaald voetbal te Hilversum, waaraan de beide semi-prof-clubs ter plaatse zouden deelnemen. Het bleek, dat het voorlopig stichtingsbestuur er niet in geslaagd is het noodzakelijk geachte minimumkapitaal bijeen te brengen, dat reeds in de eerste bespreking van de zijde der Commissie van Goede Diensten op f 600.000,-- werd gesteld. Het bestuur van de F.C. Hilversum betreurt het ten zeerste, dat na de tweede bespreking op 26 april 1965 géén enkel officieel contact meer heeft plaats gevonden; van de verdere gang van zaken heeft het bestuur van de F.C. Hilversum kennis moeten nemen uit de pers. Eerst op 25 mei j.l. werd de secretaris van de F.C. Hilversum telefonisch op de hoogte gebracht van de vermoedelijke opbrengst van de zijde van het bedrijfsleven en uit de burgerij, welke ver beneden het hiervoor vermelde minimum bleek te liggen. Op grond hiervan was er voor het bestuur van de F.C. Hilversum geen enkele aanleiding aan de vergadering enig voorstel te doen. Wanneer te eniger tijd een stichting met voldoende middelen in staat zou blijken te zijn tot werkelijk betaald topvoetbal in Hilversum te geraken, is het bestuur van de F.C. Hilversum nog steeds bereid daartoe zijn medewerking te verlenen. De vergadering keurde met algemene stemmen het door het bestuur van de E.C. Hilversum gevoerde beleid goed." Waarna melding wordt gemaakt van nog twee besprekingen op 14 en 21 juni 1965 gehouden met deze alinea's: "Ook gedurende deze besprekingen bleek dat de financiële perspectieven er beslist niet beter op waren geworden en deze absoluut onvoldoende moesten worden geacht om tot werkelijk verantwoord topvoetbal in onze gemeente te geraken. Onze delegatie werd overigens ook nu weer geen enkel exact inzicht in de financiële verhoudingen verstrekt, terwijl van de zijde der stichting werd benadrukt dat nog geen enkele toezegging was gedaan m.b.t. een bepaalde vergoeding voor de inbreng van de contractspelers en de bereidheid het betaalde voetbal als vereniging van zich af te stoten, en deze toezegging ook op dit moment niet kon worden gedaan.";

Kennisgenomen hebbende van het op 2 augustus 1965 door de Hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander aan de Raad ingestuurd verweerschrift, waarin wordt vermeld, dat op de bewuste persconferentie der "Stichting Sportclub Gooiland" géén bestuurslid der
F.C. Hilversum aanwezig is geweest, en in het litigieuse verslag op juiste wijze is weergegeven, wat aldaar is gezegd doch dat de zinsnede "Het bedrijfsleven verklaarde zich garant voor dit bedrag mits de gemeente eenzelfde bedrag zou verlenen" wellicht iets te positief is gesteld, daar een garantie in juridische zin er nog niet was, maar dat de toezeggingen er wel waren;

Gehoord in zijn zitting van 18 augustus 1965:

le. de bestuursleden der F.C. Hilversum, de heren Th.C Beerens en N.H. Geul, welke verklaarden bij hun verweerschrift te volharden, in het bijzonder ook bij het bovenaangehaalde verslag in hun clubblad "Het Groene Veld", waaruit h.i. mag worden geconcludeerd, dat in het litigieuse verslag in De Gooi- e~ Eemlander een geheel onjuist licht op de houding der F.C. Hilversum is geworpen;
2e. Mr.H.A. Viseur, raadsman en algemeen gemachtigde voor De Gooi- en Eemlander, die in de eerste plaats de niet-ontvankelijkheid der gedane klacht opwierp, omdat deze slechts enkel door de voorzitter van F.C. Hilversum, Mr. J.H. Lobsteyn, is ondertekend, welke niet-ontvankelijkheid door de Raad wordt afgewezen, daar blijkt dat de klacht door de voorzitter "namens het Bestuur van de F.C. Hilversum" is ondertekend en ten overvloede de beide, ter zitting aanwezige bestuursleden kunnen verklaren dat deze door een bestuursbesluit was gemachtigd de klacht in te dienen. Verder verklaarde Mr. Viseur de aantijging van "opzettelijke onware berichtgeving" zéér hoog op te vatten, aangezien het litigieuse artikel een juiste weergave bevatte van het op de bewuste persconferentie van 12 juli 1965 te berde gebrachte, aangevuld met in de vrije nieuwsgaring verkregen inlichtingen, waarvan hij een door de secretaris der "Stichting Sportclub Gooiland" d.d. 12 augustus 1965 geschreven verklaring aan de Raad overlegde;
3e. de heer J. Bos, journalist en lid der K.N.J.K., die verklaarde het litigieuse artikel te hebben geschreven en gepubliceerd mede op grond van door hem van derden o.a. van de secretaris der Stichting verkregen inlichtingen, doch te hebben nagelaten tevoren óók inlichtingen bij de F.C. Hilversum aan te vragen betreffende bij haar bestaande motieven en argumenten ten aanzien van de eventuele fusie met "Het Gooi";

Overwegende, dat dit nalaten door de Raad aan de heer Bos als een grove fout moet worden aangerekend, waardoor door zijn gepubliceerd artikel een onjuist, althans een éénzijdig en onvolledig licht is geworpen op de houding en motieven der F.C. Hilversum, waardoor de goede reputatie dier club bij het publiek kon worden geschaad en welk nalaten tevens in strijd is met de goede journalistieke gewoonte om zich in controversiële zaken steeds op de hoogte te stellen van de standpunten en motieven van alle partijen, bij zulk een zaak betrokken;

Spreekt als zijn oordeel uit dat de in casu gevolgde handelwijze en gedraging van de heer Bos schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van het Reglement voor de Raad voor de Journalistiek;

Besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, "De Journalist".

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad te Amsterdam op 18 augustus 1965 door Mr, A.A.L.F. van Dullemen, voorzitter; Mevrouw Mr. J. Brans-Woltering, E.J. Hoogenstraaten, Drs. L.F, Tijmstra en S.H.A.M. Zoetmulder, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1965, 1.