1964/3 ongegrond

Beslissing inzake Brekelmans contra het Limburgs Dagblad te Heerlen.

De Raad voor de Journalistiek in raadkamer bijeen:

Kennisgenomen hebbende van een ingekomen klacht d.d. 12 juni 1964 van de schoenhandelaar W. Brekelmans en Zoon te Maastricht, gericht tegen het "Limburgs Dagblad" te Heerlen, waarin hij er zich over beklaagt dat in dat dagblad van 26 mei 1964 een artikel zou zijn verschenen, waarin zijn naam op een ergerlijke manier door het slijk zou zijn gehaald;

Kennisgenomen hebbende van het Limburgs Dagblad van 26 mei 1964, waarin op pagina 5 onder de kop: "Schoenhandelaar kreeg kusje van jonge cafébezoeker. Gezellig avondje uit eindigde met een reeks merkwaardigheden. Geld uit handen gerukt" een uitvoerig en smeuïg verslag is opgenomen over een strafzitting van de Maastrichtse Rechtbank, waarvoor een berovingszaak diende tegen zekere M.W.K. en waarin een getuige-verklaring van de beroofde n.l. de schoenhandelaar M. Brekelmans te Heerlen werd afgelegd en in welk verslag die Brekelmans werd beschreven bij zijn cafébezoek niet geheel nuchter te zijn geweest en aan K. om adressen van "vrouwen" te hebben verzocht, hetgeen tot zijn beroving zou hebben geleid;

Kennisgenomen hebbende van het Limburgs Dagblad van 27 mei 1964 waarin op de voorpagina op zeer opvallende wijze een "Rectificatie" staat afgedrukt, luidende:

"In het verslag van ons blad d.d. 26 mei betreffende de opkoper M.W.K. uit Heerlen, die voor de rechtbank te Maastricht terecht moest staan, is de naam genoemd van schoenwinkelier M. Brekelmans. Om misverstand te voorkomen wijzen wij er nadrukkelijk op, dat de heren W.A.C. Brekelmans en C.G.A. Brekelmans, die te Heerlen een schoenenzaak voeren in de Oranje-Nassaustraat no 30 met deze affaire van de opkoper M.W.K. niets te maken hebben en daar geheel buiten staan en de in ons verslag genoemde M. Brekelmans dus in geen enkel verband moet worden gebracht met de schoenenzaak-Brekelmans in de Oranje-Nassaustraat te Heerlen."

Gezien het aan de Raad gerichte verweer van de directeur der N.V. Mij tot Exploitatie van het Limburgs Dagblad te Heerlen d.d. 8 juli 1964, waarin deze terecht stelt dat het rechtbankverslag een volkomen correcte weergave was van de openbare rechtbankzitting en dat de letter "M" van de voornaam van die getuige Brekelmans juist in het verslag werd opgenomen om eventuele verwarring met de personen van klagers te vermijden, dat bovendien hun verslaggever van de rechtbankzittingen niet in Heerlen bekend was en niet heeft kunnen voorzien, dat in casu zijn verslag tot misverstanden zou kunnen leiden en dat reeds de volgende dag in het blad van 27 mei 1964 op een zéér opvallende plaats de bovenvermelde "rectificatie" is opgenomen, ofschoon daartoe geen enkele verplichting bestond en als een grote coulance zijnerzijds is te beschouwen. Tevens berichtte de directeur aan de Raad dat hij aan zijn redacteuren heeft verzocht in dergelijke zaken voorzichtiger te zijn en in dergelijke verslagen géén namen voluit te noemen.

Overwegende, dat van enige handeling, schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten op generlei wijze in deze zaak is gebleken, zodat de gedane klacht d.d. 12 juni ongegrond behoort te worden verklaar;

Overwegende dat de Raad het nuttig en gewenst acht als zijn oordeel uit te spreken, dat in de verslaggeving over strafzaken de grootste voorzichtigheid betracht dient te worden met het al of niet volledig vermelden van namen van personen, in die strafzaken betrokken;

Besluit deze overweging voor publicatie vrij te geven;

Verklaart de gedane klacht kennelijk ongegrond en wijst deze - gelet op lid 2 van artikel 19 van het Reglement voor de Raad - zonder nader onderzoek af.

Aldus in raadkamer vastgesteld te Amsterdam op 31 augustus 1964 door de heren Mr. A.A.D.F. van Dullemen, voorzitter, Mr. J.M.L.Th. Cals, Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers en E.J. Hoogenstraaten, leden in tegenwoordigheid van de secretaris van de Raad, Mr. A.A. Jongerius.

 

RvdJ 1964, 3.