1964/2 ongegrond

Beslissing inzake Lasscher contra "Panorama"

De Raad voor de Journalistiek:

Kennisgenomen hebbende van een ingekomen klacht d.d. 6 april 1964 van R. Lasscher te Amsterdam, gericht tegen Hoofdredactie en journalisten van het weekblad "Panorama", waarin in het nummer van 29 maart-4 april 1964 met meermalen vermelding van zijn naam een tweetal artikelen zijn gepubliceerd met de titels - vet gezet - "Ik ben de tweede Führer" en "Broeinest van nieuwe nazi's" en met de ondertitels, luidende respectievelijk "In een Amsterdams achterkamertje speelt een voormalige doodgraver voor Hitler" en "Panorama stelde een onderzoek in naar de staatsgevaarlijke activiteiten van Europafront in Nederland", inhoudende verslagen van gesprekken en gezegdes van hem, Lasscher, betreffende een door hem, als Führer, geleide nieuwe Nat.-Socialistische Partij, waarin hem geheel onware en onzinnige beweringen in de mond zouden zijn gelegd, welke publicatie aanleiding is geworden tot zijn ontslag als bediende bij de K.L.M.;

Kennisgenomen hebbende van het nummer 14, pagina's 10 en 11 van "Panorama", waarin een artikel, ondertekend "Henk de Mari" staat afgedrukt onder het vet gezette hoofd "Ik ben de tweede Führer", waarin verslag wordt uitgebracht over een bezoek van de schrijver aan klager, Lasscher, met een beschrijving van zijn persoon, gekleed in een namaak-S.S.-uniform met S.S.-tekens op de revers en waarin als diens uitlatingen o.a. staan vermeld tussen aanhalingstekens: "Ik ben de nieuwe Führer. Al mijn vrienden zeggen, dat ik daarvoor in de wieg ben gelegd." "Dat zijn pas echte mannen. Ze gaan voor mij door het vuur. Ze hebben mij om mijn persoonlijke kwaliteiten uitverkoren om hun leider te zijn." "Over drie jaar na heden zal ik van heel Europa een bloedbad maken, indien men weigert ons de macht over te dragen. Wij - Europafront - zijn dan sterk genoeg om de macht te nemen." "Wij hebben behoefte aan een groot en sterk Europa. Voor zigeuners en Joden zal hier geen plaats zijn. Alle vreemde elementen, ook negers, moeten hier worden geweerd.", welk artikel is verlucht met een foto van klager, gekleed in namaak S.S.-uniform en met opgeheven hand als Hitler-groet;

Kennisgenomen hebbende van het nummer 14, pagina's 12 en 13 van "Panorama", waarin een artikel, ondertekend "Jack Feenstra" en "Bob van Dijk" is opgenomen, waarin uitvoerige beschouwingen worden gehouden over geheime nieuwe nat.-socialistische groepen in ons land en in Europa en waarin over de persoon van de hedendaagse leider de vraag wordt gesteld: "Of is het Anton Huizinga, alias Roelof Lasscher, die in Amsterdam "Führertje" speelt tussen zijn ikonen?", welk artikel is verlucht met een foto van klager, gecamoufleerd met een donkere bril, lezende in een blad "Europafront" en een foto, waarop hij met een dolk wijst op de omslag van het bekende boek van Alan Bullock over "Hitler, Leven en Ondergang van een tiran";

Gehoord in zijn vergadering van 31 augustus 1964 de navolgende personen:

1. Jack Feenstra, freelance-journalist te Amsterdam, die verklaarde de klager Lasscher enige jaren geleden te hebben leren kennen in diens boekhandeltje te Amsterdam en met hem meerdere gesprekken te hebben gevoerd over politiek, waarin Lasscher hem zei de leider te zijn van een nieuwe Nat.-Socialistische beweging in Europa, welke ca. 9.000 leden zou tellen, waarvan 1800 in Nederland en enkele duizenden in België, Frankrijk, WestDuitsland en Italië en uitgevende vier blaadjes n.l. "Europafront" voor België, Frankrijk en Nederland, "Heil Nederland" voor de provincie, "Europa Eén" voor België en Frankrijk en "Die Europaische Völkern" voor West-Duitsland, Nederland en België, dat vele oud-N.S.B.ees in Nederland lid daarvan waren geworden en oud-S.S.'ees als regionale leiders optraden en hijzelf, Lasscher als "de organisator, de dogmaticus, de Nieuwe Führer" daarvan moest worden beschouwd. Dat hij, Feenstra nadat hij bij Lasscher inzage had gekregen van vele brieven en andere documenten betreffende deze nieuwe beweging, daarover verontrust, besloot daaromtrent een artikel te schrijven en te trachten dit als "primeur" geplaatst te krijgen in de Nederlandse Pers. Dat hij dat artikel dan ook heeft geschreven en met de later in "Panorama" geplaatste, door zijn fotograaf opgenomen foto's van Lasscher heeft aangeboden aan het "A.B.C.-Press" agentschap, waarna hij bezoek ontving van een der journalisten van "Panorama", welke hem verzocht het adres van die nieuwe Führer te mogen vernemen in verband met mogelijke publikaties. Dat hij echter in zijn eigen artikel in overleg met Lasscher, diens naam had vervangen door het pseudoniem "Anton Huizinga", zijn artikel in bijzijn van zijn vrouw aan Lasscher heeft voorgelezen, die geen enkel bezwaar maakte tegen eventuele publicatie daarvan evenmin als van zijn foto's. Dat hij later in "Panorama" de beide, bovenvermelde artikelen heeft gelezen en daaruit heeft gezien, dat de in ziin stuk opgenomen gegevens juist zijn weergegeven doch dat hij in de redactie van het tweede artikel niet is gekend, ofschoon zijn naam daaronder staat vermeld. Dat hij geenszins van mening is enige handeling "schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten" als genoemd in lid 2 van artikel 1 van het Reglement voor de Raad voor de Journalistiek te hebben verricht, doch integendeel van mening is geweest, dat een persoon als Lasscher publiekelijk aan de kaak moest en moet worden gesteld in het algemeen belang als staatsgevaarlijk;

2. Henk de Mari, journalist bij "Panorama", die verklaarde dat hij na ontvangst van het artikel van Feenstra van zijn hoofdredacteur de opdracht heeft ontvangen naar de daarin vermelde feiten een nader onderzoek in te stellen, waarmede hij ca. drie weken is bezig geweest en waaruit hem is gebleken, dat de freelance-journalist Feenstra zeer gunstig bekend stond, doch dat hij over "Anton Huizinga", waarover hij zowel bij de B.V.D. als bij het Bureau voor Oorlogsdocumentatie van Dr. De Jong géén inlichtingen kon verkrijgen. Dat hij daarna van Feenstra het adres verkreeg van "Anton Huizinga", d.w.z. Lasscher, te Amsterdam, en met deze een gesprek van ca. 2 uur heeft gevoerd aan de hand van de punten, voorkomende in het artikel van Feenstra, welke Lasscher geheel bevestigde en nader uiteenzette. Dat hij de uitlatingen v.an "Huizinga", d.w.z. Lasscher zoveel mogelijk heeft genoteerd en deze woordelijk tussen aanhalingstekens in zijn in "Panorama" opgenomen artikel juist heeft vermeld. Dat hij daarna in bijzijn van zijn collega Van Dijk nogmaals een gesprek van ca. 12 uur met Lasscher heeft gevoerd, waarbij zij door aanwezige correspondentie op de naam "Lasscher" diens werkelijke naam ontdekten en hem, Lasscher, dat ook lieten blijken. Dat Lasscher tot hun verbazing toen plotseling de houding aannam, dat hij alles, wat hij aan hen en aan Feenstra had meegedeeld betreffende een nieuwe Nat.-Socialistische beweging als een "grap" had bedoeld en hen heeft verzocht niet tot enige publicatie daarvan te willen overgaan. Dat zij dat aan hem absoluut niet hebben beloofd maar hem hebben gezegd die publicatie nog eens nader te zullen overwegen. Dat toen in overleg met hun Hoofdredacteur w`el tot publicatie is besloten, omdat zij allen van mening waren, dat het publiciteit-geven aan staatsgevaarlijke plannen in het algemeen belang wenselijk was en dat hij dus meent geenszins een handeling in strijd met de waardigheid der Nederlandse journalistiek te hebben verricht;

3. Bob van Dijk, journalist bij "Panorama", die verklaarde de afgelegde verklaring van zijn collega, De Mari, gehéél te onderschrijven en eveneens meent géén handeling in strijd met waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten te hebben gepleegd;

4. Mr. J.P.G. Goossen, advocaat en raadsman van "Panorama", die verklaarde als gemachtigde van de Hoofdredacteur, G. Vermeulen, de afgelegde verklaringen van de heren De Mari en Van Dijk te kunnen bevestigen en dat de heer Vermeulen tot publicatie van beide artikelen heeft besloten, omdat hij het in het algemeen belang achtte daartoe over te gaan en met name R. Lasscher wegens zijn staatsgevaarlijke houding publiekelijk aan de kaak te moeten stellen;

5. Klager R. Lasscher, die verklaarde dat de in de beide publikaties opgenomen uitlatingen als van hem afkomstig, in het gehéél niet door hem zijn gedaan, althans voor een groot gedeelte onjuist zijn weergegeven en dat hij bovendien enkel een "grap" heeft willen uithalen.

Overwegende op grond van de boven vermelde sub 1 t/m 4 afgelegde verklaringen, dat aan de Raad niet is gebleken dat de in deze zaak betrokken journalisten enige handeling hebben verricht schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten, zodat de op 6 april door R. Lasscher ingediende klacht moet worden afgewezen;

Wijst af de ingediende klacht en besluit op grond van artikel 31, lid 2 van het Reglement voor de Raad, dit uitgesproken oordeel niet voor publicatie vrij te geven.

Aldus vastgesteld te Amsterdam op 31 augustus 1964 door de heren Mr. A.A.L.F. van Dullemen, voorzitter, Mr. J.M.L.Th. Cals, Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers en E.J. Hoogenstraaten leden, in tegenwoordigheid van de secretaris van de Raad, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1964, 2.