1964/1 ongegrond

De Raad voor de Journalistiek:

Kennisgenomen hebbende van een ingekomen klacht d.d. 18 december 1963 van de Nationale Woningraad te Amsterdam, gericht tegen de Hoofdredactie van het dagblad "De Tijd" te Amsterdam, wegens schending van "embargo", gelegd op door die Raad op 3 en 6 december 1963 aan de Pers verschafte gegevens, met verzoek die Hoofdredactie ter verantwoording te roepen;

Kennisgenomen hebbende van het bij de klacht gevoegde afschrift van een brief van 3 december 1963 van de Nationale Woningraad, gericht aan "De Hoofdredacties van dag- en weekbladen in Nederland", waarin zij worden uitgenodigd tot het bijwonen van het eerste gedeelte van de ledenraadsvergadering van die Raad, te houden te Utrecht op 13 december 1963, 12 uur, welk gedeelte zou worden gewijd aan het 40-jarig jubileum van de heer J. Bommer als bestuurslid van die Raad met uitdrukkelijk verzoek aan dat voornemen tot huldiging géén publiciteit te geven voor 13 december 1963, 12 uur;

Kennisgenomen hebbende van het afschrift van een vervolgbrief van de Nationale Woningraad d.d. 6 december 1963, waarin de verdienstelijke werkzaamheden van de heer Bommer voor die Raad in het tijdvak van 19231963 staan opgesomd met in het briefhoofd daarvan de duidelijke vermelding: "Embargo tot vrijdagmiddag 13 december 1963, 12 uur";

Gezien een bericht, gepubliceerd in "De Tijd" van 12 december 1963, bevattende aan de kop in opvallende vet-gezette letters de woorden: "Veertig jaar actief in Woningraad" met een daaronder geplaatste foto van de heer Bommer met daarnaast in vet-gezette kleine letters (onderkast) de zinnen: "In Utrecht wordt morgen gehuldigd de heer J. Bommer, bekend Amsterdammer en lid van de Tweede-Kamer..." "De huldiging geschiedt buiten de politieke sfeer. Zij heeft te maken met de veertigjarige periode, waarin de heer Bommer aan de Nationale Woningraad is verbonden." Waaronder in kleinere letters voor een groot gedeelte de door de Nationale Woningraad in zijn brief van 6 december 1963 onder "embargo" verschafte gegevens staan afgedrukt;

Gehoord in zijn vergadering van 22 juni 1964 de verklaringen van de heer De Haas, redacteur van "De Tijd", tevens dat dagblad in deze zaak vertegenwoordigend, die aan de Raad heeft verklaard de verantwoordelijke man te zijn voor de te-vroege publikatie in "De Tijd" van 12 december 1963, welke te wijten is aan een door hem gemaakte geheel onopzettelijke vergissing ten aanzien van het uur van afloop van het opgelegde embargo, welke vergissing hij ten zéérste betreurt in het bijzonder door het verlorengaan van het verrassingselement van de huldiging en waarvoor hij gaarne in het bijzijn van de Raad zijn verontschuldiging wil aanbieden aan de vertegenwoordiger van de Nationale Woningraad, de heer Hillen. Hij zet daarbij uiteen aanvankelijk wel degelijk het bij brief van december 1963 opgelegde "embargo" in acht te hebben genomen, doch na de gegevens in de brief van 6 december 1963 aan eigen archief-gegevens te hebben gecontroleerd, zijn bericht te hebben opgesteld, hetgeen geheel onopzettelijk en bij vergissing aan de zetterij is doorgegeven voor het no. van "De Tijd" van 12 december 1963. Hij legt uit, dat zulk een vergissing in verband met de vele verzoeken om "embargo",vrijwel dagelijks binnenkomende bij een groot dagblad als "De Tijd" en in verband met de grote spoed, waarmede moet worden gewerkt, menselijkerwijze kan worden gemaakt en - helaas - blijkbaar ook door de Hoofdredactie is over het hoofd gezien. Hij verzoekt de Raad voor de gemaakte fout begrip te willen tonen;
Gehoord de verklaringen van de heer Hillen, bijgestaan door de raadsman van de Nationale Woningraad, Mr. Brölmann, dat zij gaarne de gemaakte verontschuldiging van de heer De Haas willen aanvaarden en de gemaakte vergissing - hoezéér te betreuren - menselijkerwijze begrijpelijk achten, doch alsnog gaarne de mondeling geuite verontschuldigingen door de Hoofdredactie schriftelijk bevestigd willen zien, na ontvangst waarvan zij - omgekeerd van hun zijde schriftelijk zullen bevestigen, dat zij de in alinea 4 van de klacht van l8 december 1963 geuite beschuldiging - n.1. dat "welbewust" de gedane verzoeken tot niet-publikatie vóór 13 december 1963, 12 uur, zouden zijn "in de wind geslagen", willen terugnemen;

Gelet op de toezegging van beide partijen om aan de Raad een afschrift van hun alsnog te schrijven brieven te dier zake in te zenden,

Gezien de door de Raad ontvangen afschriften dier brieven d.d. 24 juni 1964 en d.d. 8 juli 1964;

Overwegende dat de Raad van oordeel is, dat het door de Nationale Woningraad bij brief van 3 december 1963 opgelegde "embargo" op het bericht betreffende de voorgenomen huldiging van de heer Bommer op 13 december 1963 voor de Pers verbindend moet worden beschouwd als betrekking hebbende op een gegeven - een nog te verrichten huldiging - dat aan de Pers onbekend was;

Overwegende, dat de Raad van oordeel is, dat daarentegen het bij brief van 6 december 1963 opgelegde "embargo" op de opsomming van verdienstelijke daden van de heer Bommer in betrekking tot de Nationale Woningraad niet als verbindend voor de Pers kan worden beschouwd, daar die opsomming feiten bevat, welke zich reeds voor 6 december 1963 hadden voorgedaan en als algemeen bekend, althans in ruime mate bekend, kunnen worden beschouwd, zodat die feiten dan ook vóór 13 december 1963, 12 uur, door "De Tijd" mochten worden gepubliceerd;

Overwegende dat de Raad van oordeel is, dat een terecht opgelegd "embargo" op te publiceren gegevens met grote nauwkeurigheid door de Pers moet worden in acht genomen, hetgeen als een "ereregel" voor de journalist moet worden beschouwd;

Overwegende dat echter in casu - gelet op de verklaringen van de heer De Haas - de bedreven _ opzettelijke schending van het terecht opgelegde éérste "embargo" door de Raad niet wordt beschouwd als een "handeling of gedraging van een journalist, schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten", als bedoeld in lid 2 van artikel 1 van het Reglement voor de Raad voor de Journalistiek, zodat de gedane klacht moet worden afgewezen;

Wijst af de op 18 december 1963 ingediende klacht van de Nationale Woningraad c/a de Hoofdredactie van het dagblad "De Tijd".

Bepaalt - gelet op artikel 31 van het Reglement - dat van dit gegeven oordeel de overwegingen van de Raad ten aanzien van het al of niet verbindend zijn van opgelegde "embargo's" zullen worden gepubliceerd in het blad "De Journalist" ten dienste der Ned. Journalisten met weglating van de namen der instellingen en personen welke in deze zaak waren betrokken.

Aldus vastgesteld te Amsterdam op 17 juli 1964 door de heren Mr. A.A.L. F. van Dullemen, voorzitter, Mr. J.M.L.Th. Cals, Dr. E. Diemer, Mr. H. Dikkers en Dr. E. van Raalte, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. A.A. Jongerius.

RvdJ 1964, 1.