1962/1 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek van 20 februari 1962 inzake de klacht van de Vereniging "De Grote Provinciale Dagbladen", gevestigd te Den Haag, klaagster, tegen A.C.W. van der Vet, woonachtig te Rotterdam, hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad, betrokkene.

In de klacht is gesteld dat het dagblad, waarvan betrokkene hoofdredacteur is, in 1960 en 1961 gebruik heeft gemaakt van de geregelde medewerking van een journalist, hoewel deze reeds als buitenlands correspondent in volledige dienst van klaagster werkzaam was. Klaagster verwijt betrokkene dat hij in zijn hoedanigheid van hoofdredacteur de gelegenheid tot deze medewerking heeft gegeven, daarbij - hetzij opzettelijk, hetzij met grove nalatigheid - geheel het gezichtspunt buiten beschouwing latende of de journalist in kwestie de vereiste toestemming daartoe van zijn directie en hoofdredacteur had verkregen. Een dwingend voorschrift in de C.A.0. voor Dagbladjournalisten (artikel 15) bepaalt, dat een journalist zonder deze, schriftelijke, toestemming geen geregelde journalistieke arbeid ten behoeve van andere dagbladen mag verrichten. In werkelijkheid had de buitenlandse correspondent nooit om toestemming gevraagd, deze was hem dan ook niet verleend. Integendeel, als voorwaarde voor zijn indiensttreding bij klaagster was juist gesteld, dat de correspondent elke relatie met het concern, waarvan het dagblad van betrokkene deel uitmaakt, diende te verbreken. Reden daartoe vormde de omstandigheid, dat de correspondent reeds voordien als medewerker voor een der bladen van het concern was opgetreden en tussen klaagster en dit concern een concurrentie-verhouding bestaat.

De betrokken hoofdredacteur heeft in alle hoofdzaken de door klaagster gestelde feitelijke toedracht als juist erkend. Eerste punt van verweer vormde de betwisting door betrokkene van de bevoegdheid van de Raad in dezen. De gewraakte handeling draagt z.i. geen journalistiek karakter. Integendeel, zij ligt geheel in het commerciële vlak en betreft dan ook de bevoegdheid en de beleidsvoering van de directie en niet die van de hoofdredacteur. Voor zijn aandeel heeft hij niet krachtens een zelfstandige, doch op grond van een gedelegeerde, afgeleide verantwoordelijkheid gehandeld. Dit gezichtspunt kan door de Raad niet worden aanvaard.

In de voorgelegde aangelegenheid bestaat een wezenlijk element van journalistiek belang en waardering. In het geding is de zuiverheid van de verhoudingen tussen de redacties in hun journalistiek beleid. Daarover zijn oordeel te geven, behoort tot 's Raads taak en zijn bevoegdheid in dezen is onbetwijfelbaar. Het is immers voor de handhaving van de morele standaard in de journalistiek van groot gewicht, dat de redacties der bladen zich jegens elkaar "fair" gedragen. Op zichzelf gerechtvaardigde onderlinge journalistieke competitie en wedijver mag daaraan geen afbreuk doen. In het bijzonder de hoofdredacteur als leider der redactie is mede geroepen voor de integriteit te waken en daarop toe te zien. Een onderscheiding, dat hij soms als hoofdredacteur, en soms niet-journalistiek, als personeelschef optreedt, is niet te maken, ook als "personeelschef" blijft hij in de journalistieke sfeer. Bij zijn beoordeling heeft de Raad niet de opdracht andere dan journalistieke gezichtspunten als bijv. commerciële factoren of arbeidsrechtelijke aspecten te betrekken; deze zijn derhalve buiten beschouwing gebleven.

Wat de zaak zelf betreft: de journalist heeft zich aan betrokkene als vaste medewerker aangeboden. Betrokkene zelf heeft hem in deze functie te werk gesteld - naar zijn verklaring - in de wetenschap dat de journalist reeds voor een andere dagbladcombinatie werkzaam was. Vragen inzake de vereiste toestemming zijn door betrokkene toen niet gesteld en evenmin is deze kwestie op een andere wijze door hem onderzocht; ook niet later, na de aanstelling.

De hoofdredacteur is niet uitsluitend en in de albeheersende plaats voor de aanstelling en de voortgezette medewerking van de journalist verantwoordelijk. Ook klaagster heeft blijk gegeven de rol van betrokkene in dezen niet te overschatten. Zij heeft verklaard, dat haar actie bij de Raad er primair op is gericht een principiële uitspraak te verkrijgen ter voorkoming van soortgelijke incidenten in de toekomst; niet de persoon van betrokkene is het doelwit der klacht.

Een en ander neemt niet weg, dat betrokkene een gewichtige eigen, op journalistiek terrein liggende, verantwoordelijkheid ter zake draagt. Voor de - naar 's Raads oordeel - mede op hem als hoofdredacteur berustende journalistieke fatsoensplicht: zich ervan te vergewissen of aan de bewuste correspondent de krachtens de C.A.O. vereiste toestemming voor geregelde medewerking was verleend, heeft betrokkene te weinig oog gehad, de ernst daarvan heeft hij in onvoldoende mate ingezien. Zelf heeft hij geen onderzoek ingesteld en evenmin is de Raad gebleken, dat hij zijn directie daarop heeft geattendeerd. Temeer moet hem daarvoor een verwijt worden gemaakt, daar hij ook niet in een later stadium enige stap in deze richting heeft gedaan, toen het heimelijk karakter van de medewerking aan hem volkomen duidelijk moet zijn geworden. Immers, op verzoek van de medewerkende journalist (februari 1961) werd deze ter redactie en in de met hem gevoerde correspondentie met een schuilnaam aangeduid, onmiskenbaar ten einde zijn medewerking aan het blad zoveel mogelijk voor de buitenwereld te camoufleren.

Ten overvloede worde nog uitdrukkelijk vastgelegd, dat bepalingen der C.A.O. - zoals artikel 15 - weliswaar geen directe verbintenis vormen tussen de journalist en een ander blad dan waarbij hij in dienst is; doch wel kan een C.h O. worden aangemerkt als bron voor gedragsregelen, ook in de ruimere kring van het bedrijf buiten het eigen blad.

Concluderende, moet de Raad vaststellen dat betrokkene niet de zorgvuldigheid heeft in acht genomen, die betreffende de tewerkstelling aan een journalistieke staf tussen de redacties van bladen onderling betaamt. Door als hoofdredacteur van een dagblad een vaste medewerker aan te trekken, die reeds bij een combinatie van andere bladen als buitenlands correspondent in dienst was, zonder enige wetenschap omtrent de voor dat geval voorgeschreven toestemming, is betrokkene te kort geschoten ten aanzien van de eisen van de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

Volgens de beslissing van de Raad zal zijn oordeel in "De Journalist", het orgaan van de Federatie van Nederlandse Journalisten, worden gepubliceerd zonder vermelding van de namen van partijen.

Aldus vastgesteld op 20 februari 1962 door Prof. Dr. J.h. van Hamel, voorzitter, Dr. E. Diemer, Mr. G.C.J.D. Kropman, Dr. E. van Raalte en Drs. A.A.V. Tummers, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. M.W.H. de Leeuw.

RvdJ 1962,1.