1961/1 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek van 18 mei 1961 inzake de klachten van E.J. van Ebbenhorst Tengbergen, A. van Oirschot en G. Tulp tegen F.W. van Gulick.

Klagers beklagen er zich over, dat de betrokkene, F W. van Gulick, zich heeft voorgedaan als de schrijver van het boek \"Nederlandse Kastelen en Landhuizen\", terwijl in waarheid elk hunner een belangrijk aandeel in de totstandkoming van de tekst heeft gehad. Immers het boek is gevormd - naar ook de inleiding vermeldt - door de -samenstelling van een aantal artikelen met kasteelbeschrijving, verschenen in het weekblad \"Cobouw\". Van dit weekblad heeft Van Gulick de leiding als redacteur; voor de kasteelbeschrijvingen heeft hij de redactionele medewerking gehad van achtereenvolgens elk der klagers. Het aandeel van elk hunner in de in Cobouw verschenen kasteelbeschrijvingen is zo belangrijk geweest, dat Van Gulick zich niet, volgens klagers, bij de herverschijning in boekvorm als de schrijver had mogen voordoen.

Een en ander is door Van Gulick betwist. Volgens hem is het aandeel van elk der klagers in de door hem bewerkte artikelen niet van zodanige betekenis geweest, dat hij, Van Gulick, zich moest onthouden als de schrijver te worden genoemd. Hij heeft overigens de betekenis van de arbeid zijner medewerkers niet miskend.

Waar het te dezen gaat om een vraag, die geheel ligt binnen het terrein, waarop de Raad geroepen is te oordelen, is \'s Raads bevoegdheid onaanvechtbaar. Dit is ten onrechte vanwege betrokkene in twijfel getrokken, voorbijziende het feit dat hier een factor van belang voor het journalistieke mechanisme aanwezig is, nl. de waardeverhouding tussen de journalistieke arbeid van de leidende redacteur en van diens medewerkers. Daarbuiten gelegen gezichtspunten, als b.v. het auteursrecht of het burgerlijke arbeidscontract, blijven voor de Raad buiten beschouwing.

Wat de hoofdzaak betreft, is de Raad aangaande het aandeel van elk der klagers en van de betrokkene in de verschillende kasteelartikelen in Cobouw, door het verhoor van partijen en van getuigen, alsmede door kennisneming van de overgelegde manuscripten, tot de stellige overtuiging gekomen, dat hier een ver doorgevoerde en niet ongelijkwaardige samenwerking heeft bestaan tussen Van Gulick en elk der klagers op zijn beurt. Grondgedachten mogen van Van Gulick afkomstig zijn - hoewel althans Tengbergen, die in tijdsorde de eerste medewerker geweest is, daar stellig mede toe heeft bijgedragen en zelfs een groot aantal kasteelartikelen met zijn naam heeft kunnen signeren - tot de uitwerking en redactie heeft elk der anderen met zijn geestesarbeid ruimschoots bijgedragen. Gezamenlijk werden aan de kastelen bezoeken gebracht, besprekingen gevoerd, soms ook nog met buitenstaande deskundigen of liefhebbers. De nasporing van de bouwgeschiedenissen is een bijzonder element, dat in hoge mate Van Gulick\'s belangstelling had. Andere geschiedkundige gegevens werden door de medewerkers nageplozen of vergaard en met de kasteelheer besproken Uiteindelijk werd de geschreven tekst door de medewerkers opgesteld, literatuuropgaven door hen toegevoegd. Wijzigingen, door Van Gulick in de teksten aangebracht, zijn beslist niet van overwegende betekenis gebleken. Al behoort de rangverhouding leidend redacteur (of: hoofdredacteur) - medewerker (medewerkend redacteur) niet te worden weggecijferd, zo heeft hier in duidelijke mate een gezamenlijke prestatie bestaan, waarin het moeilijk valt een nauwkeurige scheiding en deling te maken.

Dit zo zijnde, kwam naar \'s Raads oordeel de betrokkene niet toe bij de heruitgave in boekvorm zich als de schrijver voor te doen. Zelf heeft hij dit ook gevoeld en op verschillende punten blijk gegeven zijn positie niet overschat te willen zien. In de inleiding heeft hij zich zorgvuldig als \"samensteller\", niet als \"schrijver\", betiteld. Uitdrukkelijk brengt hij aan zijn \"medewerkers\" dank en eer; twee van de drie zijn met name genoemd. Ook voor het \"ten geleide\" van de Voorzitter der Nederlandse Kastelenstichting is de uitdrukking \"samensteller\" in de pen gegeven.

Een en ander weegt er echter niet afdoende tegenop, dat op de prachtband van het boekwerk en ook weer op de rug en op de titelpagina de enkele woorden \"F.W. van Gulick\" alleszins bij het publiek de indruk moesten vestigen, dat Van Gulick als de schrijver mocht optreden en optrad. Met het oog op de medewerking der klagers was dit onjuist en foutief. Ter zitting van de Raad is uit het verhoor van de uitgever en de chef der uitgeverij wel gebleken, dat betrokkene niet het initiatief had genomen tot gebruik van zijn naam op die wijze en dat de aanduiding op de band veeleer van de zijde der uitgeverij is doorgezet. Doch dan heeft betrokkene hiertegenover - ook al had hij te doen met degenen bij wie hij als redacteur van Cobouw en als adviseur in dienstbetrekking was - niet voldoende het gezichtspunt volgehouden~ waarbij een verkeerde indruk te zijnen gunste doch tot nadeel van klagers zou zijn vermeden. Nu is die indruk integendeel ook in advertenties ter aankondiging van het boekwerk naar voren gekomen. Van Gulick heeft zich in elk geval de aanduiding als \"schrijver\" doen aanleunen. Hij had die trouwens ook zelf naar vorengebracht reeds vóór het verschijnen van het boek bij een interview in De Volkskrant (5 augustus 1960), waarin gezegd wordt: \"van hem (Van Gulick) komt een boek uit\" en zinsneden van gelijke strekking. Een interview in De Spiegel van 10 december 1960 ademde gelijke geest. Geheel ernaast waren de uitlatingen van betrokkene in een schrijven van 12 augustus 1960 aan de klager Van Oirschot, toen deze was opgekomen tegen de uitdrukking: \"Van Gulick met medewerking van zijn redactionele staf\" in eerstgenoemd interview. Betrokkene liet het in dat schrijven aan Van Oirschot voorkomen, alsof de prestaties van deze medewerker van nul en gener waarde waren geweest, hetgeen stellig een onjuiste voorstelling van zaken is. Ook in een onderschrift in De Journalist van 23 november 1960 ging betrokkene zo ver te schrijven dat die medewerking slechts \"in zeer ondergeschikte mate\" tot de inhoud van het boek had bijgedragen.

Concluderende is niet goed te keuren dat een redactionele leider of hoofdredacteur de waarde van zijn eigen arbeid opvoert en daarbij de waarde van de arbeid van zijn redactionele medewerkers ter neer haalt. Naar het oordeel van de Raad heeft de betrokkene, F.W. van Gulick, als hoofdredacteur van het weekblad Cobouw door:

1e. in interviews aan het aandeel van klagers in de voorbereiding en totstandkoming van de artikelenreeks \"Nederlandse Kastelen en Landhuizen\", gepubliceerd in het weekblad Cobouw onvoldoende recht te doen wedervaren en

2e. bij de voorbereiding van dat boekwerk zich een aanduiding als \"schrijver\" te laten welgevallen, ofschoon die aan de arbeid van zijn medewerkers te kort deed, niet gehandeld overeenkomstig de eisen van de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. Volgens beslissing van de Raad zal dit oordeel ter publikatie aan de pers worden verstrekt.

Aldus vastgesteld 18 mei 1961 door Prof. Dr. J.A. van Hamel, voorzitter, Mr. H. Dikkers, Th.M. Eerdmans, E.J. Hoogenstraaten en Mr. G.C.J.D. Kropman, leden; in tegenwoordigheid van de secretaris, Mr. M.W.H. de Leeuw.

RvdJ 1961, 1.