Statuten Stichting Raad voor de Journalistiek

Onderstaande statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek zijn tevens de downloaden als PDF-bestand.

Artikel 1

1. De Stichting is genaamd:
‘Stichting Raad voor de Journalistiek’
2. De Stichting heeft haar zetel in de gemeente Amsterdam.

Artikel 2

De Stichting heeft ten doel:
een Raad voor de Journalistiek in te stellen en in stand te houden, verder te noemen ‘de Raad’, die journalistieke gedragingen beoordeelt en bijdraagt aan de ontwikkeling van de journalistieke beroepsethiek en de oordeelsvorming daarover in de samenleving.

Artikel 3

1. De door de Stichting in te stellen Raad heeft tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of daarmee al dan niet journalistiek zorgvuldig is gehandeld.
2. Een zaak kan bij de Raad aanhangig worden gemaakt door indiening van een klacht door een ter beoordeling van de Raad rechtstreeks belanghebbende. Als rechtstreeks belanghebbende wordt tevens beschouwd een organisatie die door doelstelling en feitelijk handelen opkomt voor het in geding zijnde belang.

Artikel 3a

1. De Raad kan op eigen initiatief uitspraken doen omtrent zaken die van algemene strekking en/of principieel belang zijn.
Een aan de Stichting deelnemende organisatie kan de Raad verzoeken een dergelijke uitspraak te doen. De betreffende organisatie wordt in dat geval beschouwd als rechtstreeks belanghebbende.
2. De Raad draagt bij aan de ontwikkeling van de journalistieke beroepsethiek en de oordeelsvorming daarover in de samenleving door middel van voorlichting, deelname aan debatten en interviews en alle andere middelen die daarvoor dienstig zijn.
3. De Raad zal voorts datgene verrichten wat hem verder bij deze statuten of bij reglement wordt opgedragen.

Artikel 3b

De Raad legt de strekking van zijn conclusies ten aanzien van bij hem aanhangig gemaakte zaken en relevante uitspraken van algemene strekking vast in een “Leidraad voor de Raad van de Journalistiek”.
De Leidraad wordt periodiek aangevuld op basis van nieuwe conclusies, uitspraken en inzichten.

Artikel 4

1. Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen van de Raad wordt onder ‘journalistieke gedraging’ verstaan een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep dan wel een handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die – geen journalist zijnde – regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van de in het volgende lid genoemde publiciteitsmedia.
2. Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen van de Raad wordt onder journalist verstaan:
·       degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van publiciteitsmedia, waaronder:
·       een dagblad, nieuwsblad, huis-aan-huisblad of tijdschrift voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, foto’s en andere illustraties, verslagen of artikelen;
·       een persbureau, voor zover de productie daarvan bestaat uit nieuws, foto’s en andere illustraties, verslagen of artikelen bestemd voor dagbladen, nieuwsbladen, huis-aan-huisbladen, tijdschriften, radio, televisie, film, teletext of viewdata;
·       programma’s die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard;
·       films, beeld-, geluids- en ampexbanden, voor zover deze nieuws verschaffen, een documentair karakter dragen of dienstbaar zijn aan rubrieken van informatieve aard;
en/of
·       internet, teletext of viewdata, voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, reportages, beschouwing of rubrieken van informatieve aard.
3. Zonder anderen daarmee uit te sluiten, worden in elk geval als journalisten in de zin van het voorgaande lid beschouwd: gewone leden van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, de Buitenlandse Persvereniging en het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren.
4. Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen worden voorts als journalist beschouwd bij de in lid 2 genoemde publiciteitsmedia werkzame eigenaren-hoofdredacteuren en eigenaren-redacteuren en - indien het publiciteitsmedium wordt uitgegeven casu quo wordt verzorgd door een rechtspersoon - directeuren-hoofdredacteuren of directeuren-redacteuren.

Artikel 5

1. De Raad zal als volgt zijn samengesteld:
een voorzitter, die journalist is;
ten minste drie plaatsvervangend voorzitters, die jurist zijn;
ten minste tien leden die journalist zijn;
en ten minste tien leden die geen journalist zijn.
2. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters, en de leden van de Raad worden benoemd door het bestuur van de Stichting en verrichten hun werkzaamheden zonder last of ruggespraak. Tenzij het bestuur anders bepaalt, hebben zij zitting voor een periode van vier jaar met de mogelijkheid voor één aansluitende periode van vier jaar te worden herbenoemd.
3. Van de leden die journalist zijn worden er ten minste zeven benoemd op voordracht van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.
4. Van de leden die journalist zijn worden er ten minste drie benoemd op voordracht van het bestuur van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, in overleg met het bestuur van de beroepsgroep hoofdredacteuren van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten.
5. Van de leden die geen journalist zijn worden er ten minste vijf benoemd op voordracht van de organisaties die participeren in de Stichting Raad voor de Journalistiek.
6. Van de leden die geen journalist zijn worden er ten minste vijf benoemd door middel van een, door het bestuur van de Stichting op te stellen, openbare procedure.
7. Het bestuur van de Stichting beslist over het aantal leden in de onder lid 3, 4, 5 en 6 genoemde categorieën met inachtneming van het daar genoemde minimale aantal leden.
Aan de Raad worden toegevoegd een secretaris en ten hoogste twee plaatsvervangende secretarissen, die jurist zijn. De secretarissen worden benoemd door het bestuur van de Stichting voor een periode van vier jaar. Zij zijn terstond herbenoembaar.

Artikel 6

1. Het bestuur van de Stichting kan de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitters een honorarium toekennen.
2. Het bestuur van de Stichting kan de leden van de Raad een vergoeding toekennen voor de ten behoeve van de Raad gemaakte reis-en verblijfskosten, alsmede een bij bestuursbesluit vast te stellen bedrag aan zitpenningen.
3. De secretaris ontvangt naast een vergoeding van de ten behoeve van de Raad gemaakte reis- en verblijfskosten een honorarium, vast te stellen door het bestuur van de Stichting.

Artikel 7

Het bestuur van de Stichting stelt reglementen vast waarin nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de benoeming en de werkwijze van de Raad.

Artikel 8

Het vermogen van de Stichting wordt gevormd door:
a. incidentele of periodieke bijdragen van de organisaties vermeld in artikel 10 lid 2, juncto lid 3;
b. hetgeen de Stichting op enigerlei andere wijze verkrijgt.

Artikel 9

Het boekjaar van de Stichting loopt van één januari tot en met éénendertig december.

Artikel 10

1. Het bestuur van de Stichting bestaat uit ten minste zes leden.
2. De Nederlandse Vereniging van Journalisten, NDP Nieuwsmedia (NDP/NUV), de Vereniging van Uitgevers Publiekstijdschriften (GPT/NUV) en de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO) zijn gerechtigd ieder twee personen aan te wijzen om in het bestuur zitting te nemen, de NNP-organisatie van lokale nieuwsmedia (NNP), de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS), RTL Nederland B.V., SBS Broadcasting B.V. en het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren ieder één persoon.
3. Andere organisaties die
a.      representatief zijn voor een belangrijk deel van de georganiseerde journalisten ofwel;
b.     representatief zijn voor een belangrijk deel van de georganiseerde werkgevers in de journalistiek, bezien per type publiciteitsmedium, kunnen worden toegelaten tot de Stichting en gerechtigd worden ten hoogste twee personen aan te wijzen om in het bestuur zitting te nemen krachtens een besluit van het bestuur genomen met inachtneming van artikel 20.
4. Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester.

Artikel 11

Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door:
a. ontslag op eigen verzoek;
b. intrekking van de aanwijzing als bedoeld in artikel 10 lid 2, juncto lid 3;
c. beëindiging van de functie op grond waarvan de benoeming tot bestuurslid tot stand kwam;
d. bij overlijden.

Artikel 12

1. Wanneer een vacature in het bestuur ontstaat wordt daarin voorzien door de organisatie door welke het gedefungeerde lid werd aangewezen.
2. Het bestuur verzoekt binnen twee maanden na het ontstaan van de vacature het bestuur van de desbetreffende organisatie een nieuw bestuurslid aan te wijzen.
3. Ook wanneer in vacatures nog niet is voorzien, kan het bestuur rechtsgeldige besluiten nemen.

Artikel 13

1. De voorzitter en de secretaris van het bestuur zijn belast met de uitvoering van de besluiten van het bestuur. Het bestuur, alsmede de voorzitter en de secretaris gezamenlijk, vertegenwoordigen de Stichting. In geval van ontstentenis of belet van de voorzitter of de secretaris wordt de Stichting vertegenwoordigd door de voorzitter of de secretaris tezamen met een ander lid van het bestuur. Bij ontstentenis of belet van zowel de voorzitter als de secretaris wordt de Stichting vertegenwoordigd door twee andere bestuursleden tezamen.
2. De Stichting kan vertegenwoordigd worden door één of meerderden die daartoe schriftelijk volmacht van het bestuur hebben ontvangen.
3. De leden van het bestuur genieten ten laste van de kas van de Stichting geen beloning doch kunnen een vergoeding ontvangen voor de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten volgens door het bestuur vast te stellen regels.

Artikel 14

1. Het bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of degene die hem bij ontstentenis of verhindering vervangt, ofwel ten minste twee andere leden van het bestuur dit gewenst achten, doch ten minste eenmaal per jaar.
2. Het secretariaat roept op tot de vergadering en maakt van het ter vergadering behandelde en beslotene notulen op. Aan ieder lid van het bestuur wordt door het secretariaat een afschrift van de notulen toegestuurd. 

Artikel 15

1. Het bestuur kan slechts rechtsgeldige besluiten nemen wanneer ten minste twee/derde (2/3) van het aantal leden aanwezig is, met een minimum van vijf.
2. Bij ontbreken van het quorum wordt het voorstel voor een volgende vergadering geagendeerd. Wanneer dan wederom het quorum niet wordt gehaald, geeft meerderheid van stemmen de doorslag.
3. In de bestuursvergadering heeft elk lid één stem.
4. Tenzij in deze statuten anders wordt bepaald, worden besluiten genomen met meerderheid van stemmen. Bij staken der stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering opnieuw in stemming gebracht. Als de stemmen wederom staken, is het voorstel verworpen.
5. Het bestuur is bevoegd zowel in als buiten de vergadering besluiten te nemen. In dat laatste geval is daartoe vereist dat alle bestuursleden geraadpleegd zijn en zovelen zich ten gunste van het besluit schriftelijk, telefonisch of per telefax/e-mail hebben uitgesproken dat ten minste een meerderheid wordt bereikt welke voor de totstandkoming van het besluit in een voltallige bestuursvergadering is vereist.
6. Het bestuur is bevoegd tot het aangaan van overeenkomsten tot het verkrijgen, vervreemden en bezwaren van registergoederen, alsmede tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de Stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt.

Artikel 16

1. Na afloop van elk boekjaar worden de boeken van de Stichting afgesloten, waaruit door het bestuur een jaarrekening bestaande uit een balans, baten- en lastenrekening en een toelichting op deze stukken worden opgesteld, die vervolgens dienen te worden vastgesteld door het bestuur.
2. Het bestuur stelt voorts een verslag op omtrent de werkzaamheden van de Stichting in het afgelopen boekjaar.
3. Door het bestuur zal een registeraccountant worden benoemd die de jaarrekening onderzoekt en aan het bestuur rapport uitbrengt omtrent zijn bevindingen.
4. Het verslag van het bestuur als bedoeld in lid 2 en de jaarrekening zullen binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de organisaties, genoemd in artikel 10 lid 2 juncto lid 3 ter beschikking worden gesteld.

Artikel 17

Uiterlijk drie maanden vóór het einde van het boekjaar stelt het bestuur een begroting op van de inkomsten en uitgaven in het volgende boekjaar en legt de begroting voor aan de besturen van de in artikel 10 lid 2 juncto lid 3 genoemde organisaties met het verzoek binnen drie maanden hun mening over de begroting kenbaar te maken.

Artikel 18

1. Het bestuur is bevoegd de statuten van de Stichting te wijzigen.
2. Voor een wijziging van de artikelen 2, 3, 3a, 3b, 4, 5, 10 lid 2, 13, 14 en dit artikel alsmede gebruikmaking van de bevoegdheid gegeven in artikel 10 lid 3 is de toestemming vereist van elk van de in artikel 10 lid 2 juncto lid 3 genoemde organisaties.
3. Omtrent voorstellen tot wijziging van de overige bepalingen van deze statuten neemt het bestuur geen beslissing alvorens de besturen van de in artikel 10 lid 2 juncto lid 3 genoemde organisaties ten minste drie maanden in de gelegenheid te hebben gesteld terzake schriftelijk of mondeling hun mening kenbaar te maken.
4. Een besluit tot wijziging van de statuten zal slechts kunnen worden genomen met een meerderheid van zeven/tiende (7/10) van de stemmen in een vergadering waarin alle bestuursleden aanwezig zijn, en waarvoor zij onder vermelding van het voorstel tot wijziging zijn opgeroepen.
5. Het bepaalde in artikel 15, lid 4 van deze statuten is ook van toepassing op een besluit tot statutenwijziging.
6. Wanneer in de desbetreffende vergadering niet alle leden aanwezig zijn, zal na veertien dagen, doch binnen dertig dagen een nieuwe bestuursvergadering worden gehouden waarin met een meerderheid van twee/derde van de aanwezige leden wordt beslist.
7. De wijziging van de statuten dient op straffe van nietigheid bij notariële akte te geschieden. Het bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de akte van wijziging alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het handelsregister gehouden door de Kamer van Koophandel te Amsterdam.

Artikel 19

1. Het bestuur is bevoegd de Stichting te ontbinden. Op een daartoe te nemen besluit is van toepassing het bepaalde in artikel 18 de leden 2 tot en met 5.
2. Het bestuur is met de vereffening van het vermogen van de Stichting belast, tenzij het een of meer personen daartoe uitdrukkelijk benoemt.
3. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van de statuten voor zoveel mogelijk en nodig van kracht.
4. Het bestuur bepaalt welke bestemming na betalen van alle schulden aan de overgebleven bezittingen van de Stichting zal worden gegeven.

Artikel 20

In alle gevallen waarin deze statuten en de reglementen niet voorzien, besluit het bestuur.

Amsterdam, augustus 2016