Geschiedenis

De oorsprong van de Raad voor de Journalistiek gaat terug tot 1948. In de jaren van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog ontstond er onder Journalistenverenigingen de behoefte om een goede uitoefening van het journalistieke beroep veilig te stellen. Het voornaamste punt van zorg was de bestendigheid van het beroep.

Raad van Tucht

De Nederlandse Vereniging van Journalisten richtte in 1948 de Raad van Tucht op, die als een soort Persraad fungeerde tot 1960. De competentie van deze Raad van Tucht strekte zich alleen uit tot leden van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

In geval van onprofessioneel journalistiek gedrag kon de Raad van Tucht een waarschuwing, een berisping en/of tijdelijke schorsing, of beëindiging van het lidmaatschap van de Vereniging opleggen.
De Raad van Tucht deed in zijn periode van functioneren vijftien uitspraken. 

Oprichting Raad voor de Journalistiek

Een incident over een embargokwestie leidde in 1960 tot oprichting van de Raad voor de Journalistiek. Een dagbladjournalist publiceerde een artikel over een regeringsverklaring, die onder embargo aan de pers was geleverd. De journalist had het embargo niet aanvaard, omdat hij via eigen bronnen al kennis had genomen van de inhoud van deze verklaring. In reactie op deze gebeurtenis sloot de Nederlandse regering de betreffende journalist gedurende een jaar uit van alle overheidsinformatie. Gevraagd naar zijn mening in het parlement antwoordde de premier, dat de regering niet kon accepteren dat de Raad van Tucht over deze kwestie zou oordelen, omdat de Raad alleen competent was te oordelen over zaken van journalisten die bij de Nederlandse Vereniging van Journalisten waren aangesloten. In principe was het dus mogelijk dat, wanneer een journalist tegen wie een klacht was ingediend zijn lidmaatschap opzegde, de Raad van Tucht niet langer bevoegd was om deze klacht in behandeling te nemen en hierover een uitspraak te doen.

Het standpunt van de Nederlandse regering in deze kwestie was voor de Nederlandse Vereniging van Journalisten aanleiding om de Raad van Tucht te reformeren tot de Raad voor de Journalistiek. De nieuwe Raad kreeg de competentie om ook klachten tegen niet-georganiseerde journalisten in behandeling te nemen.

In deze context is het de moeite waard te vermelden dat in de eerste dagblad-CAO uit 1948 een artikel was opgenomen, waarin de deelnemende partijen zich achter het principe hadden geschaard dat alle journalisten van de aangesloten concerns hiervoor in aanmerking kwamen. Dit artikel werd echter niet erkend door het Departement van Sociale Zaken en kreeg daardoor nooit geldigheid. Was dit wel het geval geweest, dan hadden alle professionele journalisten door de Raad van Tucht geoordeeld kunnen worden.

Ook wetenswaardig is het feit dat de regering in 1949 een wetsontwerp indiende, dat de registratie en belastingplicht reguleerde met betrekking tot professionele journalisten. In dit ontwerp was eveneens een systeem van zelfdiscipline opgenomen, gebaseerd op de algemene wetgeving. Grote onvrede en kritiek uit de hoek van de vakbond leidden uiteindelijk in 1960 tot terugtrekking van dit omstreden wetsartikel.