Raad voor de Journalistiek: media-ombudsman overbodig

14 juni 2011

In een uitzending van het Radio1-programma ‘Lunch!’ van vandaag heeft de Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer gepleit voor het instellen van een media-ombudsman.
Brenninkmeijer verdient steun voor zijn opmerking dat media niet het Wilde Westen moeten worden. Het Wilde Westen bestaat echter al voor een deel in het veelkleurige medialandschap. Door de ongekende mogelijkheden die het internet biedt, wordt van dit verspreidingsmedium ook gebruik gemaakt door personen die zich door geen enkele norm van fatsoen of beroepsethiek willen laten leiden. Dit probleem lost zelfs de meest gezaghebbende autoriteit niet op. Overigens: journalistiek van laag allooi is van alle tijden.

Het verbaast mij dat Brenninkmeijer zo weinig ziet van wat de Raad voor de Journalistiek doet, namelijk precies hetgeen Brenninkmeijer de media-ombudsman wil laten doen: het onderzoeken en beoordelen van onzorgvuldigheden bij het journalistieke handelen. De normen die zijn ontstaan uit vijftig jaar jurisprudentie van de Raad voor de Journalistiek zijn samengevoegd in de Leidraad van de Raad. De daarin opgenomen uitgangspunten over journalistieke verantwoordelijkheid worden door een grote meerderheid binnen de journalistieke beroepsgroep in Nederland onderschreven.
Brenninkmeijer valt enige onoplettendheid te verwijten als hem niet is opgevallen dat de Raad voor de Journalistiek maandelijks rond de tien klachten behandelt van burgers, bedrijven, instellingen of overheidsinstanties die zich door onzorgvuldig journalistiek handelen beschadigd voelen. De rond de honderd klagers die jaarlijks bij de Raad aankloppen dichten de Raad dus wel degelijk gezag toe. En ik kan – na veertig jaar dagbladjournalistiek – Brenninkmeijer verzekeren dat de Raad ook als gezaghebbend wordt erkend op de redactievloer. De journalist tegen wie een klacht gegrond wordt verklaard, vindt dat verre van leuk.
Bijna alle kwaliteiten die Brenninkmeijer verwacht van een ombudsman voor de media – met name specifieke journalistieke deskundigheid – zijn bij de Raad voor de Journalistiek aanwezig. Hoe wil hij de oordelen van de ombudsman bindend maken? Dat zou dan toch moeten gebeuren middels een wettelijke regeling en dat is het laatste waar de media op zitten te wachten vanwege het gevaar van beknotting van de persvrijheid door de overheid. Het gezag van wie dan ook zo’n media-ombudsman zou kunnen worden, zal nooit groot genoeg zijn om te veronderstellen dat zijn uitspraken voor alle media bindend zullen zijn. Net zoals er nu enkele media zijn die de Raad voor de Journalistiek niet erkennen, zullen er zijn die geen boodschap hebben aan wat een media-ombudsman te berde zal brengen.
Graag zouden wij eens met Brenninkmeijer van gedachten wisselen en van hem vernemen of hij aanbevelingen heeft hoe het gezag van een instituut als de Raad voor de Journalistiek kan worden gevestigd, behouden c.q. vergroot. Dat is nuttiger dan ongefundeerd maar weer eens voor de zoveelste keer in het wilde weg te pleiten voor de aanstelling van een speciale media-ombudsman.

Victor Lebesque,
voorzitter Raad voor de Journalistiek

Meer berichten